Selectie aanwinsten februari 2020

door Geert-Jan Koot

La vera perfettione del disegno : di uarie sorti di ricami, & di curire ogni sorte di punti à fogliami, punti tagliati, punti à fili, & rimessi, punti incrociati, punti à stuora, & ogn’altra arte, che dia opera à disegni / fatto per Giovanni Ostaus
In Venetia : Presso gl’ Heredi di Luigi Valuassori, e Gio. Domenico Micheli, al segno dell’ Hippogriffo, 1584. 1 deel : 4 pagina’s (1 houtsnede op A2V), 73 pagina’s platen (genummerd VII-LXXIX) ; 15 x 21 cm.

Soms leidt een attendering van een medewerker van het museum of van een bezoeker tot een verrassende vondst. De conservator textiel van het Rijksmuseum Sara van Dijk ontdekte dit zeer vroege Venetiaanse boekje met patronen voor borduur- en kantwerk uit 1584 bij een Nederlands antiquariaat.

Giovanni Ostaus was een van oorsprong Duitse uitgever werkzaam tussen 1554 en 1591 in Venetië. Hij publiceerde zijn patroonboek voor borduur- en kantwerk in 1557. Het boekje was populair want spoedig volgden edities in 1561, 1567, 1584 en 1591. Ondanks de populariteit van het boekje zijn alle edities zeldzaam en ontbraken deze in de bibliotheek van het Rijksmuseum. De verworven uitgave uit 1584 is gebonden in een Italiaanse zestiende eeuwse kalfslederen band, gerestaureerd in de 19de eeuw. Het boekje bevat 2 tekstpagina’s en 73 houtsnedes met voornamelijk patronen voor kant en voorbeelden voor borduurwerk: guirlandes (platen VII-XII); kant (XIII-XXVI); randversieringen (XXVII-XLII); allegorische voorstellingen en jachttaferelen (XLIII-LXII); borduurpatronen waaronder het alfabet (LXIII-LXXIX). De patronen in dit boek laten zowel Italiaanse als Franse invloeden zien.

Vera perfettione21
Patroonbladen LXVI en LXVII

Een illustratie (fol. A2v) door de Venetiaanse schilder Giuseppe Salviati (= Giuseppe Porta, ca. 1520 – ca. 1575) toont Sextus Tarquinius Superbus in de deuropening kijkend naar Lucretia Romana terwijl zij een draad in de linkerhand en een borduurnaald in de rechterhand vast houdt. Tijdens de belegering van Ardea gingen de zonen van koning Lucius Tarquinius Superbus en hun metgezellen naar Rome om te controleren of hun vrouwen zich tijdens hun afwezigheid wel fatsoenlijk gedroegen. De mannen troffen de schoondochters van de koning aan op een weelderig festijn, terwijl Lucretia, de vrouw van Lucius Tarquinius Collatinus, thuis samen met haar dochters en dienstmaagd wol aan het spinnen was. De houtsnede is aan de linker onderzijde gesigneerd “lose Sal. 1557”.

In de blog van de maand februari 2020 wordt ingegaan op de context en het gebruik van dit type boekjes.

Vera perfettione20
Sextus Tarquinius Superbus in de deuropening kijkend naar Lucretia Romana terwijl zij een draad in de linkerhand en een borduurnaald in de rechterhand vast houdt

L’arte vetraria distinta in libri sette, nequali si scoprono effetti maravigliosi et insegnano segreti bellissimi del vetro nel fuoco et altre cose curiose / Antonio Neri
In Firenze : Nella Stamperia de’Giunti, 1612. [6], 114, [6] pages : illustraties ; 23 cm.

Deze zeldzame eerste druk van het oudste traktaat over het maken van glas stond al lang op onze verlanglijst. Onderzoeker Tonny Beentjes ontdekte dit exemplaar op de veiling van Zisska & Lacher in München. Het boekje is gestoken in een fraai gedecoreerde achttiende eeuwse band voorzien van een rugschildje. Helaas ontbreekt het eerste tekstblad met de opdracht van Neri aan Antonio de’ Medici.

Antonio Neri (1576-1614) was een Florentijnse priester en alchemist die in 1612 L’arte vetraria (De kunst van het glas) publiceerde. Neri’s vader was arts, en zelf was hij een kruidkundige, alchemist en de glasmaker van de Medici’s, de heersende familie over het groothertogdom van Toscane. Neri werd in 1601 tot priester gewijd en leefde te Florence in het huis van markies Alamanno Bartolini. Daar heeft hij in 1601 de rijke Portugese bankier Emmanuel Ximenes (1564–1632) ontmoet. Ze deelden een fascinatie voor alchemie en voor Paracelsus, de Zwitserse arts en theoloog die zich bezighield met alchemie en astrologie. Ook correspondeerden ze over het vervaardigen van gekleurd glas en email. Van 1604 tot 1611 woonde Neri in Antwerpen bij Ximenes. Na zijn terugkeer in Florence schreef hij dit boek, gebaseerd op de informatie over de vervaardiging van glas voor verschillende doeleinden die hij had verzameld op zijn reizen door Italië en de Nederlanden. Over het leven van Neri was weinig bekend tot in de jaren 1960 documenten als geboortecertificaten en brieven van Neri en zijn familie werden ontdekt door de glashistoricus Luigi Zecchin. Pieter Boer en Paul Engle hebben in 2010 een beredeneerde bibliografie van primaire bronnen over Neri gepubliceerd in: Journal of Glass Studies vol. 52 (2010), pagina 51-67.

Vetraria2
Titelblad met sporen van gebruik.

Neri beschrijft gedetailleerd in zeven hoofdstukken de toen bekende methoden van glasvervaardiging in 133 recepten voor gekleurd glas. Het boek bleef lange tijd het meest toonaangevende werk over dit onderwerp omdat het een praktische handleiding biedt voor amateurs en professionele glasmakers. Het oorspronkelijke boek verscheen in drie edities: in Florence 1612 en 1661 en in Venetië in 1663. Een Engelse editie met de titel The art of making glass vertaald en ingeleid door Christopher Merritt verscheen in 1662. In de negentiende en twintigste eeuw is het boekje meer dan 20 keer herdrukt en in diverse talen en als facsimilé uitgegeven. De meest recente editie is de driedelige geannoteerde uitgave met een Engelse vertaling van Paul Engle uit 2007.

H3491-L186482801_original
Gedecoreerde band uit de achttiende eeuw.

L’état des arts, en Angleterre / par M. Rouquet
Paris, C.A. Jombert, 1755. 211 pagina’s : 17 cm.

Jean Andre Rouquet (1701-1758) werd geboren uit Franse Hugenotenouders, die op zoek waren naar religieuze tolerantie in Genève. Rouquet was werkzaam in Genève, Parijs en Londen, waar hij bevriend raakte met de schilder William Hogarth (1697-1764). Hij was een verdienstelijke emailschilder, die speciale technieken ontwikkelde voor eigen gebruik. Helaas heeft hij deze technieken nooit gepubliceerd of op een andere wijze bekend gemaakt zodat de kennis verdween met zijn overlijden in Parijs in 1758.
Dankzij de ontwikkeling van nieuwe technieken voor het schilderen met email werd het vanaf de zeventiende eeuw mogelijk om delicate portretten te vervaardigen die op olieverfschilderijen lijken. De portretminiatuur in email op koper ontwikkelde zich tot een internationale kunst. De verspreiding werd bevorderd doordat veel beoefenaren van deze emailleerkunst reisden om nieuwe markten te vinden, terwijl andere migreerden om aan religieuze vervolging te ontsnappen. Nadat de geëmailleerde portretminiaturen in Europa populariteit hadden verkregen, kwamen ze tussen 1720 en 1760 in Engeland in de mode. De portretminiaturen in email van Rouquet zijn tegenwoordig zeer gezocht.

Het huidige werk biedt een uitgebreid overzicht van Engelse kunst en kunstnijverheid waaronder een hoofdstuk van 10 pagina’s over het emaille portret. Naast de schilder- en beeldhouwkunst behandelt Rouquet ook de grafische kunst, druktechnieken, goud- en zilversmeedkunst, sieraden, porselein, muziek en theater. In een hoofdstuk wordt beschreven “la decoration des boutiques et les ventes de tableaux “. Het werk is opgedragen aan de markies de Marigny, een broer van de Madame de Pompadour, die hem in 1754 een appartement aanbood in de Galeries du Louvre als waardering voor zijn miniatuurportretten. Dit essay, het enige werk uit die tijd dat de balans opmaakt van de Engelse artistieke scene tussen 1730 en 1755, wordt geciteerd in de Encyclopédie van Diderot en d’Alembert.

Rouquet
Opdracht van de auteur aan Marquis de Marigny, een broer van Madame de Pompadour.

Lettere senesi di un socio dell’Accademia di Fossano sopra le belle arti / Guglielmo della Valle 
Deel 1 : Venezia [etc.] : presso Giovambatista Pasquali [etc.], 1782. (4), 292, (4) pagina’s ; illustratie (gegraveerd titelblad) 26 cm.
Delen 2 en 3 o.d.t.: Lettere sanesi del padre … Guglielmo Della Valle … sopra le belle arti.
Deel 2: In Roma, presso Generoso Salomoni, 1785. vi, 283 pagina’s ; 26 cm
Deel 3: In Roma, nella stamperia di Giovanni Zempel, 1786; 4), 479, (1) pagina’s : illustraties (4 gegraveerde vouwbladen) ; 29 cm.

Volgens de Dizionario Biografico degli Italiani (deel 37, 1989) zijn het jaar en de plaats van geboorte van de Italiaanse auteur Guglielmo della Valle (1745?-1794?) niet bekend. Hij trad toe tot de Orde van de Minderbroeders (Franciscanen) in Pinerolo. Na zijn studie in Turijn werd Della Valle in 1773 tot priester gewijd in Rome. Hier ontwikkelde hij een belangstelling voor de beeldende kunst en raakte bevriend met de schilders Battoni en Mengs. Na zijn overplaatsing naar het Franciscanenklooster in Siena in 1780 om theologie te onderwijzen, ontstond zijn interesse voor de middeleeuwse Sienese schilderkunst. Op zijn reizen naar onder meer Florence en Pisa ontwikkelde hij de theorie dat de kunst in Siena als een zelfstandige stroming moet worden gezien. In de loop der jaren had Guglielmo voldoende kunstwerken gezien en informatie verzameld om een overzicht van de Noord-Italiaanse kunst te schrijven. Hij koos voor de epistolaire vorm om in 82 brieven zijn inzichten over de Italiaanse cultuur weer te geven met het accent op de levens en werken van de middeleeuwse kunstenaars. Deze brieven zijn gebundeld in drie delen en staan bekend onder de titel Lettere Sanesi. Het originele werk is zeldzaam en werd als fascimilé uitgegeven in 1976.

anwinsten-0003
De sarcofaag van keizer Federico II (1195-1250) in Palermo

Het eerste deel verscheen in Venetië in 1782 met als titel Lettere senesi di un socio dell’Accademia di Fossano sopra le belle arti. Opgenomen zijn zesentwintig artikelen waarvan de eerste dertien gewijd aan de kunsttheorie in het algemeen, terwijl de volgende dertien handelen over de kunst in Siena, met name de schilderkunst. Het tweede deel dat verscheen als Lettere sanesi in Rome in 1785 is samengesteld uit drieëntwintig monografieën, waarvan zes over algemene onderwerpen, dertien over schilderkunst en de resterende over beeldhouwkunst en architectuur. Het laatste deel uit 1786 behandelt in drieëndertig brieven de schilders en beeldhouwers uit Siena.
Hoewel Della Valle een zekere bekendheid kreeg met zijn overzicht van de vroege schilderkunst in Siena, werden reeds door tijdgenoten fouten in zijn toeschrijvingen ontdekt en kreeg het werk een reputatie die door Julius von Schlosser in Die Kunstliteratur (1924) werd omschreven als weinig betrouwbaar met veel ontleningen aan de 17de eeuwse literatuur. Desondanks ontdekte Della Valle onder meer de Romeinse elementen in het werk van Giotto, de invloed van Giunta op Cimabue, en van Nicola en Giovanni Pisano op Giotto. Della Valle’s werk werd al na 10 jaar ingehaald door het boek Storia pittorica della Italia van Luigi Lanzi uit 1796. Pas na 1960 ontstond een herwaardering van de Lettere sanesi door de kunsthistoricus Giovanni Previtali: “Resta […] un merito del della Valle l’aver portato la discussione da un piano di polemica campanilistica a quello più alto di disputa storiografica, piano su cui si muoveranno d’ora in poi il Lanzi, il Cicognara e tutti i migliori” (Het is de verdienste van Della Valle dat de discussie van een parochiale controverse naar het niveau van een historiografisch dispuut is gebracht, waar Lanzi, Cicognari en anderen met succes op voort konden bouwen) Bron: Giovanni Previtali, La fortuna dei primitivi dal Vasari al Neoclassici uit 1964 (gebaseerd op een artikel in Paragone VII (1956), pag. 3-11).

anwinsten-0001
Afgebeeld is de kindermoord onder koning Herodes

Martina Dei wijdt een uitvoerige analyse aan de Lettere sanesi in haar ongepubliceerde proefschrift (Siena 2001). Als bron gebruikte ik haar artikel ‘Genesi e ricezione delle “Lettere Sanesi” di Guglielmo della Valle’, in: Prospettiva, no. 105 (Gennaio 2002), pag. 51-66.

Op de voor- en achterplatten van de leren banden is het vergulde heraldische wapen van Guillaume Gabriel Pavé de Vandeuvre (1779-1870) aangebracht. Hij was een Franse politicus, gedeputeerde van het departement Aube in de Conseil d’État tussen 1820 en 1837.

Senesi
Het vergulde heraldische wapen van Guillaume Gabriel Pavé de Vandeuvre (1779-1870)

Wissen Schafften zum Leinnen und Wollen faerben / beschrieben durch MAR Gessler im Jahr MDCCC.
[Duitsland] : MAR Gessler, 1800-1835. 1 deel : 16 cm.
Handschrift. Datering op titelpagina: MDCCC. Voorlaatste bijdrage gedateerd 1835.
Doorlopend genummerd t/m pagina 217, daarna alleen pagina 229 – 251 genummerd. Vervolgens 21 ongenummerde pagina’s. Los bijgevoegd: Enkele stalen geverfde garens.

Gessner1
Gecalligrafeerd titelblad

De titel van dit handschrift betekent: “de wetenschap om linnen en wol te verven beschreven door Mar Gessler in het jaar 1800”. Het handschrift lijkt afkomstig van een professionele textielverver en textieldrukker. Een spoor naar de vervaardigingsplaats leidt naar Stuttgart. Op pagina 30 staat een verffabriek vermeld met de plaatsnaam ‘Studtgart‘. Hier werd de kleurstof indigo gebruikt. Op pagina 168 wordt een formule ondertekend met ‘Joh. Conrad Molter zu Bourscheid‘, een plaats in het groothertogdom Luxemburg.

Gessner3
Pag. 217-218 : Nederlandstalige recepten (‘Instructie om hoog blausse willen zu verven’)

De tekst is voor een deel in het Duits en voor een deel in het Nederlands geschreven en bestaat uit drie delen. Het eerste deel omvat de pagina’s 1-216 met op de eerste 171 pagina’s 82 genummerde en gedetailleerde recepten voor het vervaardigen van kleurstoffen voor het verven van uiteenlopende soorten textiel als linnen, katoen, zijde en fluweel. Sommige instructies behandelen eveneens technische bijzonderheden voor het drukken van gekleurde patronen met sjablonen en adviezen voor de kleurkeuzes van verschillende achtergronden en florale en geometrische patronen. Op pagina’s 130 tot en met 132 zijn chemische symbolen opgetekend, gevolgd door een hoofdstuk van pagina 172 tot 216 met 28 genummerde formules. Het tweede, Nederlandstalig gedeelte omvat de pagina’s 217 tot 229 voorafgegaan door de titel “Instructie om hoog blausse willen zu verven“, en gevolgd door een Duitse tekst met formules. Het laatste deel bestaat uit 11 pagina’s in een andere hand met de datum 1835.

Gessner4
Los bijgevoegde stalen geverfde garens.

The principles and practice of sketching landscape scenery from nature : systematically arranged, and illustrated by numerous examples, from simple and easy subjects, to the more complicated and difficulty combinations of objects / by John George Wood
London : printed for the author, by T. Bensley, 1813. 2 delen : 64 illustraties (litho’s) ; 27 x 38 cm.

John George Wood (1768-1838) was een bekwaam landschapsschilder die zijn werken tentoon stelde in de Royal Society in Londen tussen 1793 en 1811. Dit boek bevat tekenlessen verdeeld over vier delen waarvan de tekst in de eerste band en de gelithografeerde platen in de tweede band zijn samengebracht. De eerste lessen gaan over het schetsen van het zogenaamde Engelse cottage landschap met pittoreske dorpsstraten, terwijl het derde en het vierde deel zijn gewijd aan bomen en bossen, voornamelijk panoramische voorstellingen van uitgestrekte en groots opgezette landschappen, met hier en daar een glimp van huizen en dorpen. Sommige schetsen stellen bestaande locaties voor, waaronder de windmolen in Lambeth, een watermolen in Colebrook Dale, Brampton Brian Castle, de West Gate in Canterbury, Kidwelly Castle, een watertoren in Chester en het uitzicht op de rivier Towy. Op sommige platen zijn vage perspectieflijnen getekend om de student in staat te stellen het juiste perspectief te begrijpen.
Dit is de tamelijk zeldzame eerste editie uit 1813. In totaal verschenen vier edities bij verschillende uitgevers, de laatste in 1835.

anwinsten-0005
Watermolen in Colebrook Dale

Anweisung zum perspectivischen Zeichnen oder die Lehre von den Konstrukzionen, für Kunstschulen und Kunstfreunde / von F.E.W.G. Kleinknecht ; mit XXIII Kupfer-Tafeln, gestochen von A. Vogler
Ansbach : In der Gassertschen Buchhandlung, 1819. VI, II, 52 pagina’s, XX bladen platen, 3 ongenummerde bladen platen : illustraties ; 24 cm.

Met de groei van het amateurisme vanaf 1750 verschijnt er een nieuw type kunstenaar: de tekenmeester. Veel kunstenaars gaven vóór 1750 als leraar onderwijs in de tekenkunst, maar het fenomeen dat een kunstenaar zijn leven lang les gaf aan amateurs was voordien nauwelijks denkbaar. Tussen 1750 en 1850 is een enorme toename van instructieboeken voor deze nieuwe groep van liefhebbers te bespeuren, waarvan ook de hiervoor besproken titel over het schetsen van landschappen door John George Wood een goed voorbeeld is.

Friedrich Kleinknecht was als tekenleraar werkzaam voor verschillende scholen in Ansbach. Dit boek is een gedetailleerde handleiding over perspectief en de theorie en de praktijk van het weergeven van licht en schaduw in tekeningen. Het boek bestaat uit een aantal lessen in dertien hoofdstukken. Les 12 gaat over de perspectivische analyse van het landschap bij de oude molen, die een half uur van Ansbach was verwijderd (plaat XIX). Niet alle voorbeelden zijn inventies van Kleinknecht. Zo is de voorstelling op plaat XII ontleend aan Die freye Perspektive, oder Anweisung, jeden perspektivischen Aufriss von freyen Stücken und ohne Grundriss zu verfertigen door Johann Heinrich Lambert (1728-1777) uit 1759 (Fig. XIV).

Het boek is waarschijnlijk bedoeld als reclame voor en ter begeleiding van de lessen van Friedrich Kleinknecht en daarom slechts in een relatief klein aantal exemplaren gepubliceerd. Er zijn slechts enkele exemplaren bekend. Dit exemplaar heeft nog de originele gele kartonnen omslag met daarop de datum 1820. Het titelblad en de 23 uitklapplaten zijn gegraveerd door A. Vogler.

Freye Taf.4
Fig. XIV uit Johann Heinrich Lambert (1728-1777), Die freye Perspektive, uit 1759.

Traité pratique de photographie : exposé complet des procédés relatifs au daguerréotype … : suivi de la description approfondie de sa nouvelle méthode pour travailler au bain d’argent / par M.A. Gaudin
Paris : J.J. Dubochet et ce, 1844. [2 bladen], iv, 248 pagina’s ; 22 cm.

Marc-Antoine Auguste Gaudin (1804-1880) was een Franse wetenschapper werkzaam als rekenkundige maar vooral geïnteresseerd in chemie en optica. Samen met zijn jongere broer Alexis werkte hij aan de verbetering van de processen die ten grondslag lagen aan de daguerreotypie. Alexis Gaudin exploiteerde een winkel in fotografische benodigdheden en kocht in november 1851 de krant La Lumière die hij tot 1867 zou leiden. Ze richtten in de jaren na 1850 gezamenlijk een bedrijf voor stereoscopie op waarvoor Marc-Antoine het onderzoek uitvoert, terwijl Alexis voor de commerciële zaken zorgdraagt. Alexis gaf ook technische handboeken over fotografie uit zoals Traité général de photographie : comprenant les procédés sur plaque, sur papier, sur verre à l’albumine et au collodion door D. van Monckhoven. Ze werden bijgestaan door hun derde broer, Charles Gaudin, die een boetiek opent aan de rue de la Perle in Parijs. Dennis Pellerin schrijft in 1997 een studie over het belang van de drie broers voor de ontwikkeling van de fotografie: Gaudin frères : pionniers de la photographie 1839-1872.

Marc-Antoine Gaudin’s verhandeling over fotografische procedé’s uit 1844 was destijds de definitieve handleiding over fotografie en behandelde vrijwel elk aspect van het maken van zowel de daguerréotype en de calotypie ontwikkeld door Talbot. Het boek is veelomvattend met onder meer de voorbereiding van platen en hun belichting, de verwerking, het afdrukken op papier, procedures voor het reproduceren van platen zoals het galvaniseren van daguerreotypieplaten voor het maken van reproducties , en technieken voor portretten. Het boek staat bekend als de vroegste handleiding voor fotografen. De ondertitel luidt: “Comprenant la préparation et l’usage de toutes les substances accélératrices, l’emploi des verres continuateurs, les régales à observer pour la bonne éxecution des portraits photogéniques, la reproduction des épreuves par l’électroplastie, les recettes pour opérer sur papier la gravure chimique, le coloriage, etc.” Het verworven exemplaar is geheel origineel met de geel papieren uitgeversband.

30109167881

L’industrie : exposition des produits de l’industrie française en 1844

Paris : L. Curmer, [1844]. 255 pagina’s : platen (1 vouwblad) plattegronden, diagrammen ; 33 cm.

De Franse nationale industriële tentoonstellingen werden gestart in 1798 met als doel de nieuwste producten van de Franse industrie te presenteren. In totaal zijn elf van deze tentoonstellingen tussen 1798 en 1849 in Parijs georganiseerd. Het waren de voorlopers van de internationale wereldtentoonstellingen waarvan de eerste, The Great Exhibition, plaatsvond in Londen in 1851. De tiende tentoonstelling van 1844 duurde 60 dagen (van 1 mei tot 29 juni) en telde 3960 exposanten. Hiervoor was een tijdelijk bouwwerk op de Champs-Élysées neergezet waarvan de indeling in veertig galerijen op de eerste pagina’s van dit boek is weergegeven. Van deze tentoonstelling werden detailhandelaren die geen eigen producten maakten uitgesloten. Ook werden zaken geweerd die geen maatschappelijk nut hadden, waaronder zowel producten van handarbeid als instrumenten die alleen door wetenschappers werden gebruikt. Deelnemers moesten een formulier invullen met informatie over hun bedrijf, zoals een typering, het aantal werknemers, het gebruikte materiaal, export en binnenlandse inkomsten, enzovoort. De koning der Fransen Louis Philippe opende de expositie en toerde langs alle exposities. Hector Berlioz componeerde en dirigeerde tijdens de opening de Hymne à la France, een groot symfonisch koorwerk. Er werden presentaties georganiseerd in de categorieën: stoffen, metalen en mineralen, machines, precisie-instrumenten, chemische kunsten, schone kunsten, aardewerk en diverse kunsten. Bij de prijsuitreiking presenteerde Louis Philippe maar liefst 3253 onderscheidingen waaronder 31 Legion d’honneur medailles aan de meest vooraanstaande exposanten. Jean-Baptiste Sabatier-Blot viel in de prijzen met zijn daguerreotypieën waarvoor hij een eervolle vermelding kreeg.

Cumer1844b
Orfèvrerie de M.M. Boisseaux Detot et Cie.

Deze verslaglegging verscheen na de sluiting van de tentoonstelling en is geïllustreerd met 15 gegraveerde afbeeldingen hors texte. Dit is opmerkelijk aangezien de meeste verslagen van deze tentoonstellingen geen afbeeldingen bevatten. De uitgever Curmer was vermoedelijk ook de samensteller, terwijl de essays door diverse auteurs zijn geschreven waaronder E. Lamulonière en Louis Leclerc, Jobard, en Fabre d’Olivet. De belangrijkste onderwerpen zijn piano’s, chromo-lithografie (door de lithograaf M. Engelmann), optica, houtsnij- en inlegwerk, stalen meubels, sieraden, edelsmeedkunst, kunstmarmer, lithografie (door M. Bertauts), lithofanie en carrosserie. Aanvullend op de essays is een uitputtende lijst van alle exposanten opgenomen. Het Rijksmuseum bezit ook de catalogus die vanwege het kleine formaat (17 cm.) diende als gids voor de bezoekers: Exposition publique des produits de l’industrie française 1844 : (catalogue officiel).

Cumer1844a
Ouverture de l’exposition 1844

De volgende drie in één band samengevoegde publicaties zijn uitgegeven door de fabrikant en leverancier van schilderbenodigdheden Winsor and Newton, opgericht in 1832 door William Winsor en Henry Newton. De nog altijd in Londen gevestigde firma werd al snel bekend vanwege de hoge kwaliteit van penselen, aquareleer- en olieverf. De marterharen penselen uit serie 7 werden in 1866 door koningin Victoria aangeschaft en golden sindsdien als de beste penselen in Engeland verkrijgbaar. Minder bekend zijn de handleidingen voor waterverfschilders uitgegeven door Winsor and Newton die in deze band bijeen zijn gebracht samen met een overzicht van de leverbare producten.

List of colours and materials for drawing and water-colour painting manufactured by Winsor and Newton
[London] : [Winsor and Newton], [186-]. 32 pagina’s : illustraties ; 18 cm.
Deze catalogus van de firma Winsor and Newton bevat een overzicht van leverbare producten waaronder waterverf, penselen, potloden, tekenpapier en schetsboeken, geïllustreerd met 24 houtsnedes in de tekst. Het is de eerste product catalogus van deze leverancier van een breed scala van kunstenaarsbenodigdheden.

2020 aanwinsten februari-0011

The art of landscape painting in water colours / by Thomas Rowbotham and Thomas L. Rowbotham
London : Winsor and Newton, 1860. Eighteenth edition. 55 pagina’s ; 18 cm.

Thomas Rowbotham (1782-1853) en Thomas Rowbotham L. (1823-1875) waren als vader en zoon werkzaam als schilders. Dit instructieboekje voor leerlingen was kennelijk erg populair aangezien dit de 18de editie is. Nu was in de 19de eeuw het aquarelleren in zwang gekomen in Engeland en werd beoefend door veel amateurs. In 1855 verscheen een Nederlandse vertaling van de 11de editie van dit boek onder de titel Het landschapschilderen in waterverven vertaald en bewerkt door de schilder en lithograaf August Allebé (1838-1927).

2020 aanwinsten februari-0008

Practical directions for portrait painting in water-colours / by Mrs. Merrifield
London : Winsor and Newton, 1858. Eight edition. 62 pagina’s ; 18 cm.

Maria Philadelphia Merrifield (1804-1889) schreef over mode en kunst. Haar instructieboeken waren bekend, met name The art of fresco painting dat zij schreef in opdracht van de Royal Commission on the Fine Arts in 1846. Met haar praktische instructies voor het maken van portretten in waterverf richt zij zich met dit boekje nadrukkelijk tot studenten.

2020 aanwinsten februari-0013

Note sur les vitraux peints en la vision des objets colorés / par Mr. Chevreul
Paris : Impr. Goyer, 1863. 12 pagina’s ; 34 cm.

Bijgebonden is een brief van Michel Eugène Chevreul met als afzender Muséum d’Histoire Naturelle, gedateerd 11 februari 1864. Hierin bedankt hij de geadresseerde voor diens belangstelling voor zijn traktaat over gekleurd glas door een exemplaar van het gelithografeerde handschrift te sturen met een uitnodiging om over dit onderwerp nader van de gedachten te wisselen. Voorafgaand aan de tekst is een krantenartikel ingeplakt met de titel ‘‘Les Vitraux anciens et leur conservation’ uit Journal de la Patrie met een bijgeschreven datum 8 december 1863.

Het boekje is een gelithografeerd handschrift met teksten gebaseerd op diverse korte artikelen in de Comptes-Rendus Hebdomadaires des Séances de l’Académie des Sciences, vol. LVII. De tekst is een chemische verhandeling over glas en kleurstoffen voor glasschilderingen. Bovendien bevat de verhandeling technische aanwijzingen voor de formaten en de omramingen, de transparantie van glas, en schoonmaaktechnieken voor oude gebrandschilderde glasramen. Het zeldzame werk is verder alleen in de National Art Library in Londen aanwezig.

De chemicus Michel Eugène Chevreul (1786–1889) ging in 1803 in de leer in het laboratorium van de scheikundige Nicolas Louis Vauquelin in Parijs. Hij werd vervolgens zijn assistent in het Muséum d’Histoire Naturelle in de Jardin des Plantes. In 1813 werd Chevreul benoemd tot hoogleraar scheikunde aan het lycée Charlemagne, vervolgens tot directeur van de Manufacture nationale des Gobelins, waar hij zijn onderzoek naar kleurcontrasten uitvoerde en geïnteresseerd raakte in kleurstoffen zoals indigo. Hij volgde zijn leermeester Vauquelin op als professor in de organische chemie in het Muséum d’Histoire Naturelle in 1830, en leidde deze instelling als directeur van 1860 tot 1879. Zijn kleurenleer is zeer invloedrijk geweest en werd de theoretische basis voor veel van de avant-garde schilders van de 19e eeuw van Eugène Delacroix via het impressionisme tot de pointillisten. Het Rijksmuseum verwierf de afgelopen jaren vrijwel alle gepubliceerde kleurstudies van Chevreul. Dit vermoedelijk in een zeer kleine oplage uitgegeven gelithografeerde handschrift is een bijzondere aanvulling van deze collectie die onder meer omvat: Chromagraphie, ou, L’art de composer un dessin en De la loi du contraste simultané des couleurs et de l’assortiment des objets colorés beide uit 1839; het periodiek Le teinturier universel, ou, L’echo des applications des matières colorantes aux arts et a l’industrie uit 1860-1864; en Exposé d’un moyen de définir et de nommer les couleurs d’après une méthode précise et expérimentale avec l’application de ce moyen à la définition des couleurs d’un grand nombre de corps naturels et de produits artificiels uit 1861.

2020 aanwinsten februari-0014
Eerste pagina met ingeplakt krantenknipsel uit 1863 en de brief van Chevreul uit 1864

Paris en 1867 / A.P. Martial
[Paris] : Cadart, [1867?]. 48 bladen : illustraties ; 24 cm.

Dit boek is zonder titelpagina uitgegeven naar aanleiding van de Exposition Universelle van 1867, de tweede wereldtentoonstelling gehouden in Parijs. Het Bureau International des Expositions heeft de tentoonstelling achteraf erkend als de vierde universele wereldtentoonstelling. Keizer Napoleon III besloot in 1864 om een internationale tentoonstelling te organiseren in Parijs. Als locatie werd het Champ-de-Mars en het eiland Billancourt gekozen, een gebied van ruim 48 hectare. Er waren 50.226 exposanten op de tentoonstelling, waarvan 15.055 uit Frankrijk en zijn koloniën, 6176 uit het Verenigd Koninkrijk en Ierland en 703 uit de Verenigde Staten. De overige exposanten kwamen onder andere uit Japan en Canada. De expositie werd formeel geopend op 1 april 1867, en gesloten op 31 oktober 1867. In totaal bezochten bijna tien miljoen mensen de tentoonstelling, destijds de grootste tentoonstelling ooit.

Martial1
Exposition Belge

Dit boek is meer dan een geïllustreerde verslaglegging van de tentoonstelling. Het bestaat uit 48 bladen met gegraveerde prenten, teksten en tekeningen door Adolphe Martial-Potémont (1828-1883). De paviljoens van de deelnemende landen, tentoongestelde werken, gebouwen en evenementen worden weergegeven en op humoristische wijze beschreven. Het is de wandeling van een kunstenaar door de Wereldtentoonstelling, commentaar leverend op zijn tijdgenoten en een unieke getuigenis van Parijs in 1867. Zijn omzwervingen zetten zich voort in de schildersalon en eindigen met een reeks schetsen over Parijs in augustus, vol met theaters, spektakel en vermaak, maar ook verstoord door de afbraak van stadsdelen voor de aanleg van de boulevards ontworpen door de stedenbouwkundige Georges-Eugène Haussmann. Het is een uiterst zeldzaam en ontroerende getuigenis van één van de meest briljante etsers in zijn tijd.

De twee andere bekende exemplaren bevinden zich in de Bibliothèque Nationale de France en in de New York Public Library. Het verworven exemplaar heeft twee ingeplakte exlibrissen.

Martial2

Neue Dekorationen aus den kunstgewerblichen Werkstätten
Leipzig : Bruno Bürger & Ottilie, [1910?]. 20 bladen platen : uitsluitend illustraties in kleur ; 42 cm.
4 illustraties met naam Paul Mayenfisch, vervolgens illustraties genummerd 428-553.

Dekorationen der Neuzeit aus den kunstgewerblichen Werkstätten Theodor Kreissig, Dresden / Theodor Kreissig ; Leiter und Mitinhaber: Kunstmaler Paul Mayenfisch
[Dresden] : [Theodor Kreissig], [1928?]. 58 pagina‘s platen : illustraties in kleur ; 35 cm. Prijslijst

Beide voorbeeldboeken met kleurrijke ontwerpen voor het interieur van Paul Mayenfisch worden hier samen gepresenteerd. Mayenfisch was als decoratieschilder en mede eigenaar verbonden aan de Kunstgewerbliche Werkstätten in Dresden, opgericht door Theodor Kreissig. Het is aannemelijk dat deze boeken werden uitgegeven als catalogi van dit bedrijf, maar ze hebben ook ten dienste gestaan van binnenhuisontwerpers en decoratieschilders. Deze voorbeelden geven een goed beeld van de modieuze decoraties voor de woonhuizen van de welgestelden tussen 1905 en 1930.

Het eerste boek Neue Dekorationen aus den Kunstgewerblichen Werkstätten uit circa 1905-1910 bevat uitsluitend 20 platen in kleur gedrukt in offset lithografie en in chromo-lithografie. De ontwerpen hebben als onderwerp onder meer kamerinrichtingen en beschilderingen van deuren, plafonds en wanden in art deco stijl. De eerste vier platen zijn opgeplakt en dragen de naam van Paul Mayenfisch. De overige ontwerpen zijn genummerd van 428 tot 553 hetgeen wijst op het bestaan van meer ontwerpen.

H3491-L186483072_original

In het tweede boek Dekorationen der Neuzeit aus den kunstgewerblichen Werkstätten Theodor Kreissig, Dresden uit circa 1928 zijn 58 gekleurde platen opgenomen, eveneens in offset druk en chromo-lithografie. Ook in dit werk zijn de onderwerpen vooral interieurdecoraties, zoals behang en beschilderingen van deuren, wanden en plafonds in art deco stijl. Diverse drukkers hebben de platen geleverd, waaronder Römmler & Jonas, Dresden (platen 1 en 47), Bendix und Lemke, Berlijn (platen 11 en 30), und Leutert & Schneidewind, Dresden. Ook bij het tweede boek doet de nummering van de ontwerpen van 600 tot 780 van de platen 2 tot 53 vermoeden dat dit slechts een deel is van de al dan niet gepubliceerde voorbeelden. De platen 54 tot 58 tonen voorbeelden van het alfabet. De bijgevoegde prijslijst duidt op de bestelmogelijkheid van de ontwerpen bij de werkplaats van Theodor Reissig. De nummers bij de ontwerpen zijn de bestelnummers.

Dekorationen der Neuzeit2

Étoffes & tapis étrangers / 75 planches publiées sous la direction et avec une introduction de M.P.-Verneuil
Paris : Éditions Albert Lévy, [1925?]. [8] pagina’s, 75 bladen platen : illustraties (waaronder in kleur) ; 34 cm.
Bovenaan het titelblad : Exposition des arts décoratifs, Paris 1925.

De Wereldtentoonstelling van 1925 werd onder de naam Exposition Internationale des Arts Décoratifs et Industriels modernes gehouden in Parijs. De tentoonstelling stond in het teken van de wederopbouw na de Eerste Wereldoorlog en had als specialisaties decoratieve kunst en industriële kunstnijverheid. Helaas werd dit evenement door het in 1928 opgerichte Bureau International des Expositions niet als wereldtentoonstelling erkend.

In dit portfolio worden 75 tapijten en stoffen van 11 buitenlandse exposanten bijeengebracht. Ongeveer 12 afbeeldingen zijn pochoir kleurendrukken door Jean Saudé. Hieronder zijn de 5 ontwerpen van onder meer Jaap Gidding, Cornelis van der Sluys, Carel (C.A.) Lion Cachet en Jac. Jongert voor de Eindhovense Trijpfabrikant Léo Schellens. De glanzende trijpen (mohair velours) meubelbekleding is bedrukt met bloem- en diermotieven. Trijp, een in onbruik geraakt woord, is een poolweefsel zoals ook pluche, fluweel en moquette waarvan de opstaande haren uit mohair (van de angorageit) bestaan. Het enigszins ouderwetse imago van de stof trijp werd opgefrist met moderne dessins in de stijl van de art nouveau en de Amsterdamse School, ontworpen door deze Nederlandse sierkunstenaars. Ook opgenomen in deze portefeuille is een batik van Regnhild D’Ailly (1897-1951). Vanwege de moeilijke techniek telde Nederland in 1925 slechts enkele batiksters. De samensteller en auteur van de 4 pagina’s inleidende tekst was Maurice Pillard Verneuil (1869-1942), een Franse kunstenaar en decorateur uit de art nouveau en de art deco beweging.

Etoffes2
Ontwerpen voor trijpen (velours imprimé) van Jac. Jongert, Cornelis van der Sluys en Leo Schellens

Helaas is de art deco omslag met zilverkleurige opdruk van de portefeuille enigszins verweerd. De uitgever Albert Lévy gebruikte deze stijl voor een aantal portefeuilles bij deze tentoonstelling. De art deco stijl ontstaat kort vóór de Eerste Wereldoorlog als een reactie op de organische vormen van de art nouveau en wordt gekenmerkt door een terugkeer naar klassieke strengheid naar het model van de Weense Secession met veel symmetrie en gestileerde klassieke ordeningen.

Etoffes1
Ontwerp voor batik van Regnhild D’Ailly (1897-1951)

Décors éphémères : les expositions jeux d’eau et de lumière / André Granet ; préface du Prince Louis Victor de Broglie
[Paris] : [E. Desfossés], [1948]. 52, [128] pagina’s : voornamelijk illustraties (1 kleur) ; 35 cm.

In Parijs werden tussen 1909 en 1948 de expositieruimtes van het Grand Palais aan de Champs-Elysées ingericht met extravagante interieurdecoraties voor autoshows en handelsbeurzen. Deze tijdelijke inrichtingen waren ontsproten aan de fantasie van de architect André Granet (1881-1974) die zich eveneens toelegde op exuberante lichtshows voor onder meer de Eiffeltoren en de oevers van de Seine. Als gepassioneerd liefhebber van de luchtvaart was hij mede-oprichter van de ‘Association des industriels de la locomotion aérienne’ en organisator van de eerste ‘Salon aéronautique au Grand Palais’ in 1909.

anwinsten-0014
Salon aéronautique au Grand Palais

Dit boek geeft een indrukwekkend beeld van Parijs als lichtstad met de foto’s in zwart wit van Studio Chevojon en L. Borremans. De foto’s zijn afgedrukt als heliogravure. Afgebeeld zijn de uitgevoerde ontwerpen van Granet voor diverse beroemde internationale tentoonstellingen zoals de ‘Exposition Internationale de 1925’, de ‘Exposition Coloniale de 1931’, de ‘Exposition Universelle de 1937’, en enkele ‘Salons de l’aviation et de l’automobile’ vanaf 1909. Ook zijn foto’s opgenomen van de versieringen en lichtontwerpen van de ‘grands boulevards’, verlichte fonteinen en van het bezoek van koning George en koningin Elizabeth van Groot Brittannië aan Parijs in 1925. Het voorwoord is geschreven door prins Louis Victor de Broglie (1892-1987), een beroemde Franse natuurkundige.

anwinsten-0015
Studio Chevojon is opgericht door Paul-Joseph-Albert Chevojon (1865-1925) en is gespecialiseerd in het fotograferen van architectuur. Tijdens de ‘Exposition internationale des arts et des techniques de Paris’ in 1937 riep André Granet de diensten van de Studio in, in het bijzonder voor de verlichting en het vuurwerk op de Eiffeltoren. Bovendien verzorgde de Studio 3000 m2 fotografische vergrotingen voor de fotomontage van het paviljoen voor fotografie, film en fonografie voor deze tentoonstelling.

anwinsten-0012