door Geert-Jan Koot
t’Amsteldam, : by Jakob van Royen, boekverkoper in de Kalverstraat, by de Osse-sluis, 1690. [18], 176 pagina’s : 26 illustraties ; 17 cm.
Ludolph Smids (1649-1720) was een Amsterdamse arts, oudheidkundige en dichter. Zijn bekendste werk is Schatkamer der Nederlandsche Oudheden, een beschrijving van oude kastelen en bouwvallen, met 60 gravures door Jacobus Schijnvoet (1685-1733) naar de kasteeltekeningen van Roelant Roghman (1627-1692). Zijn bundel met lofdichten op beroemde vrouwen is echter minder bekend. In Nederland bezitten slechts enkele bibliotheken dit werk. Het boekje bevat lofdichten op 54 vrouwen, veelal tragische heldinnen uit de oudheid en de geschiedenis als ‘Kleopatra’, ‘Maria Stuard’ en ‘Johanne van Ark’ (Jeanne d’Arc). Bovendien zijn bij elke vrouw historische schetsen, verklarende bespiegelingen en bronvermeldingen opgenomen. De bezongen dames zijn ingedeeld naar 15 deugden of ondeugden zoals liefde voor het vaderland, ‘huwelijks schenderye’, kuisheid, gramschap en wraakgierigheid, en ‘geduld en groothartigheid in rampzaligheden’. In deze laatste rubriek is Olympias de moeder van Alexander de Grote ondergebracht. Zij werd om het leven gebracht door Kassander in de Macedonische oorlogen.
De 26 prenten in dit boek zijn gedrukt door Jacob van Royen (1671-1720), uitgever en boekverkoper in de Amsterdamse Kalverstraat. Enkele illustraties zijn gesigneerd door Johannes van den Avele en Adriaan Schoonebeek. Het gegraveerde frontispiece is ontworpen door Cornelis Visscher en uitgevoerd door Joseph Mulder.
Schenking Erven I.Q. van Regteren Altena

Romae : Ex typographia Antonii de Rubeis, 1750. xii, 110 pagina’s : 94 illustraties op 55 bladen (24 op 12 bladen, 35 op 18 bladen, 16 op 8 bladen, 19 [i.e. 20] op 17 bladen); 50 cm.
Het onderwerp van dit boek is de Tomba Nasoni, de onderaardse ruimte voor godsdienstige rituelen en begrafenissen die toebehoorde aan de familie Nasoni uit de Romeinse oudheid, gelegen langs de Via Flaminia bij Rome. De graftombe werd gevonden bij wegwerkzaamheden in 1674, waarop Pietro Santi Bartoli (1635-1700) opdracht kreeg om prenten naar de aangetroffen fresco‘s uit te voeren voor de publicatie Le pitture antiche del sepolcro dei Nasonii, nella via Flaminia (Roma, 1680).

Het als schenking verworven boek is de tweede editie uit 1750 van de oorspronkelijke uitgave uit 1738. Het is de Latijnse vertaling van Le pitture antiche delle grotte di Roma, e del sepolcro De’ Nasoni disegnate, & intagliate … uit 1706. Dit werk is weer gebaseerd op het eerder genoemde boek Le pitture antiche del sepolcro dei Nasonii, nella via Flaminia uit 1680 met 35 gravures naar de muurschilderingen. Ten opzichte van de Italiaanse editie uit 1706 en de eerste Latijnse editie uit 1738 is aan deze versie uit 1750 een vierde deel toegevoegd met 20 platen en toelichtende teksten. Het totaal aantal prenten verdeeld over vier hoofdstukken is daarmee uitgebreid van 35 tot 95, met 110 pagina’s begeleidende tekst. Latere heruitgaven dateren uit 1791 en 1816.
Behalve de Tomba Nasoni komen ook andere ondergrondse begraafplaatsen uit de Romeinse oudheid aan bod. Naast de weergave van de fresco’s in het interieur zijn illustraties opgenomen van stucwerken, mozaïeken, lampen, vazen en andere objecten. Deze uitgave vormde niet alleen een belangrijke bron voor de kennis van de oorspronkelijke inrichting en de decoraties van graftombes uit de Romeinse oudheid, de prenten fungeerden ook als inspiratiebronnen voor neoklassieke interieurontwerpen door Robert Adam, James Wyatt en John Soane in Engeland en voor de Empire stijl in Frankrijk in de laatste decennia van de achttiende eeuw. Thomas Hope en John Nash ontwikkelden mede op basis van deze motieven de Regency stijl in het begin van de negentiende eeuw. De in Amsterdam geboren Thomas Hope (1769-1831) had veel invloed met zijn boek Household furniture and interior decoration uit 1807.
Schenking Erven I.Q. van Regteren Altena



Zie voor een beschrijving en afbeeldingen van het interieur en exterieur van de graftombe Nasoni in dit boek ook de aanwinstenblog april 2021.
[Venice] : Per li Figliuoli del Qu. Z. Antonio Pinelli …, 1780. 21, [1] pagina’s ; 27 cm.
De auteur Pietro Arduino (1728-1805) was een Italiaanse botanicus. In 1780 schreef hij dit boekje over methoden om de zoutwatermoerassen in de omgeving van Venetië te cultiveren met stekend loogkruid (Roscano, Salsola kali). De opdracht was afkomstig van de magistraat ‘Signori’ Onorandi als gevolg van een decreet van de Venetiaanse Republiek om de moerassen te cultiveren en de productie van glas nieuw leven in te blazen. Uit deze plant die de Italiaanse naam Roscano draagt, werd soda (natriumcarbonaat) gewonnen voor de glas- en zeepindustrie. Soda was een gewild product dat als vloeimiddel nodig was voor de glasfabricage. Daarnaast gebruikte de textielindustrie grote hoeveelheden soda als bleekmiddel en om wol te ontvetten. De biotoop van de plant loogkruid bestaat vaak uit vlakke, droge of zouthoudende grond. Sommige soorten groeien in zoutmoerassen.
De Engelse naam ‘glasswort’ heeft de plant te danken aan het gebruik bij de productie van glas. Reeds in de middeleeuwen werden deze planten in landen rond de Middellandse Zee gekweekt. De planten werden verzameld en verbrand vanwege de as die 20 tot 30 procent soda kon bevatten. Soda was van belang om het smeltpunt van glas te verlagen zodat het glas kon worden geblazen of getrokken bij een lagere temperatuur. De Venetiaanse glasblazers in Murano kenden al vanaf circa 1450 de techniek van het maken van ‘cristallo’, het onberispelijk heldere glas dat natriumcarbonaat als vloeimiddel gebruikte. In die tijd werd cristallo beschouwd als het helderste glas van Europa en deze kennis droeg bij tot de status van Murano als het belangrijkste glascentrum. Vanaf de 16de eeuw werd in Engeland soda gewonnen uit loogkruid, terwijl in delen van Schotland en in Narbonne zeewier de bron van soda was. Vanaf het begin van de negentiende eeuw kwam aan de winning van soda uit planten een einde met de uitvinding van synthetisch soda uit keukenzout door Nicolas Leblanc in 1791.

Pirna : Friese, [1812]. 2. verb. Auflage. VIII, 56 pagina’s, V bladen met illustraties en diagrammen (kopergravures) ; 24 cm.
Dit zeer zeldzame werk uit het begin van de 19de eeuw bevat een complete cursus tekenen van 167 paragrafen op 56 pagina’s. Zoals de titel aangeeft is het bedoeld om de aankomende tekenaar en kunstenaar maar ook om amateurs alle kneepjes bij te brengen om landschappen te tekenen. De toevoeging ‘ohne mündliche Lehrer’ geeft aan dat het boek zo gedetailleerd en helder van inhoud is, dat het een leraar overbodig maakt. Bovendien werd de leerling gevrijwaard van de willekeur en de persoonlijke smaak van de onderwijzer. De anonieme auteur keurde tekenvoorbeeldboeken af, die vaak vol staan met slecht uitgevoerde platen, terwijl de natuur zelf bij wijze van spreken er om smeekt te worden nagetekend. Hoewel zijn naam onbekend blijft, karakteriseerde de auteur in het voorwoord zich als een schilder met dertig jaar ervaring. Als tekenleraar voor jongelui had hij zich alle vragen eigen gemaakt die leerlingen stellen. Op deze kennis heeft hij zijn leerboek gebaseerd.

Deze tweede editie bevat twee voorwoorden en een inleiding (Was ist malerische Darstellung?), gevolgd door twee delen met de volgende onderwerpen.
Deel 1: Over de juiste blik (Von dem richtigen Blick); Lijn, punt, cirkel en hoek (Linie, Punkt, Kreis und Winkel); Materiaal voor geometrisch tekenen (Die zum geometrischen Zeichnen nöthigen Instrumente); De figuren zelf (Die Figuren Selbst); Regels ter oefening van de juiste blik (Fernere Regeln zur Uebung des richtigen Blick).
Deel 2: Over de nauwkeurige blik (Von dem genauen Blick); Eenvoudige onderdelen naar de natuur tekenen (Von dem Zeichnen einfacher Theile nach der Natur); Voorlopige concepten van schaduw en licht (Vorläufige Begriffe von Schatten und Licht); Over de verschillende methoden om licht en donker weer te geven, en de daartoe benodigde tekeninstrumenten (Von den verschiedene Arten, Licht und Schatten auszudrücken und den dazu nöthigen Zeichenmitteln); Over de schaduw (Von dem Schatten Überhaupt); Valkuilen (Kieseln); Uitwerking (Schraffirung); De schilderachtige methode (Malerische Manier); Het potlood (Das Bleistift); Over toevallige moeilijkheden bij het tekenen naar de natuur (Von den zufälligen Schwierigkeiten bei dem Zeichnen nach der Natur).
Deze grondige instructie voor het tekenen wordt afgesloten met vijf bladen met illustraties bij de tekst, uitgevoerd in kopergravures. Van dit boek is slechts één ander exemplaar bekend dat zich bevindt in de Staatsbibliothek te Berlijn.

Hannover : In der Helwingschen Hofbuchhandlung, 1818. xvi, 120 pagina’s ; 21 cm.
Johann Friedrich Westrumb (1751-1819) was een Duitse apotheker uit Hameln. Hij deed veel onderzoek onder meer naar de samenstelling van natriumwaterstofcarbonaat. Westrump introduceerde de industriële productie van hoogwaardig glaswerk met behulp van keukenzout en glauberzout (natriumsulfaat). Glauberzout of wonderzout is een wit kristallijn zout ontdekt door Rudolf Glauber. Het wordt zowel in de geneeskunde (als laxeermiddel) als in de glasfabricage toegepast. Dit boek bevat de neerslag van het jarenlange onderzoek door Westrumb naar het verbeteren van de samenstelling van glas. In 190 paragrafen verdeeld over 120 pagina’s worden alle aspecten van de grondstoffen en hun vindplaatsen, maar ook het gebruik van ovens en de uiteenlopende bewerkingen van glas behandeld.
Voordat natriumcarbonaat in grote hoeveelheden ter beschikking kwam gebruikte men potas (kaliumcarbonaat) uit hout, en soda (natriumcarbonaat) gewonnen uit stekend loogkruid (Roscano, Salsola kali). Zie voor deze vroegere plantaardige bron van soda de bovenstaande beschrijving bij het boek Istruzione dei modi da praticarsi per coltivare il kali maggiore, o sia salsola-soda, erba comunemente nota col nome di roscano, e di formarne la soda, cenere che impiegasi nella composizione de’ vetri, e de’ saponi uit 1780. In de tweede helft van de achttiende eeuw werd gezocht naar een methode om natriumcarbonaat, dat potas uit hout en soda uit loogkruid kon vervangen, uit natriumchloride te vervaardigen. Dit leidde in 1791 tot de uitvinding van Nicolas Leblanc waarmee synthetische soda uit keukenzout werd gemaakt (het Leblancproces). Vervolgens ontwikkelde zich in de negentiende eeuw een uitgebreide soda-industrie waardoor glas, textiel en ook zeep veel goedkoper en in grotere hoeveelheden was te vervaardigen. Johann Friedrich Westrumb heeft met dit boek een belangrijke bijdrage geleverd aan het verder ontwikkelen van het Leblancproces waardoor de kwaliteit van glas werd verbeterd en industriële glasfabricage onder handbereik kwam.

Recueil de petites études / dessinées par Dubois ; J. Marchand direx.t.
A Paris : chez J. Marchand, [1806-1810]. 1 blad, 12 bladen platen : gravures ; 30 x 41 cm.
De omslag van dit werk is tevens het titelblad. Opvallend is dat na de titel Recueil de petites études, de naam van de tekenaar met de hand in zwarte inkt is ingevuld: Dessinées par Dubois, gevolgd door de gedrukte naam van de uitgever J. Marchand. Deze naam Marchand komt onderaan het titelblad terug met de aanduiding ‘Dessinateur et Graveur’. Jacques Marchand (1769-1845?) was graveur, lithograaf en aquarelschilder in Parijs. Tussen 1806 en 1810 was hij gevestigd op het adres vermeld op het titelblad, Rue St. Jacques No. 30. Marchand stelde zijn werk tentoon tussen 1798 en 1820 op de Salon, de jaarlijkse kunsttentoonstellingen in Parijs. Dubois heb ik niet kunnen identificeren.

De uitgave bevat één blad met tekst en twaalf genummerde prenten waarop landschappen staan afgebeeld. Prominent in beeld zijn getuigenissen van menselijke activiteiten, bijvoorbeeld een groot wijnvat, een schuur of een boerderij. Op enkele prenten zijn ook figuren weergegeven. Deze tekenvoorbeelden zijn ontworpen door Dubois en uitgevoerd in prent door J. Marchand, die ook de drukker en uitgever van het album is. Op enkele prenten staat vemeld: Dubois del. of D. del. (afkorting van delineavit, ‘heeft getekend’). Van dit Receuil de petites études zijn geen andere exemplaren bekend. De prenten verschenen in drie leveringen van ieder vier bladen.

Het tekstblad vangt aan met ‘Observations. Etudes de Paysages contenues dans ce Receuil’. Vervolgens wordt opgemerkt dat beginnende tekenaars er goed aan doen om, voorafgaand aan het tekenen naar de natuur enkele goede voorbeelden te kopiëren. Ook kennis van het perspectief en de architectuur dient men zich eigen te maken. Vervolgens wordt aangeraden om te oefenen in het tekenen van bomen, om tenslotte huizen en andere bouwwerken op te nemen in de tekening. In een soort voetnoot wordt voor deze laatste bekwaamheden verwezen naar een andere uitgave van Marchand met de titel Cours d’études de paysages ou choix des plus belles fabriques et vues d’Italie avec arbres, plantes, rochers, terreins / dessinés d’après nature par J. B. Coste ; et gravés à la manière du crayon par J. Marchand. Dit is een omvangrijk voorbeeldboek met zestig prenten gepubliceerd in 15 afleveringen van vier prenten. In tegenstelling tot het verworven album, is deze uitgave minder zeldzaam.

Paris : chez D. Gulimard au Bureau du journal “le Garde meuble”, [1853]. Nouvelle édition. [2], 134 pagina’s + 42 platen ; 37 cm.
Désiré Guilmard (c.1810 – c.1889) was een Franse uitgever en meubelontwerper. Hij maakte naam met geïllustreerde publicaties van historische en hedendaagse ontwerpen en ornamenten. Vanaf 1839 publiceerde Guilmard gelithografeerde ontwerpen voor meubels van eigen ontwerp maar ook van andere ontwerpers. Deze uitgaven vormen belangrijke bronnen voor de studie naar de meubelkunst in de tweede helft van de negentiende eeuw. Zijn meest invloedrijke uitgave was het tijdschrift Le Garde-meuble ancien et moderne, dat in 1838 een aanvang nam en waarvan Guilmard van 1844 tot 1882 de redacteur was. Om een compleet beeld te geven van de ontwikkeling van stijlen tonen de illustraties uiteenlopende interieurs met gedetailleerde afbeeldingen van de meubels. Bovendien publiceerde Guilmard albums met de meubels die werden getoond op de wereldtentoonstellingen, ‘Expositions Universelles’, van 1844, 1849 en 1855 in Parijs en een reeks albums met ontwerpen voor bepaalde soorten meubels, houtwerk of stoffering. Zijn belangrijkste publicatie was Les Maîtres ornemanistes, uit 1880 met een uitgebreide verzameling Franse, Italiaanse, Duitse en Nederlandse gravures voor interieurontwerpen.
De verworven uitgave Connaissance du style de l’ornementation depuis l’ère chrétienne jusqu’à nos jours leverde een belangrijke bijdrage aan de zich ontwikkelende studie van historisch ornament en design in de negentiende eeuw. Guilmard behandelt in zes hoofdstukken de architectuur en de interieurstijlen vanaf de Keltische periode tot en met de Franse restauratie, een periode van ruim 1000 jaar van 800 tot 1850. Elke periode wordt uitvoerig toegelicht in woord en beeld. In totaal zijn 42 gelithografeerde platen opgenomen met op elke plaat tot wel 25 illustraties. De nadruk ligt op de ornamentiek van de kunstnijverheid en de architectuur. De eerste uitgave dateert van 1849, waarop het werk vrijwel ongewijzigd werd herdrukt. Het is lastig om alle drukken op te sporen aangezien de meeste exemplaren ongedateerd zijn. Vermoedelijk zijn tot aan het einde van de negentiende eeuw diverse oplagen gepubliceerd. Het verworven exemplaar is de tweede (‘nouvelle’) editie in een nieuwe omslag waarop het oorspronkelijke voorblad is aangebracht.

Paris : Librairie Classique Internationale A. Fouraut, 1892. 3e éd., considérablement augmentée. 182 pagina’s : illustraties ; 25 cm. Appendix (p. 174-180) bevat 26 stalen tekenpapier.
Armand Théophile Cassagne (1823-1907) was een leerling van de Engelse schilder en lithograaf James Duffield Harding, wiens invloed die tot uiting komt in zijn behandeling van bomen en gebladerte. Cassagne werkte veertig jaar lang in het bos van Fontainebleau en liet meer dan driehonderd studies, aquarellen en schilderijen na. Hij wordt gerekend tot de Barbizon school van landschapsschilders. Bovendien schreef hij diverse leerboeken over zijn ‘Méthode Cassagne’. Het Rijksmuseum bezat al de volgende boeken van zijn hand: Le dessin enseigné par les maîtres : principes déduits ou extraits de leurs oeuvres : figure, anatomie, paysage, animaux, fleurs, en Traité d’aquarelle renfermant un grand nombre de types, dessins, sépias et aquarelles, paysages, fleurs et fruits, figures. In 2019 werden acht delen aangekocht van de leerboeken Le dessin pour tous : méthode Cassagne : cahiers d’exercices progressifs.

Met de aankoop van deze Guide pratique pour les différents genres de dessin is de collectie verrijkt met het standaardwerk van Cassagne. Deze uitvoerig geïllustreerde tekenhandleiding is geschreven aan de vooravond van de opkomst van het impressionisme en was bedoeld om kunstenaars die buiten de academie werkten, vertrouwd te maken met de grondbeginselen van het perspectief en met de grote verscheidenheid aan tekenmaterialen en -technieken. Veel aandacht gaat uit naar het werken ‘en plein air’, het tekenen en schilderen in de open lucht, een methode die fundamenteel zou worden voor de esthetiek van de Franse schilderkunst in het laatste kwart van de negentiende eeuw. Cassagne bespreekt voorwerpen en neemt afbeeldingen op van materialen en gereedschappen voor het schilderen en plein air waaronder een parasol, een opvouwbare kruk, een draagbare tekentafel met schetsboek, een pennenbakje, opvouwbare verfkokers, een aquarelkit met een draagbare waterbus, evenals conté krijt, houtskool, rood krijt, inkt om te penselen, de ganzenveer en de vulpen, sepia, potloden, gummen, en penselen.
Cassagne’s Guide pratique is ook van bijzonder belang vanwege de staaltjes wit en gekleurd tekenpapier die op dat moment beschikbaar waren voor tekenaars. Deze handleiding werd oorspronkelijk gepubliceerd in 1873 met 21 papieren staaltjes. De verworven derde editie uit 1892 heeft 25 staaltjes van de 26 (één monster ontbreekt). Het boek bevat 3 (van 4) papiermonsters ‘pour la mine de plomb’, ‘le crayon noir et la sanguine’; 8 stalen papier voor zwart krijt en houtskool; 3 monsters gelinieerd papier (waaronder ruitjespapier) voor het kopiëren, vergroten of verkleinen van tekeningen en 7 voorbeelden van papier voor diverse toepassingen, waaronder Whatman papier voor aquarellen en gewassen tekeningen met sepia, en Harding papier voor tekeningen in pen en sepia.

Een andere tekenhandleiding van Cassagne, Guide de l’alphabet du dessin uit 1880, had invloed op Vincent van Gogh (1853-1890). Hij schreef aan zijn broer Theo op 2 april 1882 hoe een handboek hem verder hielp: “ ‘t Geen mij heeft doen ophouden te twijfelen is dat ik een begrijpelijk boek over perspectief las, Cassagne, Guide de l’Abc du dessin en 8 dagen daarna een interieur teekende van een keukentje met kagchel, stoel en tafel & venster op hun plaats en op hun pooten terwijl vroeger ’t mij bepaald hekserij of toevalligheid scheen dat men diepte & juiste perspectief in een teekening had. Als gij maar één ding geteekend hadt zooals ’t behoort dan zou de lust onweerstaanbaar zijn om nog 1000 andere dingen te attaqueeren“. (Van Gogh Letters Online). Dit uiterst zeldzame handboek is zelfs niet in Nederland aanwezig. De tweede uitgave uit 1895 is online raadpleegbaar. Een moderne herdruk van de eerste editie is in de bibliotheek van het Rijksmuseum te bekijken.

London : Charles Griffin & Company, Limited, 1893. 2 delen (907 pag.) : 116 illustraties, diagrammen ; 24 cm. + 1 accompanying volume “Specimens of dyed fabrics”. (24 bladen : 144 ingeplakte kleurstalen ; 24 cm.)
Volume 1. Introduction ; Chemical technology of the textile fibres ; Water ; Washing and bleaching ; Acids, alkalies, mordants, &c. ; Natural colouring matters.
Volume 2. Artificial organic colouring matters ; Mineral colours ; Machinery used in dyeing ; Investigation into the tinctorial properties of colouring matters ; Analysis and valuation of materials used in dyeing ; Appendix: Specimens of dyed fabrics.
Edmund Knecht (1861-1925) was een pionier in het vertalen van de resultaten van laboratorium onderzoek naar praktisch toepasbare methoden. Hij was ‘associate professor of technological chemistry’ aan het College of Technology aan de University of Manchester. Zijn vakgebied betrof toepassingen van chemie op het verven van textiel. Knecht was aan dit college verbonden als ‘chief lecturer in chemistry and dying’, en vanaf 1902 als ‘professor of tinctorial chemistry’. Samen met Christopher Rawson redigeerde hij het invloedrijke Journal of the Society of Dyers and Colourists. De publicatielijst van Knecht telt ongeveer 100 titels, maar deze handleiding voor textielververs behoort tot zijn meest bekende werk waarvan 10 edities zijn verschenen. Het Rijksmuseum bezit ook de 9de editie uit 1933 maar deze eerste editie bestaande uit twee banden met een supplement deel is zeldzaam.

Deze delen beschrijven de chemische technologie voor textielstoffen, wassen en bleken, zuren, alkaliën, beitsmiddelen, natuurlijke kleurmethoden, minerale kleuren, de vereiste machines, en zelfs hoe de resulterende producten moeten worden geanalyseerd. In de tekst zijn 116 illustraties opgenomen. Het derde deel met verfstalen ontbreekt bij de meeste sets in institutionele bibliotheken. Deze band met stalen bevat 144 voorbeelden van kleurstoffen op katoenen en wollen stoffen. De monsters omvatten een breed kleurengamma van roze geproduceerd door diverse fabrikanten met Erika B. kleurstof, Cresotin Yellow G, violet van Diamine Violet N, Benzo Grey, ‘Turkey Reds’ voor en na het oliën en stomen van de textiel, indigo’s, Azo-kleurstoffen en meer. Dit derde deel bevat een ex libris van de grootste Britse chemische fabriek, Imperial Chemical Industries, ontstaan in 1926 uit een fusie van chemische bedrijven, in 2008 ingelijfd door AkzoNobel en inmiddels deels doorverkocht aan een andere chemiereus, Henkel.

EKS : tentoonstelling van werk van henc van maarseveen
[Utrecht] : Grafisch Gezelschap De Luis, [1963]. [8] pagina’s : illustraties (linosnedes) ; 30 cm + bijlage
Losse bladen in omslag. Titelpagina met twee linoleumsneden, een dubbelzijdige linoleumsnede, 4 eenzijdig bedrukte gestencilde pagina’s.
NA-EKS / teksten en linosneden van henc van Maarseveen
Utrecht : De Luis, 1965. [9] p. : 9 illustraties (linosnedes) ; 39 cm.
Op Japanse wijze gebonden. Gedrukt door Henc van Maarseveen en Josche P. Roverts. Oplage 110 exemplaren
Het Rijksmuseum verwierf twee belangrijke en zeldzame publicaties door Henc van Maarseveen (1926-2012). Werkzaam bij het ministerie van Binnenlandse Zaken begon hij zich pas in 1954 te ontwikkelen tot grafisch kunstenaar. Als ambtenaar schreef hij in het Tijdschrift voor overheidsinformatie het artikel “Het Zorgenkind van het cultuurbeleid”, een kritiek op de kunstpolitiek. Later werd hij benoemd tot hoogleraar Staatsrecht aan de Erasmus Universiteit van Rotterdam, een positie die hij tot 1991 zou bekleden. Samen met studiegenoot William Kuik (1929-2008) en Joop Moesman (1909-1988) richtte Henc van Maarseveen in 1960 in Utrecht het Grafisch Gezelschap De Luis op met als doelstelling het bevorderen van de vrije grafische kunsten. De leden wilden opereren als luizen in de pels van de moderne kunst. Zijn belangstelling ging, in tegenstelling tot die van zijn mede oprichters, uit naar abstracte en experimentele kunst. De waardering voor zijn grafiek ontleende hij aan zijn uitvinding van de schuifdruk. Unieke monotypiën waren het resultaat van het verschuiven van de geïnkte drukvorm tijdens het drukken. Zijn kunsttheoretische belangstelling blijkt onder meer uit publicaties als Digitaal of manueel : over impossibilisme en het maken van prenten met behulp van de computer en met de hand uit 1995. Bovendien schreef hij artikelen voor Pulchri en columns voor het Rotterdams Dagblad.

EKS is verschenen als catalogus bij de eerste solotentoonstelling van Van Maarseveen in 1963. Het werk bestaat uit een zwart papieren omslag met losse bladen. De inhoud is een titelpagina met twee linosneden, een dubbelzijdige linosnede, en vier eenzijdig bedrukte gestencilde pagina’s met onregelmatig getypte teksten. Het achterblad sluit af met drie overlijdensberichten gedateerd november 1981. Op die dag was zijn vader dertig jaar geleden gestorven. Vanwege deze datum wordt de uitgave weleens foutief gedateerd. In het Nieuw Utrechts Dagblad van 4 en 16 november 1963 keurden de recensenten deze exologie af. Van Maarseveen reageerde hierop met de verklaring dat hij het verschijnsel ‘dood’ schilderkunstig wilde behandelen.

Twee jaar later verscheen NA-EKS, dat op Japanse wijze is gebonden en gedrukt door Henc van Maarseveen en zijn vrouw Josche P. Roverts op een pers van De Luis in een oplage van 110 exemplaren. Op het titelblad staat vermeld: ‘Kahier van het grafische gezelschap De Luis’. Dit is vermoedelijk een fictieve reeks, mogelijk verwijzend naar het Luizencahier waarvan slechts één aflevering was verschenen. Naast het titelblad zijn nog acht linosneden opgenomen met onderschriften als ‘de woorden kennen’, ‘in de ziel versleten’, ‘is het lid verdord’, ‘na het denken’, ‘is het vuil ontembaar’. Van Maarseveen liet zien dat de linosnede als een serieuze grafische techniek moet worden beschouwd. Wellicht heeft het experimentele en het non-figuratieve karakter van zijn grafiek bijgedragen aan de geringe aandacht die het werk van Henc van Maarseveen kreeg op groepstentoonstellingen van Luis.
Bron: Grafisch Gezelschap De Luis 1960-1980 : individualisten in clubverband / samenst. Roman Koot; m.m.v. Saskia de Bodt. Amsterdam 2008.


