Selectie aanwinsten januari 2020

door Geert-Jan Koot

Grondige onderrichtinge in de optica, ofte perspective konste / door Henricus Hondius
Gedruckt t’Amsterdam : by Fredrick de Wit, Konst-verkooper, voor aen in de Kalverstraet, by den Dam, in de witte Paskaert, [1647?]. 24 ongenummerde pagina’s, 38 ongenummerde bladen platen : illustraties ; 33 cm.

Dit zeldzame en in een contemporaine perkamenten band gestoken perspectiefleerboek van Hendrick Hondius (1573-1650?) uit 1647 kon worden verworven op de najaarsveiling van Van de Wiele in Brugge.

Hondius volgt in dit leerboek de gepubliceerde studies van Johan Vredeman de Vries (1527-1609), Artis perspectivae en Scenographiae sive perspectivae, beide verschenen in Antwerpen in 1560. Net als Vredeman de Vries presenteert Hondius een reeks prenten met perspectivische voorstellingen. Hondius vangt aan met een kort voorwoord van 2 pagina’s gevolgd door 20 pagina’s met toelichtingen bij de 43 illustraties verdeeld over 38 gravures. In een late uitgave uit 1770, verschenen bij Ottens, is de titel uitgebreid met een aanduiding van de doelgroep: “… zeer dienstig voor schilders, teekenaars, plaatsnyders, bouwkonstenaars &c.”

Als graveur vervaardigde Hendrick Hondius onder meer prenten voor het eerste perspectiefboek van de Nederlandse wiskundige Samuel Marolois (1572-1627), La perspective uit 1614. Hondius werkte samen met de drukker en uitgever Frederik de Wit, ook vermeld als Frederick de Wit of Frederico de Witt (1630 – 1706), afkomstig uit Gouda en vanaf omstreeks 1647 gevestigd aan de Kalverstraat in Amsterdam. Samen met de families Blaeu, Jansson en De Wit monopoliseerde Hondius de wetenschap van de cartografie in Nederland. Een beroemde kaart van hem uit 1630 is de Nova totius Terrarum Orbis geographica ac hydrographica tabula.

Het gegraveerde frontispiece van dit boek is afkomstig uit de oorspronkelijke Latijnse editie van 1622 met als opschrift “Institutio artis perspectivae / auctore Henrico Hondio – Hagae Comitum Hollandiae”, waarop met pen het jaartal 1647 is toegevoegd. Een ander exemplaar met de handgeschreven toevoeging van dit jaar bevindt zich in de Getty Research Library te Los Angeles. Het Latijnse frontispiece komt voor in alle edities, inclusief de Franse vertaling uit 1625. De eerste Nederlandstalige editie verscheen in 1623.

2020-aanwinsten-januari-0002.jpg

L’art du tourneur mécanicien : première partie / par M. Hulot pere
A Paris : … chez M. Roubo, Me. Menuisier, 1775. VIII, 390 pagina’s, 44 bladen platen : gravures ; 42 cm.

Dit boek uit 1775 is onderdeel van het 19-delige werk Descriptions des arts et métiers dat tussen 1761-1782 werd uitgegeven in opdracht van de Franse Académie royale des Sciences in Parijs. Het werk geeft gedetailleerde beschrijvingen van een breed arsenaal aan ambachten en vervaardigingsmethodes in Frankrijk waardoor het een belangrijke bron is voor technieken in de achttiende eeuw. Bovendien zijn de artikelen geïllustreerd met gedetailleerde kopergravures. Afgelopen jaar kon het Rijksmuseum een ander werk dat deel uitmaakt van deze reeks verwerven, Art du chapelier door l’abbé Nollet [Jean Antoine Nollet] over het maken van vilten hoeden.

Henry Hulot (ca. 1715-1781) beschrijft verschillende aspecten van houtbewerking met de nadruk op het bewerken in een draaibank. Houtdraaien is het ambacht van het gebruik van de houtdraaibank met handgereedschap om een vorm te snijden die symmetrisch is rond de rotatie-as. Net als het pottenbakkerswiel is de houtdraaibank een eenvoudig mechanisme waarmee verschillende vormen kunnen worden gemaakt. Degene die de draaibank bedient staat bekend als een draaier. Hoewel de titel aangeeft dat het om het eerste deel gaat, is een tweede deel nooit verschenen. De 45 prenten op groot formaat illustreren de verschillende hulpmiddelen en gereedschappen, uitgevoerd door verschillende graveurs waaronder Le Roy, J.C. Pelletier en J.B. Milsan.

2020-aanwinsten-januari-0023-e1578574338652.jpg

L’art de faire différentes sortes de colles : fabrique de l’amidon / [Henri Louis] Duhamel du Monceau
Paris : [Desaint & Saillant], 1771 & 1772.  27 pagina’s : 3 illustraties ; 42 cm.

Bijgebonden is een ander instructieboek voor houtbewerkers, L’art de faire différentes sortes de colles : fabrique de l’amidon door Duhamel du Monceau (1700-1782) uit 1771. Deze tekst maakte deel uit van de Encyclopédie ou dictionnaire universel raisonné des connoissances humaines van Denis Diderot en Jean Le Rond d’Alembert, verschenen van 1751 tot 1772. Het artikel werd in 1773 ook opgenomen in Descriptions des arts et métiers. Het boek bevat drie prenten waaronder twee getekend door en naar Pierre Nicolas Ransonette (1745-1810) en één door Catherine Haussard (1746-1791), een Parijse prentmaakster gespecialiseerd in wetenschappelijke illustraties.

Henri Louis Duhamel du Monceau beschrijft in dit boek de samenstelling en het gebruik van lijmsoorten op basis van zetmeel (amidon). Hij was als wetenschapper verbonden aan de Académie des Sciences en publiceerde meer dan 90 technische artikelen en handboeken. In 1757 richtte hij de reeks Descriptions des arts et métiers op, maar hij schreef ook voor de Encyclopédie van Diderot.

2020-aanwinsten-januari-0027.jpg
Plaat III: Colle Forte (gravure Pierre Nicolas Ransonette 1745-1810)

Nieuwen almanach der konst-schilders, vernissers, vergulders en marmelaers voor het jaer Ons Heere Jesu Christi M.DCC.LXXVII
Tot Gend : by Philippe Gimblet en gebroeders, boekdrukkers en boekverkoopers, [1777?] 2 delen: (dl. 1: [15], 263 pagina’s, bijvoegsel 16 pagina’s; dl. 2: [16], 419, [12] pagina’s) ; 19 cm.

Het verworven exemplaar bevat één illustratie, een portret van Rubens (naast pagina 241) van de prentmaker Jan Lieven Wouters. De STCV (Bibliografie van vroege gedrukte Vlaamse werken) vermeldt Jan Lodewijk Wauters (1731-1787) als graveur.

Almanakken waren meer nog dan de religieuze en moraliserende werkjes en de volksboeken bedoeld als de lectuur voor de ‘geringe man’: de kleine burger, de ambachtsman, de boer. De oudste almanakken werden in Frankrijk in de late 16de eeuw gedrukt en bedoeld voor herders en landbouwers. Ze bestonden oorspronkelijk uit niet meer dan een kalender met de feestdagen, weersvoorspellingen (‘pronostieken’) en raadgevingen. Voor wie niet of nauwelijks kon lezen, werden die gegevens met tekens aangeduid. In de achttiende eeuw schijnt Gent op het terrein van de almanakken productiever te zijn geweest dan Antwerpen, maar gedurende lange tijd waren ze een Antwerpse specialiteit. (Bron: Geschiedenis van de letterkunde der Nederlanden, deel 6, 1975)

In Gent verscheen bij Philippe Gimblet en gebroeders van de hand van ‘verscheyde Liefhebbers der Schilderkonst’ een Nieuwen almanach der konst-schilders, vernissers, vergulders en marmelaers voor 1777. Het eerste deel telt in totaal 278 bladzijden met een ‘Inleydinge tot de Praktyk der Schilderkonst’, gevolgd door gedetailleerde recepten voor uiteenlopende soorten en kleuren verf en hun toepassingen. Het bijvoegsel somt in 16 pagina’s alle bestuurders en kunstenaars met hun adressen op die zijn verbonden aan de Koninklijke Academie der Teken-, Schilder-, Beeldhouw-, en Bouwkunst van Vlaanderen en Brabant, evenals ‘Cabinetten en Koopmans in schilderyen’. Het tweede deel met 447 bladzijden vangt aan met recepten voor verf en vernis, om te vervolgen met ‘Geheymen en remediën tegen de Ziekten der Schilders’, een overzicht van de ‘gevoelens’ over de schilderkunst en de ‘verscheyde Goesten der Natien’, een omvangrijk bijvoegsel met 254 ‘Levens-Beschryvingen der vermaerdsten Konst-Schilders van Vlaenderen en Brabant’, en sluit af met een uitvoerige inhoudsopgave en een personenregister. De beide delen worden voorafgegaan door de eigenlijke kalender met de vastendagen van 13 pagina’s, die vrijwel geheel overeen komen. De kalender begint met de berekening dat er ‘naer de Scheppinge der Weireld’ 5726 jaren verliepen. Deze almanak biedt een schat aan informatie over Zuid-Nederlandse en Vlaamse kunstenaars, evenals de materialen en methodes die zij toepasten.

Een tweede editie verscheen in 1788 als Nieuwen verlichter der konstschilders, vernissers, vergulders en marmelaers, met slechts 272 bladzijden.

2020 aanwinsten januari-0001
Portretgravure van Rubens door Jan Lieven Wouters

Six progressive lessons for flower painting : with letter-press directions for drawing and coloring of flowers, upon botanical principles / B. Hunter
London : R. Ackermann, at his Repository of Arts, January 1, 1802. 2nd. ed. 14, [2] pagina’s, 16 platen (waarvan 10 ingekleurd) ; 24 x 34 cm.

Omslagtitel: Lesson for flower painting with botanic instructions.

Dit in omvang bescheiden boekwerk bevat zes lessen in het schilderen van bloemen. De eerste vier lessen worden vergezeld van ieder drie afbeeldingen van bloemen in drie stadia, een getekende en twee ingekleurde illustraties. Bij de laatste twee lessen zijn afbeeldingen in twee stadia toegevoegd, respectievelijk gegraveerd en ingekleurd. Hoewel het boek is uitgegeven in 1802 zijn de prenten gedateerd september 1797 tot maart 1797 en gedrukt bij E. Spragg, No. 27, Bow-Street, Covent-Garden in Londen. De prenten van de tweede en derde les zijn gesigneerd met B. Hunter fecit. Hunter was een Engelse tekenaar die volgens de Allgemeines Künstlerlexikon – Internationale Künstlerdatenbank – Online actief was omstreeks 1810.
|
2020-aanwinsten-januari-0009.jpg

Dit anoniem bij de drukker en uitgever Ackermann in Londen verschenen leerboek is tamelijk onbekend met slechts drie exemplaren van deze tweede editie in bibliotheken in de Verenigde Staten (Huntington, Yale en NGA Washington) en twee in Europa (British Museum en Rijksmuseum). De verblijfplaatsen van andere edities zijn onbekend. Op het exemplaar in het Rijksmuseum is op het schutblad tegenover de titelpagina een vierkant schildje aangebracht van de fijne leersoort rood marokkijn met het exlibris in goudstempel van de bibliotheek van Árpád Plesch (1889-1974). Plesch was een internationale financier, bankier en een Hongaarse advocaat met een beroemde verzameling zeldzame botanische boeken. Zijn botanische bibliotheek werd in drie delen geveild door Sotheby’s in Londen in 1975 en 1976.

2020-aanwinsten-januari-0010.jpg

Toilette de l’Impératrice et Reine Marie Louise et berceau du Roi de Rome son fils : exécutés par Odiot et Thomire, d’après les dessins de Prud’hon et Cavelier
[Paris] : Chez Bance, [1811?]. 2 ongenummerde pagina’s, 5 ongenummerde bladen platen ; illustraties ; 43 cm.

Op deze prachtige en zeldzame serie van vijf grote kopergravures zijn de meubels in het boudoir van de keizerin van Frankrijk en de wieg van haar zoon afgebeeld. Een boudoir was een elegant ingerichte ruimte gelegen naast de slaapkamer van de vrouw, waar zij zich kon wassen en kleden. De afgebeelde meubels werden aangeboden aan de tweede echtgenote van Napoleon Bonaparte, Marie-Louise d’Autriche (1791-1847) door de ‘Préfet de la Seine et de Paris’, graaf Nicolas Thérèse Benoît Frochot (1761-1828) uit naam van de stad Parijs.

Het meubilair bestaat onder meer uit een kleedspiegel, een zogenaamde psyché waarin men zich ten voeten uit kan spiegelen, gemaakt van vermeil en lapis lazuli; een kaptafel met spiegel; een fauteuil en een wastafel met een statief ter ondersteuning van de toiletbril. In uitvoering en materialen getuigen deze voorwerpen van een ongekende luxe. Vermeil is de techniek van het vergulden van massief zilveren voorwerpen waarbij over het zilver een dun laagje goud wordt gegoten. Lapis lazuli of lazuursteen is een ondoorzichtig gesteente met een intense azuurblauwe kleur.

De ceremoniële wieg is van een zeldzame pracht, aangeboden aan de keizerin op 5 maart 1811, 15 dagen vóór de geboorte van de Aiglon. Aiglon betekent letterlijk het arendsjong, de bijnaam van de zoon van Napoleon I. Pierre-Paul Prud’hon (1758-1823) ontwierp de modellen, terwijl Pierre-Philippe Thomire (1751-1843) en Jean-Baptiste Claude Odiot (1763-1850), bronsgieters en goudsmeden, de uitvoering voor hun rekening namen. De beeldhouwer Henri-Victor Roguier (1858-1841) modelleerde de figuren. De wieg van Napoléon II (1811-1832), die bij geboorte de titel kreeg ‘Roi de Rome’, nu tentoongesteld in Wenen in het Kunsthistorisches Museum, behoort tot de topstukken van de keizerlijke meubels. Ons exemplaar van dit boek met de ontwerpprenten bevat een extra plaat waarop een vloerkleed is afgebeeld, gegraveerd door Charles-Pierre-Joseph Normand (1765-1840).

2020 aanwinsten januari-0022
Voor- en achterkant en reliëfs aan de zijden van de wieg van Napoléon II (1811-1832), uitgevoerd door Thomire & Odiot. (gravure getekend en uitgevoerd door Cavelier & Pierron)

Mélanges photographiques : complément des nouvelles instructions sur l’usage du daguerréotype / par Charles Chevalier
Paris : L’auteur, 1844.  127 pagina’s : uitvouwplaat ; 25 cm.

Dit is de eerste druk van de tweede handleiding over de daguerréotypie door Charles Chevalier (1804-1859). Hij behoort tot de eerste auteurs die over het nieuwe fotografische procedé van Louis Daguerre (1787-1851) publiceerden. In dit boek rapporteert Chevalier over de nieuwste technische verbeteringen van de daguerréotype. Hij is geïnteresseerd in ‘papiers photogéniques’, calotypie en chrysotypie, en met name in de experimenten met afdrukken op papier door J.W.F. Herschel, William Henry Fox Talbot (1800-1877) en Robert Hunt (1807-1887) in Engeland, evenals Hippolyte Bayard (1801-1887) in Frankrijk. Verder bevat het werk een catalogus met de actuele prijzen van daguerreotypieën en van camera’s geperfectioneerd en gebouwd door Chevalier.

Charles Chevalier stamde uit een familie van ingenieurs en opticiens met een reputatie van het construeren van optische instrumenten. Hij was de belangrijkste producent van de camera obscura. In 1826 voorzag hij Nicéphore Niépce (1765-1833) van een eigen camera en lens voor zijn vroegste experimenten met het reproduceren van beelden door middel van licht. Hij vertelde Niépce over de soortgelijke experimenten van Daguerre, voor wie hij ook lenzen en camera’s maakte, en adviseerde hem bij zijn experimenten. Door de introductie door Chevalier ontstond de samenwerking tussen Niépce en Daguerre. Chevalier begon zijn eigen fotografische lenzen te maken in de jaren 1840. Hij ontwikkelde een dubbele objectieflens met gecombineerde lenzen, wat hem de gouden medaille opleverde van de wedstrijd die in 1841 door de Société d’encouragement was georganiseerd. Als gevolg van de hieruit voortvloeiende bekendheid werd Chevalier de leverancier van lenzen en camera’s aan de eerste daguerreotypisten, waaronder Fox Talbot.

2020-aanwinsten-januari-0006.jpg

Daguerréotypie / J. Thierry ; franches explications sur l’emploi de sa liqueur invariable, sur les moyens qu’il met en usage pour en obtenir le maximum de sensibilité et en retirer les avantages de transparence, de vigueur et de coloris, cachet particulier de ses épreuves ; précédées d’une histoire générale abrégée de la photographie
Paris : Lyon : Lerebours et Secrétan ; Chez l’auteur, 1847. 194 pagina’s ; 22 cm.

Er is weinig bekend over deze beoefenaar van de daguerréotypie, Jean-Pierre Thierry uit Lyon. Hij maakte kennis met de fotografie in 1841 door zijn leermeester Eduard Vaillat. Thierry publiceerde een beknopte handleiding van 24 pagina’s in 1844, Nouveaux éléments de photographie. In 1855 vestigde hij zich in Parijs waar hij tot in de jaren ’70 werkte voor de Société Mayer et Pierson, een studio gespecialiseerd in portretfotografie. Enkele daguerreotypieën van zijn hand zijn de afgelopen jaren op veilingen aangeboden. Bekend is zijn portret van de schilder Meissonnier in de Bibliothèque Nationale de France.

Het boek vangt aan met een lange inleiding over de geschiedenis van de fotografie, gevolgd door een beschrijving van alle stappen van het procedé van de daguerréotypie. De auteur verdedigt het gebruik van jodium bij het lichtgevoelig maken van de fotografische plaat dat in 1845 als ‘Liqueur Thierry’ werd gedeponeerd. Thierry ageert tegen Lerebours en Secretan die jodium beschrijven als één van de beste versnellende stoffen maar die tegelijkertijd verwijten dat het nog te langzaam is. Bovendien bevat het boek een toegevoegd hoofdstuk dat het ‘Amerikaanse proces’ van daguerréotype bespreekt. Dit hoofdstuk is niet in de index opgenomen. Hieruit valt op te maken dat dit exemplaar de tweede druk is, verschenen in november van hetzelfde jaar als de oorspronkelijke editie uit mei 1847. Voor deze herdruk zijn de omslag, de titelpagina, de inhoudsopgave en het register overgenomen van de eerste druk, maar is het hoofdstuk over de Amerikaanse methode toegevoegd. Deze methode werd in Parijs geïntroduceerd door Warren T. Thompson.

2020-aanwinsten-januari-0003.jpg
De tekst en de titelpagina worden versierd met enkele houtgravures waaronder een weergave van de attributen van de daguerréotypist met uiteraard het Liqueur Thierry.

Photographie : description du procédé dit Américain / par Ferdinand Colas
Paris : Lerebours et Secretan, juin 1850. 16 pages ; 24 cm.
Deuxième edition contenant les derniers perfectionnements apportés au daguerréotype

Dit is de tweede editie van het zeldzame kleine handboekje voor de daguerréotypie, dat oorspronkelijk verscheen in 1847. Ferdinand Colas (1820-1876) was een Franse fotograaf die werkzaam was in Londen vanaf 1841 tot zijn dood in 1876. Er is weinig bekend over zijn leven. Van 1844 tot 1849 staat hij vermeld als een maker van kartonnen dozen in Fleet Street. Van 1851 tot 1859 was hij als fotograaf geregistreerd op het adres 105 Cheapside, eveneens in Londen. Hij was een student van N.P. Lerebours, een vooraanstaande Franse fabrikant van lenzen, camera’s, optische instrumenten en fotografische benodigdheden, en tevens een ervaren daguerréotypist.

In deze korte handleiding van slechts 16 pagina’s bespreekt Colas de verschillen tussen de toen gevestigde Franse methode van de daguerréotypie en de zogenaamde Amerikaanse methode. De belangrijkste verschillen zijn in hoofdzaak het polijsten van de plaat en het gebruik van verbindingen van broom, chloor en jodium met kalk als versneller.

2020 aanwinsten januari-0005

Le mélange des couleurs enseigné par l’exemple : leçons données sur les fac-similés des oeuvres et des palettes : orangé, bleu, jaune, violet, rouge, vert, blanc / par Ernest Hareux
Reeks: Premières études de peinture à l’huile. Paris : Librairie Renouard, [1900?]. 1 deel : 50 ongenummerde pagina’s, 14 kleurenafbeeldingen ; 31 cm.

Het boek bevat achtereenvolgens de hoofdstukken: Étude des tons verts ; Étude des tons jaunes ; Étude des tons rouges ; Étude des tons orangés ; Étude ses tons violet ; Étude des tons bleus ; Étude des tons blanc.

2020 aanwinsten januari-0007
Étude des tons rouges

Ernest Victor Hareux (1847-1909) was een Franse landschapsschilder. Hij hield van de bergen en verhuisde in 1887 van Parijs naar Grénoble waar hij bekend werd om zijn illustraties en schilderijen van berglandschappen. Hij werd bovendien lid van de ‘Société des peintres de la montagne’. Hareux schreef zeven verhandelingen over de techniek van het schilderen met olieverf en een boek over het afbeelden van bomen.

In dit boek behandelt Hareux in zeven hoofdstukken achtereenvolgens de verschillende kleuren groen, geel, rood, oranje, violet, blauw en wit. De 28 pagina’s tekst worden geïllustreerd met 14 kleurplaten. De illustraties tonen per kleur een palet aan tinten en een uitgewerkte schildering in sprankelende kleuren. Oorspronkelijk is dit werk verschenen als een losbladige uitgave in een portefeuille.

2020-aanwinsten-januari-0008.jpg

Behangselpapieren der Wiener Werkstätte : lichtechte kleuren. Serie 14 / ontworpen door D. Peche
[Plaats van uitgave onbekend] : [Rath & Doodeheefver], [1920?]. 65 ongenummerde bladen : stalen behangselpapier ; 50 x 54 cm.
Op de voorzijde is het vignet Wiener Werkstätte en van Rath & Doodeheefver gestempeld.
Op het meegebonden blad voor in de uitgave: Behangselpapieren uit de collectie “Wiener Werkstätten”. Schroefgebonden.

Dagobert Peche (1887-1923) was met zijn decoratieve ontwerpen een van de sleutelfiguren van de Wiener Werkstätte, samen met Josef Hoffmann (1870-1957) en Koloman Moser (1868-1918). Peche staat bekend als de meest fantasierijke kunstenaar van deze stroming. Zijn belangstelling voor het ornament ontstond tijdens een studiereis naar Engeland waar hij werd beïnvloed door Aubrey Beardsley (1872–1898). De ornamentale ontwerpen van Peche vonden toepassingen in de behangindustrie en de stoffendruk, in kantklossen en borduren met aantrekkelijke stofpatronen en kleuren. Ook goudsmeedkunst en ivoorsnijwerk, spiegellijsten en meubelvormen, keramiek en metaalwaren, papierindustrie en mode werden beïnvloed door zijn ontwerptaal. Na de succesvolle organisatie van de Weense modetentoonstelling in 1915, nam hij de leiding over van de vestiging van de Wiener Werkstätte in Zürich. In zijn stijl trad een ontwikkeling op met meer ritme en beweging, een verrijking van het bloem- en bladmotief, en een verbinding tussen lichaam en plant, met invloeden van de Rococo en Chinese penseeltekeningen. Deze kenmerken zijn herkenbaar in zijn ontwerpen voor behangsels zoals in dit stalenboek, uitgegeven door de firma Rath & Doodeheefver. Behangselpapierhandel Rath & Doodeheefver heeft bestaan van 1860 tot 1998. Vanaf 1890 begon het bedrijf met het importeren en verkopen van behangsels, naar ontwerp van onder andere de leden van de Deutsche Werkbund en later van de Wiener Werkstätte.

2020-aanwinsten-januari-0030.jpg
Bladfantasie
2020-aanwinsten-januari-0036.jpg
Daphne : de Grieksche naam voor laurier

Het boek bevat 65 behangstalen afgewisseld met meegebonden bladen met de titel van het behang en een korte uitleg over het idee achter het ontwerp. Zo staat bij het behang Weenen de volgende tekst: “Het dessin ‘Weenen’ op een achtergrond gedrukt, waar ontelbare kleuren, beginnend met zwart, vervolgens de zachte kleuren resida, lila en rose, een byzonder effect vormen. Een technisch wonder in de behangsel-industrie! Het rose is in twaalf nuanceeringen van donker tot licht naast elkaar aangebracht, waardoor een ongeëvenaarde schaduwwerking werd bereikt.”

weenen.jpg
Weenen
2020-aanwinsten-januari-0029.jpg
Tulp

Op achterzijde van de stalen staan de volgende thema’s vermeld (stempel in het Nederlands): Claudia (heraldiek), Narcis, Water, ladphantasie, Ster, Zomer, Steenen, Chloë, Water, Weenen, Viola (Oude kunst), Ranken, Antinoüs, Rozen, Kantwerk, Cythera, Daphne, Duizend bloemen, Tulp, Klimop, Riet.

2020-aanwinsten-januari-0032.jpg
De koningin der bloemen : de roos

Salubra. No. 30 CI / Wiener Werkstätte
[Plaats van uitgave niet vastgesteld] : [Rath & Doodeheefver], [1930?]. 120 ongenummerde bladen : stalen behangselpapier ; 25 x 40 cm.
Op de voorzijde is het vignet Wiener Werkstätte en van Rath & Doodeheefver gestempeld. Het boek bevat 120 pagina’s behangsels met enkele meegebonden fotovoorbeelden van het gebruik van het behang in een kamer. Op achterzijde van de behangstalen zijn stempels met de teksten Salubra, Wiener Werkstätte, en een nummer aangebracht.
Toegevoegd is een prijslijst in het Nederlands op versozijde van het voorplat, en een begeleidende tekst voor gebruikers op het schutblad.

Het behang dat is ontworpen door leden van de Wiener Werkstätte werd geproduceerd door Usines Salubra in Bazel, Zwitserland, en in Nederland geïmporteerd door de Amsterdamse behangselpapierhandel Rath & Doodeheefver.

2020 aanwinsten januari-0021
W.J. de Groot bespreekt in 1930 de nieuwe behangsels naar ontwerpen van de Wiener Werkstätte in Elsevier’s Geïllustreerd Maandschrift: “… Opmerkelijk in deze sterk boeiende ontwerpen is vooral, dat in een groot aantal ervan motieven van naturalistischen aard zijn opgenomen, zij het van zeer bijkomstig naturalistischen aard. Want, goddank, deze Salubra’s beduiden geen terugkeer tot de rozen of viooltjes, welke men zóó van den wand zou plukken… Integendeel, als er bloemen en vruchten op staan, het zijn er zooals ge ook tegen komt op de stillevens van Picasso of Juan Gris, terwijl een compositie van staande en zittende poppetjes herinneringen wekt aan de prenten der Japanners of Chinezen. Maar ondanks deze invloeden van ultra-moderne of Oostersche kunst, en ondanks de enorme verscheidenheid van teekening en vooral van coloriet, verraden deze Salubra’s toch duidelijk één zelfden noodzakelijken oorsprong: alle zijn ze uitgesproken Weensch, kenmerkende producten van een kleurlievend en levensblij, sterk genietend, volk.” Verder in deze bespreking geeft de auteur aan dat sommige “ongemeen geestige, zwierige, ja geniale” behangsels vanwege de felle kleuren meer geschikt zijn voor het opfleuren van vermakelijkheidsgelegenheden als cafés en bioscopen dan voor onze woonvertrekken.
(Bron: Elsevier’s Geïllustreerd Maandschrift, Jaargang 40, deel 79, 1930 (januari-juli): ‘Nieuwe Salubra’s naar ontwerpen van de Wiener Werkstätte’, door W.J. d. Gr.; pag. 448-449)

Aankoop met steun van het Ambaum Haks Fonds / Rijksmuseum Fonds

Salubra1

Salubra1a
Voor een uitvoerige beschrijving en nog enkele afbeeldingen van de twee behangstaalboeken van de Wiener Werkstätte verwijs ik naar de aanwinstenblog januari 2020.