door Geert-Jan Koot
Traité de la mignature : dedié à Madame la Princesse de Guimené / par Mademoiselle Perrot, de l’Academie Roïale
A Paris : Chez Arnoult Seneuze, 1693. [8], 177, [7] pagina’s ; 16 cm.
Cathérine Perrot (1620-?) was een Franse schilderes van miniaturen en lid van de Académie Royale de Peinture. In 1686 schreef zij een instructieboek voor het schilderen van bloemen en vogels met de titel Les leçons royales, ou La manière de peindre en mignature les fleurs et les oyseaux. Zes jaar later verscheen de volledig herschreven editie met een andere titel Traité de la mignature, opgedragen aan haar 36 jarige leerling Charlotte-Elisabeth de Cochefilet, prinses van Guéméné (1657-1719). In 1725 volgde een derde en postuum verschenen uitgave met de titel Traité de la miniature : dedié à Madame la Princesse de Guimenée met 1625 op het titelblad als het foutieve jaar van uitgave.
Over Cathérine Perrot is niet veel bekend. In de eerste uitgave staat vermeld dat zij de vrouw was van C. Horry, notaris van de aartsbisschop van Parijs. Pas op 62 jarige leeftijd treedt zij toe tot de Académie Royale. Helaas zijn geen van haar schilderijen van bloemen op perkament overgeleverd. Haar leerling Charlotte-Elisabeth de Cochefilet was getrouwd met de prins van Guéméne, Charles III de Rohan. In het voorwoord prijst Perrot de artistieke aanleg van de prinses, en vermeldt ze dat het boek het resultaat is van haar lessen aan verschillende personen van adel waaronder de koningin van Spanje. Ook noemt zij haar leermeester Nicolas Robert (1610-1684) als een zeer bekwaam schilder en graveur van bloemen en vogels.
Deze volledig herziene tweede editie van haar traktaat bevat beschouwingen over de geschiedenis van de kunst, een lexicon van artistieke begrippen, instructies voor het schilderen van vazen, landschappen, tapijten en de menselijke gestalte. Bovendien beschrijft Perrot in detail de werking van de basiskleuren door de miniatuurschilder zoals “beau Carmin, Carmin brun, Loutremer de plus beau, Vermillion, Pierre de Fiel, Laque liquide, Ocre jaune”. Het boek is ingedeeld in twee hoofdstukken waarvan het eerste deel het schilderen van bloemen en het tweede deel het weergeven van dieren behandelt. De bloemen en dieren worden verdeeld in soorten die ieder volgens een eigen aanpak moeten worden afgebeeld.

Description des pierres gravées du feu Baron de Stosch : dediée a son eminence Monseigneur le cardinal Aléxandre Albani / par M. l’abbé Winckelmann, bibliothecaire de son eminence
A Florence : Chez André Bonducci, 1760. XXXII, 596, [32] pagina’s. : illustraties ; 26 cm. (4to).
Bijgebonden voor het hoofdwerk: Handgeschreven essay van Winckelmann (9 ongenummerde pagina’s). 2 gegraveerde bladen platen door I.A. Schweickart.
Bevat: ‘Catalogue abrégé de l’Athlas du feu baron de Stosch en 324. tomes in fol. grand papier impériale avec cartes, planches et desseins’ (pagina [571]-596).
Johan Joachim Winckelmann (1717-1768) was een sleutelfiguur voor de kennis en interpretatie van de kunst van de klassieke oudheid gedurende de 18de eeuw. Winckelmann geldt als voorloper van de moderne kunsthistoricus die de cultuurgeschiedenis niet beschouwde als een chronologische opeenvolging van de levens van kunstenaars maar als evoluerende stijlen en stromingen. De geschriften van Winckelmann werden zeer gewaardeerd door Goethe en kunstenaars als Raphael Mengs en oefenden niet alleen invloed uit op de nieuwe wetenschappen archeologie en kunstgeschiedenis maar ook op de schilderkunst, beeldhouwkunst en literatuur. Zijn Geschichte der Kunst des Altertums uit 1764 werd een klassieker van de Europese kunstliteratuur. De archeologie als concept en als wetenschap ontstaat bij Winckelmann. Opgegraven voorwerpen uit de Griekse en Romeinse oudheid werden voorheen bijeen gebracht en bewonderd door vermogende verzamelaars. Het was door zijn systematisch onderzoek in Napolitaanse collecties, maar ook in de bedolven stad Herculaneum en rond de tempels van Paestum dat met andere opvattingen naar de opgravingen en de objecten werd gekeken. Zijn status als archeoloog resulteerde in de benoeming als prefect van de oudheden van het Vaticaan.

Deze eerste gedetailleerde wetenschappelijke studie van Winckelmann verscheen in Florence in 1760. De catalogus beschrijft de verzameling gegraveerde, antieke, in reliëf gesneden edelstenen van de Pruisische oudheidkundige Baron Philipp von Stosch (1691-1757) en is opgedragen aan de beschermheer van Winckelmann, kardinaal Alessandro Albani (1692-1779). De opzet van de opdrachtgever, Heinrich Wilhelm Muzel-Stosch, neef en erfgenaam van de baron, voor het samenstellen van deze catalogus was om een koper te vinden voor de complete verzameling. Een groot deel is uiteindelijk verworven door Frederick II van Pruissen (1712-1786) voor slot Sanssouci in Potsdam. Met deze gedetailleerde beschrijving, de iconografische duidingen van de voorstellingen en de ordening naar stijlen van de antieke edelstenen werd een mijlpaal gezet voor de moderne collectiecatalogus. Josiah Wedgwood ontwierp naar aanleiding van dit boek zijn neoklassieke jasperware medaillons met de karakteristieke zacht blauwe of groene achtergrond.
Het toegevoegde anonieme manuscript ‘Nachrichten von dem beruhmten Stoischen Museo in Florenz, an den Herrn Legionsrath von Hagedorn …‘ is een contemporaine kopie van enkele essays die Winckelmann schreef voor het tijdschrift Bibliothek der schönen Wissenschaften und der freyen Künste uit 1759. In deze tekst verwijst Winckelmann naar het nog onvoltooide Description des pierres gravees en bespreekt hij de twee meest bijzondere stenen die volgens hem het wezen van de Etruskische kunst samenvatten en in dit exemplaar zijn afgebeeld. Beide stenen behoren tot de oudste voorwerpen van de Etruskische cultuur.

Le Guide des jeunes dessinateurs
[Plaats van uitgave onbekend] : [uitgever en drukker onbekend], 1783. 59 pagina’s ; 24 cm.
Dit zeldzame tekenboekje voor aspirant-kunstenaars is waarschijnlijk gedrukt in een kleine oplage voor leerlingen die een specifieke opleiding volgden onder leiding van een tekenmeester. Het papier zonder watermerk geeft geen enkele aanwijzing over de geografische oorsprong van het werk. Wellicht heeft het boek een Franse, Zwitserse of misschien zelfs een Belgische oorsprong. Er zijn slechts drie andere exemplaren bekend: twee in Zwitserland en één in Quebec in Canada.
De anonieme auteur richt zich tot een jong publiek en begint met het bespreken van de ‘disposities die nodig zijn om te slagen in de studie van tekenen’ (men moet gepassioneerd en toegewijd zijn!). En hoewel ‘vrijheid van de hand een gebrek is dat zonder al te veel zorg kan worden verholpen, is het toch een kenmerk van een geest vol van het noodzakelijke vuur’ (pag. 2). Aan perspectief, geometrie, anatomie en proportie zijn korte hoofdstukken gewijd. Meer ruimte is toegemeten aan de behandeling van de studie van oude beeldhouwkunst en schildermodellen, met commentaar op specifieke voorbeelden, zoals de groep klassieke sculpturen die bekend staan als Laocoön en zijn zoons, de Hercules Farnese, en de Medici Venus. Maar de auteur waarschuwt zijn studenten ook dat ‘schilders die er te veel zorg voor dragen [de oude meesters] te imiteren … altijd in dorheid vervallen [secheresse]’ (pag. 19).
Behandelt worden onder meer het mengen van kleuren, clair-obscur, methoden voor het weergeven van schaduw, verschillende materialen om te tekenen, en zelfs het beste papier om voor tekeningen te gebruiken. De verhandeling eindigt met een beschrijving van vier pagina’s van de constructie en het gebruik van de camera obscura van Willem Jacob Gravesande (1688-1742) als hulpmiddel bij het tekenen (Usage de la chambre obscure pour le dessein ca. 1711). De opzet van de camera obscura was om een schilderij of andere afbeelding te projecteren om na te tekenen op een leeg vel papier.

Collection of designs for household furniture and interior decoration, in the most approved and elegant taste … / by George Smith, upholsterer to His Majesty
London : J. Taylor, 1808. xiv, 33 pagina’s, 158 platen : illustraties ; 34 cm. Bijgebonden voor de titelpagina: Stamboom van de familie Wedge.
Dit boek door de Engelse stoffeerder en meubelontwerper George Smith (1786–1826) bevat 158 handgekleurde platen in aquatint van meubelontwerpen en kamerinrichtingen uit de Regency periode. Het regententijdperk werd bepaald door het regentschap van George IV als Prins van Wales tijdens de ziekte van zijn vader George III. Deze periode begon in 1795 en eindigde met de troonsbestijging van koningin Victoria in 1837.
Regency meubelen worden gekenmerkt door elegantie door het toepassen van ornamentiek in plaats van het rijke houtsnijwerk en de gebogen lijnen uit de voorafgaande periodes. De meubelen vertonen heldere lijnen en strakke oppervlakken met slanke poten en rechte hoeken. Kasten zijn laag uitgevoerd om decorateurs in de gelegenheid te stellen om de muren met schilderijen te versieren. Om de strakke stijl te verlevendigen en een sierlijke elegantie te bereiken werden metalen accenten toegevoegd. Meubelmakers gebruikten voornamelijk messing en soms ook brons of ormolu, een imitatiegoud. Koperen inlegstukken, accenten langs hoeken en poten, handvatten en scharnieren werden veel toegepast. Koperen rozetten of leeuwenkoppen ter bevestiging van ringen op kastdeuren en laden waren populair evenals de van messing gemaakte dierenpoten als meubelpoten.

In advertenties voor het boek in de Liverpool Chronicle, 20 februari 1805 en 25 november 1807 wordt vermeld dat het werk in drie delen werd uitgegeven over een periode van drie jaar, die elk £ 1 11s 6d (plain) of £ 2 12s 6d (eleganty coloured) kosten. De prijs van een handgekleurd exemplaar bedroeg het dubbele van een ongekleurde uitgave.
George Smith was als stoffeerder en meubelmaker gevestigd aan 69 Dean St, Soho van 1795 tot 1797 en van 1806 tot 1811 aan 15 Princes St, Cavendish Sq. te Londen. Op zijn visitekaartje – in de Banks Collection in het British Museum – met laatstgenoemde adres staat vermeld ‘Upholder and cabinet maker to HRH The Prince of Wales, draughtsman in Architecture, Perspective and Ornaments’. Als ervaren tekenaar droeg hij ontwerpen voor meubels bij aan Ackermanns tijdschrift Repository of Arts in januari en maart 1809. Bovendien verscheen zijn verzameling ontwerpen in A Collection of Ornamental Designs after the Antique in 1812. In 1826 noemt Smith zich nog steeds stoffeerder en meubelmaker voor Zijne Majesteit, hoewel hij toen directeur was van de tekenacademie, gevestigd aan 41 Brewer Street te Londen.
Het verworven exemplaar is afkomstig uit collectie van John Jacques Wedge. Volgens een inscriptie op het voorblad heeft hij het boek in 1853 ten geschenke gekregen van zijn oudoom Charles Wedge. Zie voor een verdere beschrijving de blog van juli 2020.

Der Thier- und Blumenzeichner, nach Ridinger und andern guten Meistern : nebst Anleitung zum Entwerfen, Zeichnen, Tuschen und Coloriren der Landschaften, auch praktischen Bemerkungen über das Zeichnen der Figuren ; mit 9 Kupfertafeln
Nürnberg : Bauer u. Raspe, 1825. 8 pagina‘s, 10 bladen met platen : illustraties ; 33 cm.
Dit anonieme voorbeeldboek bevat tien genummerde bladen met gravures van dieren en bloemen, hoewel de titel melding maakt van slechts negen afbeeldingen. De eerste zes platen hebben honden, voornamelijk windhonden, als onderwerp terwijl de volgende vier illustraties diverse bloemen afbeelden. In de titel worden de gravures aangemerkt ‘naar Ridinger en andere meesters’. Johann Elias Ridinger (1698-1767) behoorde tot de beroemdste Duitse graveurs van honden, paarden en jachtscenes. Kennelijk was de faam van Ridinger in 1825 nog zo groot dat zijn naam als een aanprijzing in de titel werd opgenomen. Het boekje is tevens een handleiding met beschrijvingen van de verschillende technieken voor het ontwerpen, tekenen met potlood en inkt en het inkleuren van landschappen. Een afzonderlijk hoofdstuk is gewijd aan het tekenen van personages.

Der vollkommene Juwelier : oder, fasslicher und vollständiger Unterricht über den Schnitt, das Gewicht und den wahren Werth der Diamanten und Perlen / mit Benutzung englischer Quellen herausgegeben von Joh. Gottlieb Beumenberger
Reeks: Neuer Schauplatz der Künste und Handwerke ; 32. Bd. Ilmenau : B.F. Voigt, 1828. vi, 98 pagina‘s, 10 ongenummerde bladen met gelithografeerde platen : illustraties ; 18 cm.
Johann Gottlieb Beumenberger was juwelier en handelaar in gouden en zilveren voorwerpen in Dresden in de eerste helft van de 19de eeuw. In dit boekje beschrijft hij de eigenschappen van edelstenen en parels om een goede beoordeling te kunnen maken bij de inkoop. Met name komen de kenmerken van ruwe diamanten om de kwaliteit te kunnen bepalen aan bod. De auteur Beumenberger behandelt uitvoerig de techniek van de bewerking van diamanten zoals het kloven en het slijpen. Ook gaat hij in op de eigenschappen en de waardebepaling van parels. De tien gelithografeerde afbeeldingen tonen de verschillende manieren waarop de edelstenen in facetten kunnen worden geslepen. Enkele in de tekst opgenomen tabellen geven de gewichten en de bijbehorende prijzen weer, evenals de kosten van het bewerken.

Königl. Sächs. Porzellan-Manufactur zu Meissen
[Dresden] : [Römmler und Jonas], ca. 1890-1900. 54 platen (lichtdruk) : illustraties ; 31 x 43 cm.
In 1710 werd de Königlich-Polnischen und Kurfürstlich-Sächsischen Porzellan-Manufaktur in Dresden opgericht door Frederik August, keurvorst van Sachsen, koning van Polen en grootvorst van Litouwen. In datzelfde jaar werd begonnen met de productie van porselein in Meissen. In 1806 ging de firma over in het bezit van de staat onder de naam Königlich-Sächsische Porzellan-Manufaktur Meissen, waar tot op heden luxe porseleinen objecten worden vervaardigd.
Deze catalogus uit ongeveer 1900 bevat 54 bladen met afbeeldingen van porseleinen voorwerpen, afgedrukt in lichtdruk. Deze catalogi verschenen met enige regelmaat ten behoeve van de detailhandel. De voorstellingen geven een goed beeld van de leverbare producten, variërend van voornamelijk figuratieve beeldjes, maar ook kaarsenkandelaars, vazen, schalen, schoorsteenklokken tot bokalen. De terugkeer van Duitse en buitenlandse koninklijke huizen naar hun hoogtijdagen in de tweede helft van de 19e eeuw werd weerspiegeld in een toename van het aantal bestellingen voor traditioneel Meissen sierporselein en serviezen in de stijl van de barok en rococo. Met de opkomst van de middenklasse zet het herstel van het bedrijf door. Deze ontwikkeling was echter niet bevorderlijk voor de innovatieve artistieke ontwikkeling van de fabriek. Verfraaiing van traditioneel porselein stond op de voorgrond en nieuwe creaties vallen veelal onder de noemer van het historisme. Deze catalogus geeft van deze ontwikkeling een treffend inzicht.
Deze luxe en in groot oblong formaat uitgevoerde productcatalogi zijn vrij zeldzaam. Na het verschijnen van een nieuwe uitgave werd het verouderde exemplaar meestal niet bewaard.

Kunsthandbücher / Max Laeuger ; hrsg. von der Amtsleitung der NS.-Kulturgemeinde e.V. Berlin
Pinneberg b. Hamburg : Beig, 1937-1938. 2 delen (1: XV [1], 117 [3] pagina’s; 2: XII, 118 [2] pagina’s) : Illustraties ; 35 cm.
Deel 1: Farbe und Form in der Bau- und Raumkunst mit Ausschnitten aus anderen Gebieten.
Deel 2: Grundsätzliches über Malerei, Städtebau, Gartenkunst und Reklame mit Ausschnitten aus anderen Gebieten.
Keramische kunst : mit 75 vierfarbenbildern und 77 einfarbigen wiedergaben / Max Laeuger
Pinneberg bei Hamburg : A. Beig, 1939. 159 pagina’s : inclusief opgeplakte illustraties ; 35 cm.
Met 2 essays: Laeugers Künstlertum / von Karl Albiker (1878-1961). pag. 9-15; Betrachtungen über keramische Kunst in Max Laeugers Werkstatt / von Eberhard Zschimmer (aus ʻSprechsaal’ 1928). pag. 17-21.
Max Laeuger (1864-1952) was een Duitse keramist, schilder en architect die bekendheid heeft verworven als wegbereider van de Art Nouveau kunstkeramiek. In1897 richtte hij het bedrijf Prof. Laeuger’sche Kunsttöpfereien op, als onderdeel van de Tonwerke Kandern. Tot 1914 zijn hier meer dan 1000 bouwkeramische ontwerpen gemaakt. In 1916 begon Laeuger zijn eigen keramiekatelier aan de Hoffstrasse in Karlsruhe waar hij tot 1944 ruim 5000 keramische unikaten vervaardigde. Van 1900 tot 1910 nam hij deel aan verschillende wereldtentoonstellingen. Laeuger behoorde tot de oprichters van de Deutsche Werkbund in 1907, een organisatie van architecten en ontwerpers. De leden streefden naar een verbetering van het kunstnijverheidsonderwijs en een kwaliteitsverhoging van de gebruiksartikelen door hechtere banden te smeden tussen kunstenaars en industrie. Later breidde zijn werkgebied zich uit tot stedenbouw, tuinontwerp en interieurinrichting. Van 1898 tot 1933 was hij verbonden als professor aan de Technische Hochschule Karlsruhe.

Vanuit de verschillende disciplines zijn deze drie studieboeken ontstaan. De opzet was om aan de hand van eigen oeuvre een reeks cursusboeken voor de kunstacademie samen te stellen. De reeks zou zes delen omvatten, waarvan er slechts drie zijn verschenen. De eerste twee boeken worden aangeduid als Kunsthandbücher. Het eerste deel richt zich op kleur en vormgeving in de bouwkunst en het interieurontwerp. Het tweede deel handelt over de grondbeginselen van de schilderkunst, tuinkunst, stedenbouw en reclamekunst. Opvallend zijn de talrijke bijlagen in de vorm van insteekfiguren en verschuifbare panelen, bedoeld om de afgebeelde werken pedagogisch te verduidelijken. Het laatste deel is geheel gewijd aan de keramiek van eigen ontwerp met meer dan 100 illustraties van beelden, terracotta‘s, tegels, vazen, mozaïek en bouwkeramische elementen waaronder zelfs bakstenen, afkomstig uit zijn werkplaats in Karlsruhe.

De boeken werden tussen 1937 en 1939 uitgegeven door de Amtsleitung der NS.-Kulturgemeinde e. V. Berlin, hoewel deze vermelding op het derde deel ontbreekt. Laeuger’s werk viel in de smaak tijdens het Derde Rijk aangezien Adolf Hitler hem in mei 1944 eerde met de belangrijkste culturele onderscheiding van de nationaal-socialisten, de Goethe-Medaille für Kunst und Wissenschaft.

