door Geert-Jan Koot
Tot Dordrecht : by Abraham Canin, 1600. [4], 506 [=508], [16] pagina’s ; 14 cm.
Ontbreekt: Titelpagina en voorrede van de auteur, p. 109-110 en katern (13 p.) met register. Bijgevoegd: Handschrift met index op onderwerpen.
Tot voor kort was slechts één exemplaar van de eerste druk van het secreetboek van de medicus Carel Baten (ca 1540 – 1617) bekend in de universiteitsbibliotheek Gent. Helaas mist het door het Rijksmuseum verworven exemplaar de eerste twee bladen met het titelblad en de voorrede. Het register van 13 pagina’s is vervangen door een handgeschreven index op onderwerpen uit de 18de eeuw. Afgezien van het voorwerk en het gedrukte register is de tekst compleet.

Het Rijksmuseum bezit ook de editie uit 1609 die slechts 356 pagina’s telt in plaats van de 506 pagina’s van de editie uit 1600. Het verschil in het aantal pagina’s is te verklaren uit een afwijkend zetsel. Uit de vergelijking met het exemplaar in de universiteitsbibliotheek Gent is gebleken dat het hier gaat om de uiterst zeldzame uitgave van Abraham Canin in Dordrecht uit 1600. Het verworven secreetboek van Carel Baten bevat een keur aan huismiddeltjes maar vormt tevens een belangrijke aanvulling op de collectie receptuurboeken van het Rijksmuseum. Naast de vele huishoudelijke recepten is een deel geheel gewijd aan de bereiding van onder meer inkt, verf, vernis en de samenstelling van de ondergrond voor schilderijen met eiwit en gom (pagina 267-333). Deze kennis is van belang voor de restaurator om de samenstelling van de verf en de opbouw van schilderijen in de late 16de eeuw te kunnen analyseren.
Aankoop met steun van het Receptuurboeken Fonds
Zie voor een uitleg over het genre secreetboeken en dit boek in het bijzonder de aanwinstenblog van januari 2021

Nurnberg, H. Pillenhofer for Paulus Fürsten, 1652. [11], 155, [5] pagina’s ; 16 cm.
Gegraveerde titelpagina, 16 platen met etsen, 1 ets in de tekst, 1 houtsnede
Bevat: Kunstverständiger Discurs von der edlen Mahlerey / [Georg Philipp Harsdörffer (1607-1658)]
Deze technische verhandeling van Abraham Bosse uit 1652 behandelt de koperdiepdruk. Dit is een grafische druktechniek gekenmerkt door het gebruik van een koperen drukplaat waarin kleine verdiepte uitsparingen de inkt vasthouden. Hierdoor wordt de inkt overgebracht op papier. Voorbeelden van het bewerken van de plaat zijn de handmatige etstechniek, de droge naald, en de industriële rotogravure. Dit handboek gaat uitvoerig in op de techniek van het etsen in koperplaten zoals door de Franse graveur Jacques Callot (1592-1635) was geperfectioneerd. Callot wordt beschouwd als één van de meesters van het etsen. Zijn stijl kenmerkt zich door de scherpte van de lijn en de diepte van de inkt, waardoor zijn etsen ondanks de veelvuldige overvloed aan scènes en karakters perfect leesbaar zijn op gravures met vaak een beperkt oppervlak. Hoewel de etskunst ruim honderd jaar eerder was uitgevonden heeft Callot deze kunstvorm ontwikkeld door verschillende vernieuwingen toe te passen. Een voorbeeld is het gebruik van ‘vernis dur’, harding van vernis door verhitting en een effectievere manier om het zuur te laten inwerken op de plaat. Dankzij deze verhandeling over het etsen van Abraham Bosse zijn de innovaties verspreid in Europa.

Het oorspronkelijk door Bosse in het Frans geschreven werk Traicté des manières de graver en taille douce sur l’airin uit 1645 werd in het Duits vertaald in 1652, en is het vroegste Duitstalige handboek voor druktechnieken. De vertaler is de architect Georg Andreas Böckler (1617-1687) over wie weinig bekend is. Spoedig verscheen het werk ook in andere talen waaronder het Nederlands in 1662, Tractaet in wat manieren men op root koper snijden ofte etzen zal. De 16 prenten tonen alle stadia van het bewerken van de etsplaat, de wijze van graveren met de burijn tot en met het drukproces, naar de originele illustraties in de Franse uitgave. Het boek bleef tot in de late 18de eeuw populair en kende vele heruitgaven.

In vergelijking met de Franse editie is een anoniem gedicht toegevoegd aan het einde van de hoofdtekst op pagina 124 met de titel ‘An den Eselartigen Verächter der Etzkünste’. Aan dit gedicht is toegevoegd een ets waarop een karavaan van lastezels is afgebeeld en een man die een ezel probeert te beladen. Achter dit gedicht volgt een afzonderlijk tractaat over de schilderkunst in een doorlopende nummering (pagina 125-155), Kunstverständiger Discurs von der edlen Mahlerey met een houtsnede waarop de schaduwwerking van kaarslicht wordt weergegeven. De anonieme auteur is recent geïdentificeerd door Michael Thimann als de dichter en natuurwetenschapper Georg Philipp Harsdörffer (1607-1658). Harsdörffer begint zijn verhandeling niet met de gebruikelijke historiografische beschouwing maar met een uitleg wat het woord ‘Gemähl’ betekent. Na deze etymologische bepaling behandelt hij onderwerpen die een rol speelden bij bespiegelingen over de schilderkunst zoals genre, paragone, inventio, retoriek, historia. Het is waarschijnlijk te danken aan de voorafgaande inleidende tekst van Abraham Bosse over de etskunst, dat Harsdörffer zijn onderwerp op zo’n geconcentreerde en systematische wijze uiteenzet. Deze tekst is een uitstekende inleiding en een overzicht van wat er in de Duitstalige kunstliteratuur over schilderkunst in de 17de eeuw werd besproken. Ook aan de latere Duitse editie uit 1743 is deze tekst toegevoegd. Het boek wordt afgesloten met een register van vier pagina’s.

Het beoogde effect van de afbeelding op het frontispiece met gereedschappen is om het drukkersvak een zekere waardigheid te verlenen door toevoeging van de klassiek ogende gestalte (zie ook het bijschrift bij bovenstaande illustratie). Dit is een interessant gegeven aangezien deze handleiding voor het eerst in detail drukprocessen in kaart brengt. Robert Darnton beschrijft in zijn The business of enlightenment de drukkerij als smerig, rumoerig en chaotisch. ‘De wollen inktballen waarmee de platen werden geïnkt stonken naar urine. De mannen waadden rond in smerig papier, knoeiden wijn en sloegen met hun zethaken tegen de letterkasten uit pure vreugde om lawaai te maken, te brullen en te vechten als de gelegenheid zich voordeed, en de leerlingen te kwellen met practical jokes.’ (pagina 242-243)

A Paris : chez Jacques Estienne, 1715. 554 pagina’s : illustraties ; 18 cm.
Frontispiece naar A. Coypel (in.) door C. Simognea (sculp.). Ego nec stadium sine divite vena, nec rude quid prosit video ingenium.
Dit boek is de tweede en aangevulde editie in pocketformaat van een invloedrijke publicatie door Roger De Piles (1635-1709) met korte beschrijvingen van de meest bekende schilders. Ook geeft hij zijn persoonlijke meningen over de artistieke waarde van de kunstwerken. Als biografisch naslagwerk werd het boek veel geraadpleegd en sedert de eerste druk uit 1699 is het verschillende malen vertaald en heruitgegeven. Het Rijksmuseum bezit naast de eerste en de tweede druk ook de latere Amsterdamse uitgave uit 1767. De Nederlandse vertaling verscheen in 1725 onder de titel Beknopt verhaal van het leven der vermaardste schilders, met aanmerkingen over hunne werken… . De verworven editie uit 1715 is uitgegeven door Jacques Estienne I (1668-1731), de grondlegger van een beroemde familie van uitgevers en boekhandelaren in Parijs.
De carrière van Roger de Piles verliep turbulent. Als mentor en secretaris van Michel Amelot de Gournay, achtereenvolgens de Franse ambassadeur in Venetië, Portugal, Zwitserland en Spanje, ontwikkelde hij een brede kennis van de Europese kunst. Vanaf 1685 ondernam hij vertrouwelijke missies in opdracht van de minister van Lodewijk XIV, de markies De Louvois, onder de dekmantel het bezoeken van particuliere collecties als kunstkoper voor de koning. Hij werd tijdens de oorlog van de Liga van Augsburg op verdenking van spionage gearresteerd in Den Haag en in 1692 veroordeeld tot vijf jaar gevangenisstraf. Tijdens zijn gevangenschap schreef hij dit boek, dat in 1699 werd gepubliceerd na zijn benoeming als Conseiller Honoraire aan de Académie de peinture et de sculpture in Parijs.

Oxonii : e typographeo Clarendoniano. Impensis academiae, 1763. 2 bladen, vii, [2], xxi pagina’s, 2 bladen, 147, [2], xxvi, [2] pagina’s : illustraties, platen (1 vouwblad) LIX platen ; 55 cm.
Pars I: conplectens marmora non inscripta — II: inscriptiones Aegyptias, unam Citieam, Palmyrenas, et Graccas — III: inscriptiones Latinas cum nonnullis aliis.
De auteur van dit boek Richard Chandler (1738-1810) was een handelaar in klassieke oudheden. Zijn eerste belangrijke boek, Marmora Oxoniensia, is gewijd aan de zogenaamde Oxford Marbles. Het zeer omvangrijke en rijk geïllustreerde boek diende als catalogus van de Arundel Marbles in het Ashmolean Museum te Oxford. Deze verzameling marmeren Griekse beelden en reliëfs met inscripties zijn verzameld door Thomas Howard, de 21ste graaf van Arundel, 4de graaf van Surrey en 1ste graaf van Norfolk (1585-1646). De collectie werd in het begin van de 17de eeuw samengesteld en tentoongesteld in Arundel House in Londen. Het grootste deel ervan is geschonken in 1667 aan het Ashmolean Museum door Arundels kleinzoon Henry Howard, 6de hertog van Norfolk. De overige beelden, een verzameling aangeduid als de Pomfret Marbles, zijn geschonken in 1755 door Henrietta Louisa, hertogin van Pomfret. Sommige werken zijn reliefs met belangrijke inscripties. Dit waren de eerste Griekse inscripties die in Engeland te zien waren. Historici ontleenden data uit de Griekse geschiedenis aan deze opschriften. Naar aanleiding van deze verwerving gaf het museum de opdracht aan Chandler om een catalogus samen te stellen. Na afronding van deze opdracht reisde hij tussen 1764 en 1766 naar vindplaatsen van Griekse oudheden, met als resultaat Ionian Antiquities gepubliceerd door de Dilettanti in 1769, en later zijn verslag van de reizen in deze periode, Travels in Greece, or an Account of a Tour Made at the Expense of the Society Of Dillettanti in 1776.

Het boek Marmora Oxoniensia bestaat uit drie delen en bevat 83 platen met prenten van verschillende grootte, een frontispiece voorstellende Thomas Howard gegraveerd door James Basire naar Rubens en een gegraveerde titelpagina met een gezicht op Oxford door J. Miller. Op 76 gravures zijn marmeren beelden en oude Griekse en Egyptische inscripties afgebeeld. Ook deze gravures en vignetten zijn van Johann Sebastian Müller (1715–c.1792), een Duitse graveur en botanicus die zich in 1744 in Londen had gevestigd, en zijn werk vanaf 1760 signeerde met John Miller. Zijn uitvoeringen zijn niet erg trouw aan het origineel, en met name de bustes bleken volgens tijdgenoten slecht weergegeven. Het Pomfret gedeelte van de Arundel Marbles was door de Italiaanse beeldhouwer Giovanni Battista Guelfi (1691/2-1734) gerestaureerd. De kunsthistoricus Horace Walpole veroordeelde de restauraties: ‘The best of the collection are those which he restored the least. He misconceived the original character of almost every statue which he attempted to make perfect, and ruined the greater number of those he was permitted to touch’ (Anecdotes, 1876, pag. III, 40). Deze restauraties zijn grotendeels ongedaan gemaakt, maar de gravures in Chandler’s boek tonen de door Guelfi gerestaureerde beelden.

Dit exemplaar heeft een interessante herkomst. Het is afkomstig uit de collectie van de kunsthistoricus Iohan Quirijn van Regteren Altena (1899-1980), professor aan de Universiteit van Amsterdam en directeur van het Rijksprentenkabinet. Bovendien bevat het boek een ingeplakte handgeschreven brief, gedateerd 24 november 1808, met de vermelding dat het wordt aangeboden aan John Caley (1760–1834). Caley was een Engelse archivist en handelaar in oudheden. Na zijn overlijden werd zijn bibliotheek, rijk aan topografische en archeologische werken, door boekhandel Evans verkocht. Een deel van de collectie kwam terecht in het British Museum.
Schenking Erven I.Q. van Regteren Altena

[Paris] : Claude Herisfant, 1769. 22 pagina’s ; 17 cm.
Dit unieke exemplaar van een schijnbaar satirisch anoniem Frans schildershandboek uit 1769 werd aangetroffen bij een gerenommeerd antiquariaat in New York. De toelichting op het titelblad luidt: ”On peut, avec instruction, apprendre à peindre en mignature & très-proprement en quinze jours. Cette manière de peindre est des plus amusantes ; puisqu’il n’est pas nécessaire d’avoir appris le dessein ; elle est très-propre aux Religieux, Religieuses, & autres personnes qui n’ont aucune affaire domestique, parce qu’elle peut leur servir de récréation, & aux personnes du monde d’amusement, & sert en même temps à décorer les appartements”. Hiermee wordt aangegeven dat deze handleiding is bedoeld om een “leuke” schildermethode in vijftien dagen te leren door “mannelijke en vrouwelijke geestelijken en andere personen die geen huishoudelijke bezigheden hebben, opdat het hen zou kunnen dienen als vrijetijdsbesteding, evenals voor mensen in de wereld van entertainment, en nuttig kan zijn bij het schilderen van hun huizen”.
Het boek bevat hoofdstukken over de vervaardiging en samenstelling van vernis en verf voor primaire kleuren, het aanbrengen van vernis op een prent, de juiste kleuren voor onderwerpen als jonge vrouwen, oude mannen, zuigelingen, zieken, etc., de formulering van verschillende kleuren en tenslotte technische instructies voor het schilderen naar het voorbeeld van de grootste kunstenaars.
De auteursnaam zoals vermeld op het titelblad “par le sieur Le Pileux” betekent letterlijk ‘door de behaarde heer’. Onder deze verder onbekende naam wordt het boek slechts vermeldt in de Catalogue de la bibliothèque d’art de Georges Duplessis uit 1900 (pag. 32 & 47). De bibliotheek van Georges Duplessis is door diens weduwe na zijn dood in 1899 aan de Académie des Beaux-Arts geschonken. In de Bibliothèque van het Institut de France is dit boek echter niet opgenomen, en evenmin in de andere grote bibliotheken in Parijs als de Bibliothèque nationale. Een ander exemplaar is niet bekend. Vanwege de nieuwe omslag en schutbladen en het ontbreken van stempels of aantekeningen is de herkomst niet vast te stellen.

A Amsterdam et a Léipsick : chez Arkstée & Merkus, libraires et se vend a Paris chez Charles-Antoine Jombert, 1766. xx, 484 pagina’s, 5 uitklapbladen platen : illustraties ; 17 cm.
Exlibris van Ch. Smits
A Amsterdam et a Leipsick : chez Arkstée & Merkus [etc.], 1776. 484 pagina’s ; 5 bladen met platen : 18 cm.
Exlibris van Michael Jaffé. Stempel op titelblad: Cercle de Union Syndicale Ouvrière
Voor de levensloop van Roger de Piles (1635-1709) verwijs ik naar de tekst in deze rubriek bij zijn biografische publicatie, Abregé de la vie des peintres : avec des reflexions sur leurs ouvrages, et un traité du peintre parfait, de la connoissance des desseins, de l’utilité des estampes uit 1715.
De twee verworven edities van Élémens de peinture pratique uit 1766 en 1776 zijn uitgegeven door Johann Caspar Arkstée in Amsterdam en Henricus Merkus in Leipzig. Afgezien van het zetsel zijn er geen inhoudelijke verschillen. De vijf prenten zijn in de vroegste uitgave als uitklapplaten achterin ingebonden. In 1766 gaf deze uitgever het complete werk van Roger de Piles in vijf delen uit in een bewerking van Charles Antoine Jombert (1712-1784).

Deze beide uitgaven zijn bewerkingen door Jombert van het boek Les premiers elemens de la peinture pratique enrichis de figures de proportion mesurées sur l’antique door Roger de Piles uit 1684. Het is een handleiding voor het tekenen en schilderen ten behoeve van kunstenaars en studenten. Roger de Piles vertaalde De Arte Graphica van Charles Alphonse DuFresnoy uit het Latijn in het Frans, L’art de peinture (1668, 2de ed. 1673), en voegde aanvullende opmerkingen toe aan de tekst. Deze opmerkingen vormden de grondslag van Les premiers elemens de la peinture pratique (1684).
In het eerste deel van Élémens de peinture pratique worden de diverse soorten kleurstoffen en technieken waaronder tempera, email, glas en vernis behandeld. Het hoofdstuk getiteld ‘De la Peinture à huile’ (pagina 97–113) gaat over olieverftechniek met nadruk op de indeling van het palet van de kunstenaar. Dit hoofdstuk is vertaald in het artikel ‘Roger de Piles’ 17th century flesh tone palette from Les Élémens de peinture pratique setting the limited 17th century palette for flesh tones using Rublev Colours® Artists Oils’. Het tweede deel is gebaseerd op een andere tekst van Roger de Piles: L’idée du peintre parfait, over de harmonie van kleuren, techniek en elegantie, met als voorbeeld de kunst uit de klassieke oudheid.

Charles Antoine Jombert heeft het oorspronkelijke werk dat uit slechts 94 pagina’s bestaat uitgebreid tot 484 pagina’s. De uitgever en boekhandelaar Jombert bezat veel kennis van technieken in de kunst getuige zijn leerboeken voor tekenaars, Methode pour apprendre le dessein en Nouvelle methode pour apprendre à dessiner sans maître.
Het verworven exemplaar uit 1776 is afkomstig uit de bibliotheek van de Britse kunsthistoricus en directeur van het Fitzwilliam Museum, Michael Jaffé (1923-1997). De stempel op het titelblad geeft als de eerdere herkomst de Franse vakbond Cercle de Union Syndicale Ouvrière.

London : Printed for John Boydell, 1782. 8, 6-21, [1] pagina, [103] bladen platen : illustraties ; 44 cm.
Benjamin Ralph was een Londense landschapsschilder waarover verder niets bekend is. Zijn voorbeeldboek voor tekenaars The school of Raphael uit 1759 werd in verschillende samenstellingen vier keer uitgegeven. Het Rijksmuseum heeft de tweede uitgebreide editie verworven. Het boek bestaat uit een korte inleiding waarin Ralph zijn boek positioneert naast de invloedrijke perspectiefhandleidingen van Brook Taylor en Joshua Kirby. Bovendien maakt hij een vergelijking tussen de gelaatsuitdrukkingen zoals door Charles le Brun zijn beschreven en de veel vroegere fysionomische toepassingen door Rafaël (1483-1520) in zijn ontwerpen op ware grootte (cartons) voor een reeks tapijten aangeduid als de School van Rafaël. Deze tapijten met de scènes uit het leven van de heiligen Petrus en Paulus in de Sixtijnse Kapel waren ontworpen in opdracht van paus Leo X (1515-1518) en uitgevoerd in Brussel. De cartons zijn terecht gekomen in de British Royal Collection en door de architect Christopher Wren op verzoek van William en Mary in Hampton Court opgehangen. In 1865 zijn de cartons overgebracht naar het Victoria and Albert Museum in Londen.

Centraal in dit voorbeeldboek staan negentig expressieve hoofden ontleend aan de tapijtontwerpen. Bijzonder aan deze uitgave is dat de gelaten eerst als schetsen en vervolgens in uitgewerkte prenten zijn weergegeven. Op elk blad zijn twee hoofden afgebeeld. Bovendien is het boek aangevuld met in totaal twaalf genummerde platen “engraved by an eminent artist”, met studies van hoofden en andere lichaamsdelen, gevolgd door twee torso’s, drie anatomische studies en tenslotte drie platen met gravures naar klassieke beelden. Hiermee volgt dit boek de traditionele indeling van een leer- of instructieboek voor tekenaars. Tevens is een uitgebreide toelichting van 22 pagina’s bij de platen opgenomen. Een alfabetische index somt de 54 afgebeelde gemoedsgesteldheden op, van ‘affection’ (affectie) tot ‘zeal’ (geestdrift).

Deze hoofden zijn getekend door de Parijse Nicolas Dorigny (voor 1658-1746) en in prent gebracht door bekende graveurs van die tijd waaronder S. Tomassin, G. Duchange, C. Dupuis, N. Pigné en B. Lepissié. Op uitnodiging van Engelse aristocraten of van Queen Anne arriveerde Dorigny in juni 1711 in Londen om de ontwerpen van Rafaël in Hampton Court te graveren. Hij werd hiervoor in 1720 geridderd. De prenten uit deze reeks maken deel uit van een verzamelaarsalbum in de collectie van het Rijksmuseum (RP-P-2016-880).

London : Printed for the proprietors, sold by Hassell & Co., and Sherwood, Neely, & Co. [by] W. Wilson, printer, [1818]. 2nd edition. 20 bladen, 76 platen op 72 bladen : illustraties in kleur ; 32 x 46 cm.
Negentien platen in vier staten (etching, aquatint, aquatint with sepia wash, hand-coloured aquatint). De 2de, 3de, en 4de staten van elke plaat zijn voorzien van een imprint: London, Pub. July 1, 1818, by T. McLean. De datering is gebaseerd op de data op de prenten: 1818 behalve 3 prenten met datum 1811 en 1812. De voorbeelden van kleuren in de tekst zijn met de hand aangebacht. ‘Introduction’ gesigneerd Hassell & Co. gedateerd Mar. 1, 1813.
Op het eerste schutblad is de naam geschreven van Emma Leegrew, Feb 29th, 1852. Tevens is het exlibris van Alexander A. Berens ingeplakt.
In het begin van de 19de eeuw vervaagden de grenzen tussen de opleidingen voor professionele kunstenaars en amateurs. Deze ontwikkeling werd zichtbaar in het ontstaan van een nieuw type instructieboek voor waterverf schilders. Dit is te zien in enkele door Thomas Clay uitgegeven boeken waaronder Progressive lessons tending to elucidate the character of trees, with the process of sketching, and painting them in water colours uit 1813, maar eerder nog in A series of progressive lessons intended to elucidate the art of landscape painting in water colours uit 1811 waarvan het Rijksmuseum de zesde editie bezit. Een heel zeldzaam en vroeg voorbeeld van deze ontwikkeling uit 1802 is de uitgave Six progressive lessons for flower painting : with letter-press directions for drawing and coloring of flowers, upon botanical principles door de Engelse tekenaar B. Hunter met drie afgebeelde stadia per voorstelling. Kenmerkend voor deze leerboeken is het afbeelden van dezelfde voorstelling in opeenvolgende staten van ontwikkeling, bijvoorbeeld een schets, een sepia aquatint en een ingekleurde aquatint. In de titels van de boeken komt deze opbouw tot uitdrukking in de aanduiding “Progressive lessons”.

Het oorspronkelijk in maandelijkse afleveringen in 1813 verschenen werk van John Hassell, Aqua Pictura, luidde een volgende ontwikkeling in waarbij prenten van bekende meesters werden gebruikt ter navolging door beginnend kunstenaars en amateurs. Het werk bevat 76 originele prenten verdeeld over negentien voorstellingen in vier opeenvolgende stadia (ets, aquatint, aquatint met sepia wassing en handgekleurde aquatint) door negentien kunstenaars waaronder William Turner, Girtin, Joshua Cristall, John Varley en David Cox. Deze illustraties zijn afgedrukt als voorbeelden bij de tekstuele uitleg van het maakproces. Handmatig zijn 370 verfstalen met de hand in de tekst aangebracht ter verduidelijking van het kleurgebruik. Hassell heeft het proces omgekeerd door te beginnen met de volledig uitgewerkte en ingekleurde prent en deze in opeenvolgende stadia tot de eerste schets terug te brengen. Door de afbeeldingen te deconstrueren biedt hij inzicht in de methoden en kleuropbouw.




John Hassell (1767-1825) was landschapsschilder, tekenaar, schrijver en tekenleraar. Zijn favoriete methode was het graveren van topografische afbeeldingen in aquatint om deze vervolgens in te kleuren met waterverf. Bovendien is hij de auteur van een aantal instructieboeken die deel uitmaken van de collecties van het Rijksmuseum: The Speculum, or, Art of drawing in water colours (1816); The Camera; or, Art of drawing in water colours : with instructions for sketching from nature (1823); Graphic delineation : a practical treatise on the art of etching (1826). Het oudste leerboek Aqua Pictura (1813, 2de ed. 1818) is wat betreft inhoud en formaat het opus magnus van John Haskell.
Aquatint is een diepdruk-etstechniek, alsmede de benaming voor een afdruk daarvan. Het is een variant op traditioneel etsen, waarbij geen lijnen maar egale vlakken ontstaan. Zodoende kan men een egale toon verkrijgen. Er ontstaat een op waterverf lijkend resultaat. Deze techniek werd door François Philippe Charpentier en Jean Baptiste Leprince in 1768 ontwikkeld.
Zie ook: Greg Smith, The emergence of the professional watercolourist : contentions and alliances in the artistic domain, 1760-1824. Aldershot, 2002.
Aankoop met steun van het Wim Vehmeijer Fonds

Paris : Desloges, 1845. 17 pagina’s ; 16 cm.
De anonieme auteur van dit zeldzame boekje beschrijft een methode om olieverfschilderijen in kleur te kopiëren of te reproduceren door middel van lithografie. In de eerste helft van de 19de eeuw waren verschillende lithografische methoden in omloop. De techniek zoals in dit boekje is beschreven komt verder nergens voor. Voor een eerste ontwikkelfase van deze lithochromische reproductietechniek was in 1821 patent verkregen door de schilder en steendrukker Charles-Louis Malapeau (1795-1878). Aanvankelijk bestond het proces uit de combinatie van drukken, inkleuren en overbrengen van beeld. De definitie van lithochromie in de Digitale Bibliotheek voor de Nederlandse Letteren (DBNL) luidt: ‘kleursteen-plaatdruk, wijze om olieverwschilderijen na te drukken’. In 1827 werden zijn « Tableaux lythochromiques » (no. 863) tentoongesteld op de tentoonstelling Exposition des produits de l’industrie française in het Palais du Louvre. De benaming lithochromie komt voor het eerst voor in de catalogus bij deze tentoonstelling. Malapeau experimenteerde voort met het toevoegen van olieverf aan litho’s en werkte zijn methode over een periode van 25 jaar verder uit tot een nieuw procedé voor meerkleurendruk. In 1845 kreeg hij opnieuw een patent voor de verbeterde methode om olieverfschilderijen te reproduceren door lithochromie. Het is denkbaar dat hij de auteur van dit technisch handboekje uit 1845 is geweest. Tegenwoordig is slechts één lithochromie van Malapeau bekend, “La Charette” in Musée barrois, Bar-le-Duc, hoewel het werk pas later als zodanig werd herkend. De onbekendheid van deze techniek maakt het lastig om schilderijen als lithografieën te herkennen.

Het boekje is verschenen in de reeks ‘Bibliothèque artistique’ door de Parijse uitgever Le Bailly, van wie het Rijksmuseum ook enkele andere deeltjes bezit. Op de omslag staat als uitgever vermeld: Le Bailly, Libraire-Éditeur; het titelblad daarentegen vermeldt als uitgever: Desloges. De prijs bedroeg 75 centimes. Dit is het enige bekende exemplaar. In de National Gallery Library te Washington is een boek met dezelfde titel uit 1839 met een afwijkend aantal pagina’s (22), formaat (19 cm), uitgever (Charles), en editie (4de). De Bibliothèque de Genève bezit zowel deze 4de als een 2de editie uitgegeven door Desloges in 1834 met slechts 13 pagina’s. Vanwege het pamfletachtig karakter zijn vrijwel geen exemplaren overgeleverd.
Zie ook: Michael Twyman, A history of chromolithography : printed colour for all, London : British Library, 2013 (over Malapeau: pag. 30-32).

萬國舶旗圖譜 [Bankoku hakki zufu] / 松居信 [Matsui Makoto cho]
東京 : 不老館, 嘉永 7 [Tōkyō : Furōkan, Kaei 7], [1854]. 72 ongenummerde pagina’s : voornamelijk illustraties, wereldkaart ; 19 cm. (leporello)
In dit Japanse handschrift zijn 480 vlaggen van schepen uit diverse naties bijeen gebracht. Het is een zogenaamde leporello, een boek waarvan de aan elkaar geplakte bladen als een harmonica worden uitgevouwen, op traditioneel Japanse wijze gebonden in een houten omslag. Na het titelblad volgt een wereldkaart en 72 pagina’s met ingekleurde houtsnedes. Bij diverse vlaggen zijn uitvouwbare strookjes tekst ingeplakt met uitleg. De auteursnaam Matsui staat vermeld op de laatste pagina. Hij was een schilder werkzaam vanaf 1850 die veel ukiyo-e naliet, zoals ‘Gotōchi Onagori Ichikawa Ichizō’, maar biografische details zijn onbekend.
Deze Japanse geïllustreerde gids van vlaggen in de wereld’ met scheepsvlaggen bevat een groot aandeel Nederlandse vlaggen. Het ontstaan van dit boek staat in nauw verband met de relaties tussen Japan en Nederland vanaf 1853. Sinds de 17de eeuw was Nederland de enige westerse mogendheid die een vaste handelsrelatie met Japan had met een vestiging in Deshima. Niet alleen commerciële maar ook culturele en wetenschappelijke banden werden opgebouwd. Veel kennis over Japan vond via Nederlandse auteurs zijn weg naar het westen. Bovendien was Nederland voor Japan het venster op de westerse wereld. Nederlanders namen boeken mee voor het Japanse hof en speelden een belangrijke rol in het onderwijs.

De conservator maritieme collecties van het Rijksmuseum Jeroen ter Brugge ontdekte dit handschrift bij een boekhandelaar in Tokyo. Hij gaf met de volgende tekst het belang aan voor het Rijksmuseum, waar een belangrijke collectie vlaggen en vlaggenboeken is opgebouwd.
‘Het Japanse vlaggenboek uit 1854 draagt een duidelijke Nederlandse signatuur: het is voor een belangrijk deel gebaseerd op Nederlandse kennis en publicaties, met een oververtegenwoordiging van Nederlandse vlaggen. Toen Japan in 1853/1854 zijn grenzen voorzichtig opende onder dwang van de Amerikaanse commodore Mathew Perry, vervulde Nederland in de beginfase een spilfunctie. Japan vroeg om militaire steun en kreeg die onder meer door het in bruikleen geven en later schenken van het marineschip het ss Soembing en de afvaardiging van kapitein G. Fabius (1854-1856) die belast werd met het onderwijs aan het Japanse marine corps. Hiermee werd de basis gelegd voor de snelle ontwikkeling van de Japanse marine in de 19de en 20ste eeuw. Dit manuscript-vlaggenboek lijkt een directe relatie te hebben met het educatieve werk van kapitein G. Fabius in Japan.

Vlaggenboeken zijn een typisch Europees fenomeen, waarbij Nederland in de vroegmoderne tijd het grootste aandeel had. Dit Japanse vlaggenboek is het eerste, en was lange tijd het enige, niet-westerse voorbeeld. Bovendien is het aandeel Oost-Aziatische vlaggen aanmerkelijk groter dan in westerse vlaggenboeken uit die periode en het vult hiermee een kennisleemte.’
Jeroen ter Brugge werkt aan een publicatie over de vlaggenboeken in het Rijksmuseum. Zie ook zijn publicatie over twee andere recent verworven vlaggenboeken ‘Flag book depicting flags of the world, c. 1669-1670’, en ‘Verzameling der vlaggen by alle natiën in gebruik, 1834-40, 1852’, in: The Rijksmuseum Bulletin – volume 68 (2020, no. 3), pag. 282-285.
Aankoop met steun van het Wim Vehmeijer Fonds
