door Geert-Jan Koot
In Firenze : Stampato in Fiorenza appresso Lorenzo Torrentin impessor ducale, del mese di marzo l’anno MDL [1550]. 3 delen in 2 banden (vol. 1-2: 552 pag.; vol. 3: [553]-992, [44] pag.): illustraties ; 21 cm.
Giorgio Vasari (1511-1574) maakte niet alleen naam als schilder, maar was tevens actief als architect. Hij ontwierp de verbindingsgang, de Corridoio Vasariano, tussen het Palazzo Vecchio en Palazzo Pitti voor Cosimo I de’Medici in Florence. Zijn grootste bekendheid verkreeg hij echter met de publicatie van levensbeschrijvingen van de meest vooraanstaande bouwmeesters, schilders en beeldhouwers. De tweede, uitgebreide editie van dit werk uit 1568 behoort al langer tot de collectie van het Rijksmuseum. Het was een buitenkans om de zeldzame eerste uitgave te kunnen bemachtigen bij een Italiaanse antiquaar in Londen. Het boek is opgedragen aan Cosimo I de’Medici, de groothertog van Toscane van 1537 tot 1574. Bijzonder aan dit exemplaar is dat het ook een dedicatie bevat aan Julius III (1487-1555), die op 7 januari 1550 tot paus was gekozen. Op de keerzijde van het titelblad van het tweede deel is deze opdracht afgedrukt. Vermoedelijk bereikte Vasari en zijn drukker Torrentino het bericht over de keuze van Giovanni Maria del Monte als de nieuwe paus Julius III pas na het drukken van het eerste deel. Waarop aan een beperkt aantal exemplaren van het tweede deel deze opdracht is toegevoegd. De boeken met deze opdracht zijn naar alle waarschijnlijkheid aangeboden aan het pauselijke hof. Het leverde Vasari als ‘maestro di cappella’ de supervisie op over de bouw van de woning van de paus, Villa Giulia, van 1551-1553.

De status van Giorgio Vasari als de “father of art history” is gebaseerd op het feit dat dit boek wordt beschouwd als het vroegste kritische kunsthistorisch werk (The Dictionary of Art Historians). Vasari zelf zag het werk als een betoog voor goede kunst. Dit doet hij door de evolutie van de kunst na de middeleeuwen op te delen in drie periodes, analoog aan de drie biografische delen van het boek. Na de proemio (inleiding) met een uiteenzetting over de verschillende kunstvormen, behandelt hij de eerste periode de 14e eeuw die, met kunstenaars als Cimabue en Giotto, de hergeboorte van de kunsten markeerde, de primi lumi (eerste lichten) genaamd. De tweede periode, de augumento (ontwikkeling), werd gekenmerkt door groei en verbetering die zou resulteren in de perfezione (perfectionering), de derde en zijn eigen periode, waar Michelangelo centraal staat. Kunst had een geschiedenis en door een nieuwe geboorte, de rinascita, vestigde deze zich opnieuw als een nobele bezigheid die studie waard was. Vasari’s opdeling van de kunstgeschiedenis in periodes nam als paradigma de stadia van menselijke ontwikkeling als uitgangspunt.

Aangezien de perkamenten boekbanden dateren uit het begin van de 19de eeuw, is de vroegere herkomst niet te reconstrueren. Desondanks zijn drie eerdere eigenaren aan de hand van ingeplakte etiketten te benoemen:
- Pietro Agnelli, Milaan (etiket van de boekhandelaar Agnelli uit de 19de eeuw);
- Pietro Toesca (1877-1962), de Italiaanse kunsthistoricus, leerling van Adolfo Venturi en leraar van Roberto Longhi en Federico Zeri (ex libris en notitie van aankoop “Compr. £. 2.200 Roma 27.X.24. P. Toesca”;
- C.E. Rappaport Libreria Antiquaria, Roma” (etiket van het antiquariaat Rappaport).
Dit exemplaar werd aangeboden maar niet verkocht op de veiling van Minerva Auctions te Rome op 4 juni 2015 (auction 116 ) als lot 656.
Zie ook de blog met de aanwinst van de maand maart 2021.
Aankoop met steun van het Fonds Wim Vehmeijer / Rijksmuseum Fonds

Drie gidsen van de Goudse glazen uit de bibliotheek van Dr. Gerard J. Jaspers (1932-2020)
Uitlegginge van de wijd-beroemde en vermaarde glazen, binnen de voortreffelijke en vermaarde Kerk tot Gouda … vermeerdert met veele schoone zinrijke veerzen … nevens een verhaal van den brand derzelver Kerk in den jaare 1552
Tot Gouda: Gedrukt bij Andries Endenburg, stads drukker op de Markt, in de Chronyk, 1723. 52 ongenummerde pagina’s ; 16 cm.
Uitlegginge van de wyd-beroemde en vermaarde glazen, binnen de voortreffelyke en vermaarde St. Jans Kerk te Gouda. : Tot dienst en gerief, zoo voor de inwoonders deezer stad, als voor de vreemdelingen die dit konstig werk komen te aanschouwen. : Vermeerdert met veele schoone zinryke veerzen, opgestelt door voornaame auteurs; en een gezang op aller glazen inhoud; nevens een verhaal van den brand derzelver kerk, in den jaare 1552
Te Gouda : by Johannes van der Klos …, 1773. 52 ongenummerde pagina’s ; 16 cm.
Beschreibung der weltberühmten und künstlich gemahlten Gläsern in der St. Johannis Kirche zu Gouda
Gouda : Wouter Verblaauw, 1814. 4e Aufl. 36 p. : gegraveerd titelblad ; 15 cm.

Deze drie vroege gidsen met uitleg over de voorstellingen op de gebrandschilderde ramen van de grote kerk te Gouda werden aangekocht uit de bibliotheek van Gerard J. Jaspers. De germanist en literatuurhistoricus Jaspers was verbonden aan de vakgroep middeleeuwse taal- en literatuurwetenschap van de Vrije Universiteit te Amsterdam. Zijn omvangrijke ‘Bibliotheca Jaspersiana Silvaltera’ met een accent op populaire en religieuze middeleeuwse werken, werd na zijn overlijden geveild bij Bubb Kuyper in Haarlem.

De gebrandschilderde glas-in-loodramen van de St.-Janskerk in Gouda worden de Goudse glazen genoemd. Van de 72 ramen dateren 69 ramen uit de 16de eeuw, geschilderd door beroemde glasschilders uit die tijd, zoals de gebroeders Dirck en Wouter Crabeth. Het behoud van deze ramen is opmerkelijk aangezien een groot deel van de vroege glasramen in Nederlandse kerken zijn verwoest tijdens de beeldenstorm van 1566. In 1552 vond er een brand plaats in de Sint-Janskerk, waarop de gehele kerk werd voorzien van nieuwe gebrandschilderde ramen. Sommige glazen hoog in het koor zijn hersteld, en andere vernieuwd tussen 1552 en 1572. Bovendien zijn de ontwerpen op ware grootte, de zogenaamde cartons, bewaard gebleven. De oudste ramen zijn de dertien Apostelglazen (ca. 1350-1540 en 1554-1556). De ramen die dateren uit de periode 1555 tot 1572, toen de kerk nog rooms-katholiek was, werden grotendeels door de gebroeders Crabeth gemaakt. Dertien wapenglazen zijn aan de kerk geschonken door de stad Gouda in 1593 en1594. Ook nadat de kerk protestants geworden was, is het kerkbestuur twintig jaar later nog doorgegaan met het glazenproject. Tussen 1594 en 1603 werden negen nieuwe glazen vervaardigd.

Al in de 17de eeuw trokken de ramen bewonderaars. Het oudste bekende glazengidsje dateert uit 1681. Hiermee was de basis gelegd voor ruim 40 soortgelijke gidsen tot 1880 waaraan Goudse drukkers vermoedelijk goed verdienden. In de drie verworven gidsen uit de 18de en de 19de eeuw worden de voorstellingen op de belangrijkste ramen kort beschreven. De twee Nederlandstalige boekjes uit respectievelijk 1723 en 1773 zijn herdrukken van de uitgave uit 1699. De uitgave door Andries Endenburg uit 1723 was nog niet bekend. De inhoud van de gidsen bleef jaren lang vrijwel onveranderd. Na het octrooi en de opdracht aan de kerkmeesters en burgemeesters van Gouda volgt een beknopte beschrijving van 31 ramen en een verslag van de kerkbrand in 1552. Het stadsbestuur verleende het octrooi voor het glazengidsje voor een periode van enkele jaren aan een drukker. Pas in 1819 werd de tekst uitgebreid en meer eigentijds in de uitgave De Goudsche glazen, of Geschilderde kerk-glazen der groote of Sint-Jans-kerk van der Goude; alsmede de Goudsche schilders en glas-schilderkunst door de Goudse stadsgeschiedschrijver Cornelis Johan de Lange van Wijngaerden. De eerste glazengids met spaarzame illustraties verschijnt in 1853: De Goudsche glazen, of beschrijving der beroemde geschilderde kerkglazen van de Groote of St. Janskerk ter Goude, benevens de geschiedenis der St. Janskerk, der glazen, der cartonteekeningen enz. waarbij is gevoegd een afzonderlijk levensbericht der beroemde glasschilders, de gebroeders Dirk en Wouter Crabeth door Christiaan Kramm. Tegenwoordig zijn alle glazen met de bijbehorende cartons op internet te bekijken.

(rijksmonument 16722 ) (CC BY RKD 0001688583)
Een engel verschijnt aan de hogepriester Zacharias tijdens diens offerande in de tempel en kondigt hem de geboorte van een zoon, Johannes de Doper, aan.

“Het is gegeven bij Dirk Corneliszoon van Oudewater den 30 october 1561. Wiens beeld, benevens zijn huisvrouw en vijftien kinderen, waar van twee zoonen en twee dogters geestelijk zijn geweest, in haare habijten, onder de historie staan”.
Dirck Cornelisz. van Hensbeeck (geboren in Oudewater ca.1502/1508 – 1569) was burgemeester van Gouda.

(CC BY-SA 3.0 nl)
Vanaf de 18de eeuw bezochten steeds meer buitenlanders de kerk waarvoor gidsjes in het Engels, Frans en Duits werden gedrukt. Pas in 1814 drukte Johannes Verblaauw de eerste Duitse gids met de titel Beschreibung der Weltberühmten und künstlich Gemahlten Gläsern in der St. Johannis Kirche zu Gouda waarin 29 glazen worden besproken. Hoewel het titelblad de vierde druk vermeldt zijn geen eerdere Duitse edities bekend.
(Bron: Paul H.A.M. Abels, ‘Goudse glazenuitleggers van papier”, in; Goudana, pag. 15-19)

Bresslau und Leipzig : Bey Daniel Pietsch, Buchhändl, 1746. 5. Ed. 160, 38 pagina‘s : illustraties (4 gravures) ; 18 cm.
Anhang (addendum) van 38 pagina’s ontbreekt.
In één band met: Kurze und auf Erfahrung gegründete Anweisung zum Lackiren aufgesetzt / von Johann Friedrich Müller
Frankfurt an der Oder : In Kleybens Verlag, 1754.
Dit recepturentraktaat uit 1746 is samengebonden met een ander receptenboekje uit 1754. Beide boeken gaan over de samenstelling en de toepassing van verfstoffen en vernis. Het boekje bevat de vijfde oplage van de Duitse vertaling van het oorspronkelijk in 1720 in Rome uitgegeven werk. De auteur, Pater Bonani, is de jezuiet Philippo Bonanni of Buonanni (1638-1735). Bonanni schreef onder meer over de ingrediënten die ambachtslieden in China gebruikten om lak te maken voor toepassingen op porselein, een populair importartikel voor Europa in die tijd. Net als andere onderzoekers experimenteerde hij met verschillende recepten om deze lak voor porselein en meubels na te maken en te verbeteren. In 1720 publiceerde Bonanni de resultaten van zijn studies in Trattato sopra la vernice detta communemente cinese (fotomechanische heruitgave 1994) dat in zeven Italiaanse edities is verschenen en vertaald in vier talen. Het Rijksmuseum bezit de eerste Franse uitgave uit 1723, de Nederlands bewerking uit 1742 en deze vijfde Duitse editie (1ste editie 1727). De Spaanse variant uit 1735 vermeldt niet de naam van Bonanni maar alleen van de vertaler Genaro Cantelli. Door al deze uitgaven kreeg de tekst een enorme verspreiding en vonden de beschreven technieken veel toepassingen op het gebied van decoratieve kunsten en met name de decoratie van meubels in de 18de eeuw. Het werk beschrijft in detail de verschillende soorten lak die op dat moment bekend waren, evenals de ingrediënten, de bereiding, het gebruik en het bakken van verf. De vier illustraties naar de oorspronkelijke prenten in de Italiaanse uitgave door de graveur J.J. Rembold laten verschillende verfbehandelingen zien.


Op het titelblad staat in grote rood gedrukte letters vermeld dat wordt ingegaan op de toepassing van het gom Gummi Copal en het hars Bernstein. Gummi Copal is een natuurlijk harsachtig materiaal van plant Bursera bipinnata. Het wordt nog steeds gebruikt als grondstof voor vernis omdat het een glanzende laag oplevert met goede weersbestendige eigenschappen. De gom wordt ook gebruikt als pigmentbinder in vernissen vanwege de uitstekende bindingseigenschappen. Bovendien vindt het toepassingen als emulgator en stabilisator voor de productie van kleurstoffen, verven, drukinkten, aromatische emulsies en vleesconserveringsmiddelen. Interessant is dat Gummi Copal ook werd gebruikt als medicijn voor verschillende aandoeningen, zoals bij de behandeling van brandwonden, hoofdpijn, bloedneuzen, koorts, buikpijn en bij de bereiding van tandheelkundige producten en als remedie tegen losse tanden en dysenterie.
In 2009 publiceerde het J. Paul Getty Museum de Engelse vertaling met een korte inleiding: Techniques of Chinese lacquer : the classic eighteenth-century treatise on Asian varnish / Filippo Bonanni; transl. and introd. by Flavia Perugini. Los Angeles, 2009.

Frankfurt an der Oder : In Kleybens Verlag, 1754. 66 pagina’s ; 18 cm.
In één band met: Neuer Tractat von Firniss- Laquir- und Mahler-Künsten / mit einem Anhange ans Licht gestellet von J.J.R.
Bresslau und Leipzig : Bey Daniel Pietsch, Buchhändl, 1746.
De betekenis van het Duitse ‘Lackiren’ of ‘lackieren’ is verven, schilderen, kleuren, lakken of vernissen. Johann Friedrich Müller beschrijft in twaalf hoofdstukken de grondbeginselen van het vervaardigen van verf, vernis, grondering in goud en zilver, polijsten en toepassingen van het aanbrengen van pigmenten op onder meer metalen en steensoorten. Müller besteedt veel aandacht aan de bereiding van voorkomende pigmenten. Een uitvoerig register van vier pagina’s sluit het traktaat af.
Een tweede uitgebreide editie met 80 pagina’s verscheen twee jaar later in 1756. Dit is het enige bekende exemplaar van de eerste uitgave. Over de auteur zijn geen gegevens bekend.

Leipzig und Nordhausen, Verlegts Johann August Cöler, privilegirter Buchhändler zu Ellrich 1755. Zweyte und vermehrte Auflage. 108 pagina‘s, [2] bladen ; 17 cm.
Deze anonieme handleiding voor ‘Lacquir-Kunst’ omvat het hele spectrum van verven, schilderen, kleuren, lakken en vernissen. Het boek vangt aan met de beschrijving van de vervaardiging en het aanbrengen van vernis en het opbrengen van verschillende kleurstoffen op diverse soorten ondergrond zoals hout, diverse metalen, glas en ivoor. Het bevat veel recepten voor verf waaronder ultramarijn en Japanse zwarte lak, en oplosmiddelen als spiritu vini. Ook het polijsten van het oppervlak komen aan bod. Het boekje sluit af met een register van vier ongenummerde pagina’s.
Dit exemplaar is afkomstig uit de bibliotheek van John Barnard Pearse (1842-1914) uit Roxbury, Massachusetts. Pearse had naam gemaakt als metaalkundige met de ontwikkeling van een methode voor massaproductie van ruwijzer uit de mijnen van Pennsylvania en New Jersey. Ruwijzer is het materiaal dat ontstaat na de eerste fase bij het omzetten van ijzererts in ijzer. Vanaf 1870 was Pearse directeur van de Pennsylvania Steel Works en later van de South Boston Iron Works. De veiling van zijn bibliotheek van 30.000 boeken vanaf 22 november 1916 in Boston nam zes zittingen in beslag.

Paris : A.A. Renouard, an X (1802). 48 pagina’s : illustraties (28 kopergravures waarvan 6 vouwbladen) ; 27 cm.
Francis Grose (1731-1791) was een Engelse antiquair, tekenaar en lexicograaf. Als “Captain Grose” kreeg hij een goede reputatie in het leger, maar zijn passie ging uit naar de tekenkunst. Ondanks het volgen van tekenlessen ontwikkelde hij zich niet tot een getalenteerd tekenaar. Desondanks exposeerde hij bij de Society of Artists in 1767 en daarna in de Royal Academy. Zijn interesse lag op het gebied van middeleeuwse overblijfselen. Tussen 1772 en 1783 publiceerde hij vier delen en een supplement van The Antiquities of England and Wales, geschreven voor een breed publiek. Daarna startte hij met The Antiquities of Scotland. Bovendien schreef Grose satirische essays en boeken over militaire oudheden en bepantsering, zoals A treatise on ancient armour and weapons illustrated by plates taken from the original armour in the Tower of London and other arsenals, museums and cabinets.

Voor de geschiedenis van de esthetiek is zijn verhandeling Rules for Drawing Caricatures uit 1788 van belang. Hierin beweert Grose dat esthetische emoties voortkomen uit een specifieke “culturele” omgeving, en dat esthetiek aangeboren noch universeel is, maar wordt gevormd door de culturele context. Grose claimt daarom te worden beschouwd als de eerste kritische ‘esthetische regionalistische theoreticus’ die de anti-universaliteit van de esthetiek verkondigt. Het essay werd vanaf 1791 opgenomen in het invloedrijke boek The analysis of beauty door William Hogarth (1697-1764). Het idee achter The Analysis of Beauty was de beeldende kunst te bevrijden van de beperkingen van de modieuze smaak door een universele reeks esthetische principes te ontwikkelen die op elk type werk kond worden toegepast.

Rules for Drawing Caricatures werd in 1802 uitgegeven in deze Franse vertaling Principes de caricatures door Antoine-Augustin Renouard (1765-1853) in een kleine oplage van 200 exemplaren met prenten gegraveerd door Johann Gottfried Grohmann (1763-1805). De eerdere Duitse editie uit 1800 bevat ook het frontispiece en dezelfde 28 prenten gegraveerd door Grohmann naar ontwerpen van Francis Grose en de caricaturist George Moutard Woodward (1765–1809). Deze prenten zijn dus in de Franse uitgave overgenomen.
In dit exemplaar is het ex libris geplakt van de verzamelaar Christian Hammer (1818-1905), voorstellende een gevleugelde vrouw met hamer in de hand, gezeten in een ornamentele koets getrokken door vier paarden. Daarbij de tekst: ‘Bibl. Hammer Stockholm’ en het devies van Hammer: En avant, toujours en avant!

Halle a. S. : Wilhelm Knapp, 1887. VI, 94 pagina‘s ; 24 cm.
Het meegebonden tweede deel uit 1888 heeft een eigen, afwijkende titel:
Halle a. S. : Wilhelm Knapp, 1888. VI, 116 pagina’s, 15 illustraties ; 24 cm.
De auteur van deze boeken, Joseph Lemling (1825-1894), was een Duitse fotograaf en pionier op het gebied van fototechnologie, en auteur van talrijke gespecialiseerde publicaties over fototechniek en praktische toepassingen. In 1846 ontwikkelde hij het eerste fotografische positieve proces met gejodeerd zilverpapier. Als gerenommeerd fotograaf probeerde hij volgens eigen zeggen ‘het intellectuele en artistieke niveau te verhogen van een beroep dat een puur ambacht is geworden’.
Lemling publiceerde zijn ontdekkingen en ervaringen op het gebied van fotografische processen in boeken en artikelen, waaronder deze tweedelige uitgave. Centraal staan de betekenis en de invloed die de optica en de fotochemie kunnen uitoefenen op verschillende takken van kunst en industrie, waarmee kunstenaars en ambachtslieden hun voordeel kunnen doen. Met name de herleving van de productie van steengoed en kunstaardewerk komt aan bod. Vervolgens geeft Lemling inzicht in de oorzaken van dit verval en de middelen om deze kunstuitingen nieuw leven in te blazen. Hoewel de fotografie pas 40 jaar oud was, zijn tal van afgeleide technieken ontwikkeld waaronder de overdracht van voorstellingen en patronen op andere materialen met toepassing van fotochemische processen. Zo behandelt hij de technieken voor de vervaardiging van kleurenfoto’s in email. De auteur bespreekt verder het belang van fotochemie voor patroontekeningen, evenals het proces om tekeningen te ontlenen aan foto’s die waardevol zijn voor artistieke toepassingen zoals de kunstdruk door middel van steen- en zinkdruk. Ook besteedt hij aandacht aan de toepassing van fotografie in de vorm van decoraties op glas en het graveren in glas met door hem uitgevonden methoden. Tenslotte waagt Lemling zich aan bespiegelingen over de verleden, het heden en de toekomst van de bedrijfstak van steengoed en aardewerk. Een bespreking van het eerste deel van het boek verscheen in 1887 in Archiv der Pharmazie (deel 225, # 23. Pag. 1079).
In het tweede deel behandelt Lemling in 28 hoofdstukken zijn ervaringen met ontwikkeltechnieken en het gebruik van fotografisch papier toegepast op de snapshot, het maken van vergrotingen en de landschapsfotografie. Ook in dit deel veel aandacht voor optiek, afdruktechnieken en chemische processen, geïllustreerd met 15 afbeeldingen in de tekst.

Berlin : L. Schottlaender & Co., ©1924. 50 pagina’s : 59 illustraties ; 24 cm.
Titelblad met stempel van Höheren Fachschule für Textilindustrie, Zittau, en een handgeschreven opdracht van de directeur.
Georg Piek-Patrik (1871-1958) was de eigenaar van een textielfabriekje in Berlijn. Volgens een advertentie in deel 36 van het Deutsches Bühnen-Jahrbuch uit 1925 specialiseerde Piek zich in complete theateropstellingen, beschilderde toneelontwerpen, toneeltapijten, bekledingsstoffen, kledingtextiel, en toneelkostuums. Hij breidde uit met verffabrieken, een naaikamer, een weverij en een drukpers. Na de eerste wereldoorlog trouwde hij met danseres, actrice, model en levend standbeeld Olga Desmond (1890-1964). Olga leidde een dansschool aan de Kurfürstendamm genaamd “Hochschule für Rhythmische Art”. De rassenwetten van Neurenberg in 1935 ontnamen joden alle burgerrechten, waarop Olga het bedrijf in theaterdecoraties van haar joodse man voortzette. Georg Piek werkte tot 1939 in Parijs en werd in 1942 naar het concentratiekamp Bergen-Belsen overgebracht. Hij ontsnapte en werd in 1944 naar de Coswig-gevangenis gestuurd. In 1945 wist hij naar Frankfurt am Main te vluchten. Piek emigreerde in 1952 naar de Verenigde Staten, keerde terug en stierf in 1958 in een bejaardentehuis in Köppern. Olga Desmond werkte na de oorlog als schoonmaakster in Oost-Berlijn en verdiende bij met de verkoop van foto’s, ansichtkaarten en memorabilia uit haar verleden. Zij overleed anoniem en vergeten in 1964.

Dit boek Rhythmische Musterkunst der Natur wordt vergeleken met Kunstformen der Natur van Ernst Haeckel als een „zeitgenössische kunstgewerbliche Annäherung“. Zowel Haeckel als Piek lieten zich inspireren door geheel nieuwe vormen ontleend aan de natuur. Thomas Keil beschreef het boek als een omvangrijk spectrum van anatomische patronen, voorgesteld in 59 illustraties op 50 pagina’s: bot- en longdoorsnedes als ontwerpsjablonen voor muurschilderingen en behang, afbeeldingen van vloeiend kristal voor tapijten en meubelbekleding, microscopische opnames van lichaamscellen als motieven voor wandbekleding en spiegels, kristalvormen als patronen voor kussens, etc. (“In 59 Abbildungen auf 50 Seiten wird ein ganzes anatomisches Musterspektrum vorgeführt: Knochen- und Lungenschnitte als Designvorlagen für Wandbemalung und Tapeten, Aufnahmen von flüssigem Kristall für Teppich und Sofadecke, Geschmacks- und Gehörzellen als Motive für Wandbespannungen und Spiegel, Kristalle als Kissenmuster u.a.” – Thomas Keil, Alfred Döblins “Unser Dasein“, pag. 74).
Piek hield zich bezig met het gebruik van nieuwe wetenschappelijke ontwikkelingen om op andere manieren vernieuwende patronen te genereren. Hij ontwikkelde bijvoorbeeld een methode om patronen te creëren op elk soort weefsel door kunstmatige straling, bijvoorbeeld door kathodestralen en röntgenstralen. De stralingseffecten kunnen worden beïnvloed door gekleurde dampen. Door bijtende of andere stoffen toe te voegen die de straling onderbreken, verschijnen verschillende patronen (Chemisches Zentralblatt 1923, deel 2, pag. 529). Mogelijk is de keuze voor wetenschappelijke experimenten en organische bronnen zoals straling en menselijke cellen als inspiratiebronnen, de reden voor de keuze van Fritz Kahn als mede auteur.

De bewerker van dit boek Fritz Kahn (1888-1968) was een joodse arts en auteur van populair-wetenschappelijke boeken. Sinds 1922 was Fritz Kahn zeer succesvol als schrijver en zijn werken verschenen in veel talen. Later werden zijn boeken in het openbaar verbrand door de nazi’s. In 1938, kort na de Reichskristallnacht, werden Kahns boeken op de zwarte lijst van boeken van de nazi’s, de “Lijst van schadelijke en ongewenste geschriften” (Liste des schädlichen und unerwünschten Schrifttums) geplaatst. Dit is wellicht de reden dat slechts weinig exemplaren van dit boek zijn overgeleverd. Soms zijn de auteursnamen op de omslag en het titelblad onleesbaar gemaakt.