door Geert-Jan Koot
Antverpiae, Ex Officina Plantiniana. Apud Ioannem Moretum, 1600. [12] bladen, 453 pagina’s, [1] blad ; 15 cm.

Itinerario d’Italia / di Francesco Scotto
Roma : a spese di Fausto Amidei Mercante di Libri al Corso, MDCCXLVII (1747). 3 delen in 1 band, [193] bladen met platen : kaarten, plattegronden ; 16 cm.
Nuova edizione abbellito di rami, accresciuto, ordinato, ed emendato, ove si descrivono tutte le principali città d’Italia, e luoghi celebri, con le loro origini, antichità, e monumenti singolari, che nelle medisme si ammirano.
In 1600 verscheen het werk Itinerarium Italiae, Rerumque Romanarum lib. III ex priscis novisque Scriptoribus geschreven door de rechtsgeleerde en burgemeester van Antwerpen Franciscus Schottus (Franz Schott, 1548-1622). Hij schreef deze ongeïllustreerde gids over Rome voor pelgrims die in het rooms-katholieke heilige jaar de eeuwige stad wilden bezoeken. Het is een mengeling van geschiedkundige, geografische en topografische kennis aangevuld met reisinstructies en gedichten. Schottus verwerkte de informatie van zijn broer Andreas (André Schott, 1552-1629) die als Jezuiet enige tijd in Italië had gewoond.
De Italiaanse Itinerario d’Italia uit 1747 is een vertaling en bewerking van de Latijnse gids die bijna 150 jaar eerder verscheen. Het spectrum van de oorspronkelijke uitgave is verbreed met beschrijvingen van monumenten, religieuze plaatsen en de geschiedenis van de klassieke oudheid. Naast deze vroege gids over vooral het noorden van Italië schreef Franciscus Schottus ook andere gidsen, onder meer voor reizigers in Duitsland en Spanje.

In de Italiaanse uitgave van 1747 gaat Schottus uitgebreid in op de geschiedenis van het land, de klassieke oudheid, en beschrijft de belangrijkste steden en de heiligdommen en monumenten. Het is interessant om te ontdekken op welke wijze Italië en de oudheid werden ervaren en wat men aan kennis had verzameld en wat belangrijk werd geacht om in deze verhandeling op te nemen. Om het boekje als reisgids te kunnen gebruiken zijn veel kaarten en plattegronden opgenomen waaruit de toenmalige inrichting van het land en de steden kan worden gereconstrueerd. Het boek was populair aangezien tot 1650 acht edities verschenen in het Latijn en het Italiaans en twee in het Frans. In 1660 werd de enige Engelse editie uitgebracht door Edmund Warcupp. Tot 1750 verschenen tenminste dertig vertalingen en herdrukken waarvan sommige met de naam van Andreas als auteur. Vooral de opeenvolgende Italiaanse edities werden telkens aangevuld en vernieuwd met actuele prenten, landkaarten en plattegronden.
Beide uitgaven uit 1600 en 1747 werden geschonken aan het Rijksmuseum door de erven I.Q. van Regteren Altena

t’Amstelredam : by Johannes van Ravesteyn, boeckverkooper en ordinaris drucker deser stede, 1662. Den 4den druck / door den autheur meer als een derdendeel vermeerdert, en verbetert. [14], 622, [22] pagina’s ; 17 cm.
De auteur Johan van Heemskerk (1597-1656) was advocaat in Den Haag en Amsterdam, schepen van Amsterdam en uiteindelijk lid van de Hoge Raad van Holland. Hij schreef een aantal gedichten en treurspelen. De vertelling volgt het stramien van een arcadia, een liefdesverhaal met herders en herderinnen als personages. In het boek wisselen liedjes en gedichten elkaar af met informatieve vertellingen over de geschiedenis van het gewest Holland. Het verhaal gaat over een groepje verliefde Haagse vrienden en vriendinnen die een uitstapje maken. In de ochtend gaan ze van Den Haag over Den Deyl naar de buitenplaats Rijnvliet, ’s middags over Valkenburg naar Katwijk en in de avond over Wassenaar terug naar Den Haag. De hoofdpersonen hebben namen als Rosemond, Reynhert en Woutheer. Het personage Reynhert beeldt Johan van Heemskerck zelf uit. Hij is smoorverliefd op Rosemond, die voorlopig niet toegeeft aan haar aanbidder, waarop Reynhert haar als onbereikbare vrouw het hof maakt. Aan de emoties die daarbij horen besteedt Van Heemskerck veel aandacht in dialogen, liedjes en gedichten, afgewisseld met natuurbeschrijvingen die tamelijk uitzonderlijk zijn voor de Nederlandse literatuur van de zeventiende eeuw. Van Heemskerck beschrijft een herkenbaar Hollands landschap met vruchtbare kleigebieden, dorre duinen en een glad strand.
Het boekje was een succes en vele herdrukken volgden. Doordat Van Heemskerck lange teksten met informatie en Latijnse voetnoten inlaste werden de opeenvolgende edities telkens verder uitgebreid. Voorbeelden van aanvullingen zijn de uiteenzettingen over de Bataafse voorouders van de zeventiende-eeuwers, de kwestie van de vrije zee en het ongewenste gebruik van de pijnbank in het Nederlandse rechtssysteem. Het verhaal leed onder die toevoegingen want de verhoudingen raakten zoek. De stof werd te omvangrijk voor een reisje van één dag. Het werk verscheen oorspronkelijk anoniem in 1637 met als titel Inleydinghe tot het ontwerp van een Batavische Arcadia. De eerste uitgave onder de nieuwe titel Batavische Arcadia, waer in, onder ’t Loofwerck van Liefkooserye, gehandelt werdt, van den oorspronck van ’t oudt Batavien verscheen in 1647. Dit is de vierde en aanzienlijk vermeerderde editie. Het Rijksmuseum bezit eveneens de geïllustreerde achtste editie uit 1765. Deze uitgave bevat prenten door A. van Laanen en een titelprent naar I. Onkruyt. Deze prenten komen het eerst voor in de uitgave van 1729.
Schenking Erven I.Q. van Regteren Altena

Secrets concernant les arts et métiers
A Bruxelles : Par la Compagnie, MDCCLV [1755]. Nouvelle edition, revue, corrigée et considérablement augmentée.
Tome Premier : xxxvj, 411 pag. ; 17 cm.
In 2019 kocht het Rijksmuseum het tweede deel van dit werk Secrets concernant les arts et métiers, met de titel Le teinture parfait, verschenen in 1758. Het was een populair secreetboek of boek van geheimen met betrekking tot de kunsten en ambachten. Het tweede deel is geheel gewijd aan het verven van textiele stoffen, terwijl het eerste deel technieken voor de beeldende kunsten behandelt evenals huishoudelijke recepten voor de bereiding van drank en etenswaar. De auteur is onbekend.
Dit eerste deel Secrets concernant les arts et métiers is ingedeeld in negentien hoofdstukken. Na een korte algemene verhandeling komen de geheimen van het graveren en het etsen aan bod, gevolgd door hoofdstukken over onder meer metaalbewerking, vernis, glas, edelstenen, het aanbrengen van kleuren op schilderijen, vergulden, het verven van hout, het gieten van bronzen beelden en het maken van inkt. Vanaf hoofdstuk elf worden huishoudelijke recepten behandeld als het bereiden van wijn en distellaten, azijn, confiture, siroop en tabak. Ook gaat de auteur in op het verwijderen van vlekken, een onderwerp dat in secreetboeken vrijwel altijd voorkomt. Hij besluit met een hoofdstuk over de beste technieken voor de visvangst.
De eerste uitgave van dit secreetboek verscheen in 1716 in Parijs. Het boek is gedurende ruim honderd jaar diverse malen uitgegeven in Parijs en in Brussel, vaak met aanvullingen en uitbreidingen zoals nieuwe recepten in deze uitgave van 1755 waardoor elke editie uniek is. Afgezien van enkele moderne herdrukken, verscheen de laatste Franse editie in 1819 in Lyon. Ook zijn vanaf 1775 zeker vijf Engelse vertalingen uitgegeven. Het Rijksmuseum bezit ook een uitgave van 1778 uit Dublin, Valuable secrets concerning arts and trades ….

Firenze : Carli, 1809. XXXII, 96, 59 pag. ; 21 cm.
Roland Freart Sieur de Chambray (1606-1676) was een Franse architectuur- en kunsttheoreticus. Na zijn studie van de proporties van de gebouwen uit de klassieke oudheid in Rome publiceerde hij Parallèle de l’architecture antique et de la moderne over de superioriteit van de Griekse en Romeinse kunst tegenover die van de moderne tijd. Fréart vertaalde en publiceerde in 1651 Leonardo da Vinci’s Trattato delle pittura in het Frans. In zijn traktaat, Idée de la perfection de la peinture uit 1662, geeft hij zijn opvattingen over schilderkunst weer. Fréart benadrukte het primaat van het tekenen en het lineair perspectief boven kleur in de schilderkunst, en het intellectuele boven het sensuele en visuele. Hij beschouwde de schilderijen van Raphael en Poussin als de verwezenlijking van het klassieke ideaal; en was niet alleen kritisch ten aanzien van Rubens, Caravaggio, Tintoretto en Veronese maar ook ten aanzien van Michelangelo, vanwege zijn extravagante en grillige compositie. Reeds in 1668 verscheen de Engelse vertaling door John Evelyn.
Deze eerste Italiaanse editie uit 1809 in de vertaling van Antonio Maria Salvini (1653-1729) is gepubliceerd in opdracht van de presbyter, historicus en bibliofiel Domenico Moreni (1763–1835) uit Florence. Aan de verhandeling van Fréart is een tractaat toegevoegd door de architect en schrijver Onofrio Boni (1743-1818) met de titel Dissertazione apologetica in fine di Michelangelo Buonarotti. Hierin onderzoekt Boni de esthetisch-morele regels gecodificeerd door Fréart, en bestrijdt hij hun geldigheid. Hij wijst op hun grenzen, die in strijd zijn met de creatieve vrijheid en het “sublieme” van Michelangelo’s kunst.

’s Gravenhage : J. Immerzeel, junior, 1831. 154 pag. ; 23 cm.
Guinea is de traditionele naam voor het deel van West-Afrika dat langs de Golf van Guinee ligt. Guinea was het eerste Afrikaanse gebied ten zuiden van de Sahara van waaruit met Europa gehandeld werd. De belangrijkste producten waren ivoor en goud en er was slavenhandel. Hoewel de Europeanen hier nederzettingen hadden, bewaarde het gebied tot het eind van de 19e eeuw een grote mate van onafhankelijkheid. Door de handel waren de landen relatief rijk en in staat om lang tegenwicht te bieden aan Europese aspiraties.
De auteur Frederik Willem Fennekol (1761-1837) was geboren in Guinea als de zoon van Johan Christiaan Fennekol, ambtenaar bij de West-Indische Companie (WIC) en Eriba Maij, een Afrikaanse vrouw. Als jurist volgde hij een politieke loopbaan en adviseerde hij de Nederlandse regering over de handel met Oost-Indië. Ook was hij enkele jaren archivaris van het Ministerie van Koloniën. In dit anoniem gepubliceerde boek zet de inmiddels gepensioneerde Fennekol een plan uiteen voor de oprichting van een Nederlandse nederzetting in Guinee, Ghana, om de kolonie na de afschaffing van de slavenhandel weer winstgevend te maken. De Nederlandse Trans-Atlantische slavenhandel was in juni 1814 door koning Willem I bij Souverein Besluit afgeschaft. Tevens onderzoekt Fennekol de mogelijkheid om hier nieuwe nederzettingen te vestigen. Fennekol bespreekt het minimale aantal inwoners, de verdediging tegen andere machten, de grondgesteldheid, de teelt en handel in tabak, Malaguette peper en andere specerijen als kaneel en kruidnagel, maar ook ivoor, en het voortreffelijke limoensap, honing en palmolie worden geroemd als handelsproducten. Ghana werd in 1872 door de Nederlanders aan de Engelsen verkocht. Het voorbericht van deze studie is geschreven en gesigneerd door Johannes Immerzeel (1776-1841) die het boek ook heeft uitgegeven.
Schenking Norbert van den Berg

Amsterdam : Weijtingh & van der Haart, 1855. 2 delen (dl. I. – XVI, 251 pag. – dl. II. – XIV, 208 pag.) : illustraties ; 24 cm.
Brodie Cruickshank publiceerde in 1853 zijn kennis over de Goudkust van Afrika na een verblijf van achttien jaar als Britse gezant. Cruickshank diende in dit gebied van 1834 tot 1854 en was lid van de eerste Wetgevende Raad van de Goudkust, evenals de eerste Collector-Generaal van de Britse kolonie. De Goudkust is het kustgebied van het huidige Ghana, aan de Baai van Benin, waar vroeger veel Europese forten zijn gebouwd om tot slaaf gemaakten weg te voeren. De West-Indische Compagnie (WIC) heeft vele forten weten te veroveren op Portugal. De belangrijkste forten waren in Elmina en Accra. Ook Engeland bezat handelsposten voor de slavenhandel. In 1848 krijgt Cruickshank van de Britse regering de opdracht om koning Ghezo van Dahomey, het huidige Benin, ertoe te bewegen om zijn deelname in de slavenhandel te beëindigen in ruil voor een jaarlijkse toelage. Een onmogelijke opdracht aangezien de winsten uit de slavenhandel aanzienlijk hoger lager dan de voorgestelde uitkering.
In 1855 verschenen de Duitse en de Nederlandse vertalingen van Cruickshank’s relaas. Het boek bevat een gedetailleerd verslag van de geschiedenis van de handel, inclusief de slavenhandel, de schermutselingen tussen Europeanen en lokale stammen, en de verspreiding van het christendom. Aan deze enige Nederlandse editie is een inleiding toegevoegd van de vertaler D.P.J.H. Weijtingh met aanvullende informatie over de geschiedenis van de Nederlandse aanwezigheid in het gebied. Cruickshank onderhield contacten met de lokale bevolking en was geïnteresseerd in wetgeving en tradities. Het werk is hierdoor ook een belangrijke bron voor het rechtssysteem, muziek, religie, dans, en sociale gebruiken van de inheemse bevolking.
Zie voor de Nederlandse aanwezigheid in Ghana ook: Dof goud : Ghana en Nederland sinds 1593 door Gijs van der Ham, verschenen in de landenreeks van het Rijksmuseum.
Schenking Norbert van den Berg

Batavia : Kolff, 1903. 93 pag., V bladen platen : illustraties ; 34 cm.
Hierin opgenomen met eigen titelpagina: Het ferment in het theeblad en zijne verhouding tot de hoedanigheid der thee / door Harold H. Mann.
Op losse bijlage: Present exemplaar aangeboden aan de heer K.H.A. van Bennekom
Bevat 22 bladen met 22 opgeplakte albumine foto’s.
Deze eerste en enige editie van een rapport over het onderzoek naar theeteelt en -productie in Assam (India) en Ceylon is geschonken door een nazaat van een familiegroep, eigenaar van theeondernemingen bekend van het boek Heren van de thee van Hella S. Haasse. De Nederlandse ‘Cultuur-Maatschappij Parakan-Salak’ was de eerste theeonderneming, waar in 1845 de uit Nederland afkomstige familiegroep van twee broers en twee zusters Van der Hucht zich met hun gezinnen vestigden. Kort na 1900 ondernam de eigenaar van de firma (gedeeld eigenaarschap met zijn zuster) Alexander Albert Holle (1872-1955) een studiereis met de administrateur H.J.Th. Netscher, om de teelt en de productie van Assam en Ceylon thee te onderzoeken met betrekking tot de economische positie van Javathee op de wereldmarkt. Het rapport bespreekt verschillende aspecten van thee en de teelt ervan, waaronder de geografische verspreiding, verschillende soorten en de conservering van theezaden, het proces van het drogen van theebladeren en de inrichting van theefabrieken. Maar ook enkele opmerkelijke zaken die de aandacht van Netscher en Holle trokken tijdens hun reis waaronder suiker en olifanten worden beschreven. Het doel van hun studiereis was informatie te verzamelen over de Brits-Indiase theeteelt, vooral met betrekking tot de concurrentie op de wereldmarkt.
Aan het verslag van Netscher en Holle is toegevoegd een vertaalde verhandeling over de fermentatie van het theeblad door de Britse chemicus Harold H. Mann (1872-1961), gespecialiseerd in theeculturen en werkzaam aan het Agricultural College in Poona, India. Hij heeft veel bijgedragen aan de bestrijding van plantenziekten en het verbeteren van landbouwmethodes op de theeplantages.

De 22 albumine-foto’s zijn door het hele boek verspreid, en tonen voornamelijk de theetuinen van Assam en Ceylon, maar ook olifanten en landschappen die Netscher en Holle op hun reis zagen. Het feit dat ze op een van de foto’s naar hun eigen trein verwijzen geeft aan dat de opnames eigentijds zijn, en wellicht gemaakt door de auteurs zelf. Deze foto’s geven een extra dimensie aan dit uitgebreide en belangrijke rapport met vernieuwende inzichten in de theeteelt in Brits-India en Ceylon omstreeks 1900.
Het boek over de theecultuur in Brits-Indië en Ceylon werd in 1903 gedrukt in Batavia maar niet in de handel gebracht. De boeken waren bestemd voor personen die betrokken waren bij de thee-industrie. In vrijwel alle bekende exemplaren is een opdracht opgenomen. Het verworven exemplaar is aangeboden aan de heer K.H.A. van Bennekom.
(Bron: Asher/Forum Rare Books)
Schenking Norbert van den Berg

Priangan : de Preanger-regentschappen onder het Nederlandsch bestuur tot 1811
[Batavia] : Bataviaasch Genootschap van Kunsten en Wetenschappen, 1910-1. 4 delen : illustraties, kaarten, portretten ; 28 cm.
De Parahyangan, in het Nederlands ook als Preanger of Priangan geschreven, is een bergachtige regio op West-Java. Sinds het begin van de 18e eeuw stond Parahyangan onder Nederlands bestuur. Het was een belangrijk en productief plantagegebied tijdens het Nederlands-Indië tijdperk door de koffie, thee, kinine en andere gewassen die door veel Nederlandse plantage-eigenaren winstgevend werden geproduceerd. De hoofdstad van de Parahyangan lag in eerste instantie in Tjiandjoer (Cianjur), en werd later verplaatst naar Bandung, dat zich geleidelijk had ontwikkeld tot een belangrijke nederzetting.
De koloniaal-historicus Frederik de Haan (1863-1938) vertrok na zijn promotie in de klassieke letteren naar Nederlands-Indië. Zijn grote belangstelling in de Nederlands-Indische geschiedenis resulteerde in de aanstelling in 1905 als landsarchivaris in Batavia. Hij onderzocht het stelsel van de Verenigde Oost-Indische Compagnie (VOC) in de Preanger-regentschappen, het ‘achterland’ van Batavia. Tussen 1910 en 1912 verscheen zijn Priangan : de Preanger-Regentschappen onder het Nederlandsch bestuur tot 1811. In deze vier kloeke delen werd een selectie van bronnen uit het landsarchief betreffende deze regio gepubliceerd, voorzien van uitvoerige inleidingen en toelichtingen. Het is de eerste grote, historisch verantwoorde regiostudie van de VOC, niet als handelslichaam maar als territoriaal gezaghebber. In de visie van De Haan liepen de handelaar en de soeverein elkaar voortdurend voor de voeten en wonnen de handelsbelangen het veel te vaak. Over de invoering van het bekende stelsel van ‘gedwongen heffingen’ en over de geringe aandacht voor het belang van ‘den inlander’ is hij zeer kritisch. Terecht kon hij schrijven: ‘Van eene neiging om de Compagnie te bewierooken zal men ons, naar wij hopen, vrijkennen’ (Priangan deel I, pag. 148).
Reeds aanwezig in het Rijksmuseum is het tweede grote werk van Frederik de Haan, Oud Batavia : gedenkboek … naar aanleiding van het 300 jarig bestaan der stad in 1919 dat hij schreef in opdracht van het bestuur van het Bataviaasch Genootschap van Kunsten en Wetenschappen. De Haan liet zijn ironie en spotlust de vrije teugel. Ook in dit boek komt weinig wierrook voor. In zijn aanval op de glorie van het VOC-tijdperk stond hij alleen.
Bron Frederik de Haan: Biografisch Woordenboek van Nederland, deel 4 (Den Haag 1994)
Schenking Norbert van den Berg

[Amersfoort] : [Cara Louwman Photography] 2020. 1 band (ongepagineerd) : illustraties ; 23 x 28 cm.
Oplage van 365 genummerde en gesigneerde exemplaren. Genummerd en gesigneerd exemplaar: 97 (van 365).
De auteurs Cara Louwman (1967- ) en Yuen Yee Li (1975- ) stelden zich als doel om de relatie met hun voorouders te onderzoeken en te proberen om een manier te vinden de familiegeschiedenis in hun eigen levens te brengen. Omdat beide kunstenaressen familie van elkaar zijn gaat dit boek niet over twee afzonderlijke processen van wortel schieten en wortel worden (‘rooting and becoming roots’). Daarom interpreteerden ze, naast hun eigen manier om hun wortels in het heden te brengen, elkaars werk. Cara door Yuen Yee’s familiefoto’s te fotograferen, en Yuen Yee door Cara’s werk te duiden met woorden die zij in Chinese kalligrafie heeft weergegeven. Door hun band werden beide families en cultuur in dit kunstboek verenigd.

Ondanks de duidelijke verschillen tussen hun geschiedenis waren Cara en Yuen Yee in staat om voor elkaar herkenbare patronen te onderscheiden. Geen van de families had een eenduidige plaats van herkomst en geen van de families behoorde tot een bepaalde plaats. Beide gezinnen waren van de ene plaats naar de andere verhuisd. Het concept van wortels kwam steeds losser te staan van begrenzingen als locatie en tijd. Beide families zijn verenigd door liefde voor onderwijs, verhalen vertellen, kunst, een verlangen om bij te dragen aan de samenleving en de beslissende rol van Japan bij de loop van hun familiegeschiedenis.
Het ontwerp van het boek is gemaakt door Sybren Kuiper. De lithografie is verzorgd door Sebastiaan Hanekroot. Tot slot werd het boek handmatig gebonden door Wytze Fopma. Cara en Yuen Yee geven het boek uit in eigen beheer. Meer informatie is te vinden op de website die als bron voor deze tekst heeft gediend.
Cara Louwman won de prijs ‘Book Photographer of the Year 2020’ met dit boek tijdens de MIFA Moscow International Photo Awards.
Meer informatie over de achtergronden van dit kunstboek in de aanwinstenblog oktober 2020
