In de rubriek Ex Libris vertelt een medewerker van het Rijksmuseum over zijn of haar favoriete werk uit de bibliotheekcollectie. Deze keer is het woord aan Hermien de Bruijn, informatiespecialist Bibliotheek.
Door Hermien de Bruijn
Komende zomer zal in het Rijksmuseum de tentoonstelling ‘Lang Leve Rembrandt’ te zien zijn met werk van hedendaagse meesters. Iedereen kon een eigengemaakt kunstwerk geïnspireerd op Rembrandt insturen. De hele Philipsvleugel zal plaats gaan bieden aan een selectie uit ruim achtduizend ingezonden kunstwerken (15 juli t/m 15 september 2019).
Ook in de negentiende- en vroeg twintigste eeuw bestonden tentoonstellingen met een soortgelijk karakter: de ‘Tentoonstellingen van Levende Meesters’. Deze tentoonstellingen met werken van (toen) hedendaagse kunstenaars werden tussen 1808 en 1917 in vooral Amsterdam en Den Haag en enkele andere steden in Nederland georganiseerd. Het initiatief voor de tweejaarlijkse tentoonstellingen kwam van koning Lodewijk Napoleon die talrijke maatregelen trof om het lage peil van de eigentijdse Nederlandse kunst te verhogen. Als voorbeeld dienden de Parijse salontentoonstellingen.
Een belangrijke rol bij de totstandkoming van deze tentoonstellingen speelde Cornelis Apostool (1762-1844).

Apostool werd in 1808 benoemd tot directeur van het Koninklijk Museum in Amsterdam, de voorloper van het Rijksmuseum. In 1810 werd hij lid van het Koninklijk Instituut van Wetenschappen, Letterkunde en Schoone Kunsten. Hij ging hier deel uitmaken van de Vierde Klasse die zich bezighield met de schone kunsten en was ook vele jaren voorzitter van de Vierde Klasse. De twintig leden van de Vierde Klasse organiseerden de tweejaarlijkse ‘Tentoonstelling van Leevende Meesters’ en schreven elk jaar een prijsvraag uit in een der takken van kunst en hielden vanaf 1811 zelf lezingen en kunstbeschouwingen. Hiervan nam Apostool er een aanzienlijk aantal voor zijn rekening. Als directeur wilde Apostool de collectie natuurlijk uitbreiden. Er was echter gebrek aan financiële middelen. Noodgedwongen beperkte hij het verzamelterrein tot de Hollandse en Vlaamse schilderkunst. Van iedere bekende kunstenaar moest een belangrijk werk in bezit zijn. De ‘mindere’ stukken konden afgestoten worden. In 1828 werden deze ‘doubletten’ geveild in Amsterdam. Veel van dat geld werd besteed aan de aankoop van Rembrandts ‘Anatomische les van Dr. Nicolaas Tulp’ (1632). Helaas besloot koning Willem I om het schilderij in zijn eigen Koninklijk Kabinet van Schilderijen in het Haagse Mauritshuis te plaatsen. Wel werden er geregeld kunstwerken gekocht op de ‘Tentoonstellingen van Levende Meesters’. In de catalogus van de tentoonstelling in Amsterdam, 1840 is een toegangsbewijs van C. Apostool ingeplakt

Vanaf 1844 waren de stedelijke overheden officieel belast met de organisatie van de tentoonstellingen. Zij stelden een tentoonstellingscommissie aan. Het plaatsingsbeleid was ruimhartig en gaf regelmatig aanleiding tot kritiek. De inrichting ging volgens negentiende-eeuws procedé: de wanden werden van plint tot plafond volgehangen. Tijdens de tentoonstelling verplaatste de commissie regelmatig werken om verlate inzendingen in te passen. Natuurlijk wilde iedereen een goede plaatsing, want dat vergrootte de kans op naamsbekendheid en verkoop van de inzending. Iedere tentoonstelling ontving de commissie brieven van ontevreden kunstenaars, die om een betere plaats verzochten. Een hilarisch voorbeeld is de brief van genreschilder Barend te Gempt, die in 1874 schreef: ”UWelEd[elen] hebt mij de eer gedaan mijne teekening, voorstellende De Werkstakers hooger te verheffen dan mij lief is. Nam[elijk] onder de pannen van het dak der academie voor beeldende kunsten. Waarom niet hooger gegaan Mijne Heren? Waarom niet dezelve geplaatst boven op het dak? Dan had ik ten minste dit voordeel gehad dat niemand dezelve kon zien.” De belangstelling van het publiek was groot. In de eerste helft van de negentiende eeuw trokken de tentoonstellingen soms veertig- tot vijftigduizend bezoekers. Maar vanaf het midden van de eeuw daalde het bezoekersaantal flink. Er waren toen meer alternatieven om werk te exposeren, zoals bij kunsthandels en kunstenaarssociëteiten.
Vanaf het begin konden ook vrouwen deelnemen, terwijl het kunstonderwijs voor hen pas in de tweede helft van de 19e eeuw werd opengesteld.
De bibliotheek van het Rijksmuseum heeft een groot aantal catalogi van deze tentoonstellingen in haar bezit. Vanaf 2014 heeft het RKD-Nederlands Instituut voor Kunstgeschiedenis zoveel mogelijk van deze catalogi uit talrijke bibliotheken, waaronder die van het Rijksmuseum, erfgoedinstellingen en musea bij elkaar gebracht en met steun van Metamorfoze, het nationale programma voor het behoud van papieren erfgoed, gedigitaliseerd. Daardoor zijn de catalogi voor iedereen te raadplegen en worden ze behoed voor verval.
De catalogi zijn van kaft tot kaft gedigitaliseerd. Vanuit de titelbeschrijving in de bibliotheekcatalogus kan men via een link naar het RKD-record verder doorklikken naar het gedigitaliseerde exemplaar van onze bibliotheek en ook naar exemplaren van andere instellingen. (Zie bijvoorbeeld: Lijst der schilder- en kunstwerken van levende meesters, welke zijn toegelaten tot de tentoonstelling te ’s Gravenhage, van den jare 1851 en Reproductien van de tentoonstelling van kunstwerken van levende meesters in de kunstzalen der Maatschappij Arti et Amicitiae gefotografeerd…1876.)
Rijksmuseum en RKD bezitten het oudste exemplaar van 1808.
In een aantal catalogi is driftig aantekeningen gemaakt door de bezoeker: de catalogus van de tentoonstelling in ‘s-Gravenhage, 1851 is van uitgebreide commentaren voorzien. Bijvoorbeeld bij een schilderij van A. van Pelt uit Ubbergen getiteld: De dood van den graaf van Búeren, schoonvader van prins Willem I, met de uitvoerige beschrijving: “De Graaf van Búeren ziek zijnde, ontbiedt Vesalius, lijfarts van Keizer Karel V , die hem aanzegt , dat hij slechts nog eenige uren te leven heeft, waarop hij alle zijne vrienden en betrekkingen om zich heen vergadert, tot zelfs zijne dienstboden en oude valkeniers. Na van allen hartelijk afscheid genomen te hebben, begeeft hij zich naar bed, waarna hij spoedig ontslaapt” staat het commentaar: “stroop, alles zeer gemanireerd.” Het schilderij van H. van de Sande Bakhuizen: Landschap bij morgenstond: kreeg de opmerking “gaat niet vooruit.” Er waren ook positievere commentaren: Lijst der schilder- en kunstwerken van levende meesters, welke zijn toegelaten tot de tentoonstelling te ’s Gravenhage, van den jare 1851.
De catalogi hebben geen afbeeldingen van de ingezonden werken. Er is echter één uitzondering: de tentoonstelling in Arti et Amicitiae, Amsterdam, 1876. Hier zijn 96 schilderijen gereproduceerd, zodat het nu mogelijk is om direct de afbeelding te bekijken. De catalogus geeft een aardige blik in het aanbod: landschappen en stadsgezichten komen het meest voor, gevolgd door genrestukken: Reproductien van de tentoonstelling van kunstwerken van levende meesters in de kunstzalen der Maatschappij Arti et Amicitiae gefotografeerd…1876.
Zie afbeeldingen hieronder:


De catalogi van levende meesters zien er in onze ogen eenvoudig uit. Toch is hier een schat aan informatie uit te halen. Ze geven een beeld van het kunstaanbod in de negentiende eeuw en ze speelden een belangrijke rol bij de popularisatie en verspreiding van eigentijdse kunst. Dankzij de tentoonstellingen ontwikkelde zich in de loop van de negentiende eeuw een volwaardige kunstkritiek.
Geef een reactie