Actueel: Iedereen fotografeert

Tot en met 10 juni is in de Philipsvleugel van het Rijksmuseum de tentoonstelling Iedereen fotografeert te zien. In de tentoonstelling presenteert conservator Mattie Boom de uitkomsten van haar promotieonderzoek naar de opkomst van de vroege amateurfotografie in Nederland. Ik sprak met Mattie over haar onderzoek, haar interesse in amateurfotografie en het verzamelbeleid van het Rijksmuseum. We troffen elkaar in de tentoonstelling bij het zogenaamde ‘Kodak-album’. Het fotoalbum waarmee het voor Mattie allemaal begon.

Door Bas Nederveen

Hoe ben je tot dit onderzoek gekomen?

Dit album (afb. 1) is het begin van mijn onderzoek geweest. Omdat er foto’s inzaten van reizen naar Italië, Berlijn, maar vooral foto’s uit Amsterdam, dacht ik: Van wie is dat album nou eigenlijk geweest? Het album komt uit de fotografiecollectie van Bert Hartkamp. Hij heeft het gekocht omdat het een toepassing is met de Kodak-camera uit de begintijd van de Kodak-fotografie en omdat het een interessant Amsterdams voorbeeld is. Maar hij had geen idee van wie het album oorspronkelijk is geweest.

Afb. 1. Pagina uit het Kodak-album. Overdracht van beheer van de Rijksdienst Beeldende Kunst, 1994 (RP-F-F01198-17)

Met deze foto ben ik naar Erik Schmitz van het Stadsarchief in Amsterdam gegaan en heb hem gevraagd: kun jij iets van dit profieltje maken (afb. 2)? Volgens Schmitz was de foto waarschijnlijk gemaakt vanuit Herengracht nummer 256 of 258. Toen was ik hartstikke blij, want in het Grachtenboek staat precies wie wanneer waar woonde aan de Herengracht. Bij nummer 258 had ik beet. Dat was het huis van meneer Willem Frederik Piek. Hij was een bankier en effectenhandelaar en deed veel zaken op Amerika. Hij moet dit Amerikaanse album in de Verenigde Staten gekocht hebben. Net als de Kodak-camera waarmee de foto’s in dit album zijn gemaakt.

Afb. 2: Gezicht vanuit Herengracht 258. Overdracht van beheer van de Rijksdienst Beeldende Kunst, 1994 (RP-F-F01198-CV)

Toen heb ik gedacht: ik moet de albums die we in het depot hebben uit de anonimiteit halen. Dus ik ging eerst eens alle clusters naast elkaar leggen, waarvan ik wist wie de maker was. En zo heb ik steeds meer fotografen uit de anonimiteit gehaald om erachter te komen van wie die albums nou eigenlijk waren en waar de amateurfotografie in de late 19de eeuw plaatsvond. Wie kochten die camera’s? Dat bleek de upper class te zijn. En het bleken ook vooral hele jonge mensen. Deze jongeren waren geïnteresseerd in nieuwe technologie. Ze kochten nieuwe fietsen, net zoals ze nieuwe cameramodellen kochten. Het was een gedeelde belangstelling. Dat is eigenlijk iets wat we voor dit onderzoek niet wisten.

We weten heel veel over de begintijd van de fotografie (1839-1889) en over de 20ste eeuw. Maar over de tussenliggende periode weten we zo weinig. We hebben tot nu toe alleen maar gekeken naar die beetje saaie picturealistische foto’s, maar we hebben niet gekeken naar wat mensen nog meer deden op dat moment. En dat hebben we nu door mijn onderzoek heel mooi op een rij gekregen.

Voor mij was het ook belangrijk omdat anonieme foto’s op dit moment heel populair zijn. Die anonimiteit wordt overdreven gekoesterd. Daardoor is het onderzoek naar de geschiedenis van de vroege amateurfotografie totaal naar de achtergrond verdwenen. Ik wist dat de eerste Kodak van 1888 was, en iedereen roept dan altijd “democratisering van de fotografie”, maar wat dat dan inhield en wie werkelijk die camera’s kochten dat wisten we nog niet. Maar nu weten we dat gelukkig wel.

Is dit de eerste publicatie en de eerste tentoonstelling over amateurfotografie?

Ja, over de opkomst van de vroege amateurfotografie. Dus de revolutie van het eind van de 19de eeuw,  waarbij veel meer mensen gingen fotograferen met handcamera’s. Rond 1890 had je in Nederland 1000 mensen die fotografeerden, in 1895 zijn het er 5000. Maar in 1898, als Wilhelmina wordt ingehuldigd, krijg je hetzelfde als tegenwoordig bij de WK voetbal, dat iedereen ineens een camera moet hebben om de feestelijkheden in de stad vast te leggen, dan zijn het er 15.000.

Was Hartkamp een van de eersten die amateurfotografie verzamelde? Of gebeurde dat al eerder?

Hij heeft niet specifiek amateurfotografie verzameld. Hij verzamelde alle uitingen van fotografie. Hij ging als een soort stofzuiger door het land. Zijn collectie is de basis van onze fotocollectie. Het zijn iets van 65.000 foto’s.

Is amateurfotografie nu een verzamelgebied voor het Rijksmuseum?

Het is wel grappig hoeveel mensen nu aan mij vragen of wij ook ‘vernacular’ verzamelen. En hoe we daarmee omgaan. Iedereen heeft altijd het idee dat het omvangrijk is. Hoe ga je daarin schiften? Wij kijken altijd heel erg naar de kwaliteit van de fotografie. Het moet echt iets toevoegen.

Is er nu iets dat je aan de collectie zou willen toevoegen?

Eigenlijk wel. Er zijn fotografen waarvan ik denk waar is dat materiaal gebleven? Doordat je onderzoek doet en het veld in kaart brengt weet je: dat is iets daar moet ik op letten. Maar ik weet ook wel dat het gros van het materiaal verloren is gegaan. De ervaring leert, ook met dat Piek-album, dat na twee generaties mensen die fotoalbums hebben weggedaan omdat het ze niet zoveel meer zegt. Dat materiaal is weggegooid. Ik had gehoopt dat er met deze tentoonstelling wel een nieuw Kodak-album tevoorschijn zou komen. Want het is echt het enige in Nederland bewaard gebleven Kodak-album uit die periode.

Het viel mij op dat veel van de foto’s in de tentoonstelling geschonken zijn door de kleinkinderen van de fotograaf. Hoe is deze collectie tot stand gekomen?

Het is een kwestie van toeval. Je ziet vaak dat in families waar iets belangrijks gebeurde, zoals bij de familie Kessler, de oprichters van Shell, men zuiniger is geweest op het familiemateriaal, waar dat bij andere families niet zo is. Dat is denk ik maar goed ook, want je kan niet alles bewaren. Als wij nu aan iedereen gaan vragen die digitaal fotografeert of ze al hun beelden willen bewaren, nou, je wenst het je opvolgers niet toe.

Maar die families dachten op enig moment: deze foto’s zijn interessant voor het Rijksmuseum. En wij hebben gedacht: dat is interessant voor de collectie. Wat was dan op dat moment het criterium?

Wij kijken altijd of het beeld iets toevoegt. Hoe interessant is het. Een foto komt in aanmerking als je denkt: ik zie daar iets wat ik nog nooit heb gezien en het is een voorafschaduwing van wat daarna komt. Maar je kijkt natuurlijk toch heel erg naar de kwaliteit van het beeld. Het is een beeldtaal. We gaan tegenwoordig steeds meer in beeld communiceren en eigenlijk begint dat al in de 19de eeuw. De fotografie-industrie was toen al de aanjager. Meneer Eastman (Kodak) was in een enorme concurrentie met allerlei bedrijven verwikkeld. Iedere keer moesten zij nieuwe dingen bedenken om die markt zeker te stellen en de markt te vergroten. Dus eigenlijk lijkt het heel erg op hoe wij tegenwoordig steeds met nieuwe apparaten worden opgescheept.

Als ik het goed begrijp is er nu eigenlijk pas voor het eerst interesse in amateurfotografie en heeft het Rijksmuseum het nooit als amateurfotografie verzameld?

Dat is niet helemaal waar. Want er is al een jaar of 10–15 belangstelling voor amateurfotografie. Als je naar beurzen en markten gaat, kan je echt grasduinen in andermans foto’s. Je hebt heel veel verzamelaars die amateurfotografie verzamelen omdat het aantrekkelijke snapshots zijn. Maar door die populariteit zijn we vergeten onderzoek te doen naar de wortels ervan. En dat heb ik met mijn proefschrift willen doen. Ik dacht: ik moet dat gebied in kaart brengen. Ik moet weten hoe het zit. Wie nou begonnen zijn met fotograferen in die periode. Dus het is wel degelijk iets wat al langer leeft, maar dan gaat het altijd om de anonieme foto. En ik ben er heel trots op dat er maar één anonieme foto op deze tentoonstelling hangt (afb. 3).

Afb. 3. Portret van man met jongetje (mogelijk de eigenaar), in hotel Scheltema in Amsterdam. Overdracht van beheer van de Rijksdienst Beeldende Kunst, 1994 (RP-F-F20703)

Wanneer ben je op het idee gekomen voor dit onderwerp? Wat was de aanleiding?

Dat was vooral dat Kodak-album. Toen dacht ik: daar zit een verhaal aan vast. Het was bij mij de aandrang om er meer van te weten. En om na te denken hoe ga je met dit materiaal om? Hoe massaal is het? En ik ergerde mij aan dat gedoe met dat anonieme. Dat was bij mij de trigger om te zeggen: wat een onzin, dat kunnen we uitzoeken. Maar eigenlijk, en dat heb ik ook in mijn onderzoek gedaan, moet je het als groep zien. Je moet kijken welke groep het is geweest in de late 19de eeuw. En dan zie je dat het een sociaal fenomeen is. Net zoals het vandaag de dag nog steeds een sociaal fenomeen is.

De tentoonstellingscatalogus en het proefschrift zijn opvraagbaar via de bibliotheekcatalogus.

 

Geef een reactie

Ontdek meer van The Art of Information

Abonneer je nu om meer te lezen en toegang te krijgen tot het volledige archief.

Lees verder