door Geert-Jan Koot
A Paris : Gratis, chez l’auteur …, An III [1794-1795]. 36 pagina’s ; 21 cm.
De schilder, schrijver en kunstverzamelaar Jean-Baptiste-Pierre Le Brun (1748-1813) was vooral bekend als handelaar in Nederlandse en Vlaamse schilderijen. Hij was de zoon van schilder en kunsthandelaar Pierre Le Brun (ca. 1700-1771), en achterneef van de beroemde Charles Le Brun (1619-1690), ‘premier peintre du Roi’, onder Lodewijk XIV. In verschillende publicaties schreef Jean-Baptiste-Pierre Le Brun over kunstonderwijs en kunstenaars, voornamelijk over de schilders van de Écoles du Nord. Tussen 1792 en 1796 publiceerde hij een uitgebreid overzicht van schilders van de noordelijke school genaamd Galerie des peintres flamands, hollandais et allemands dat bekend staat als zijn meesterwerk. Hierin wordt voor het eerst in de kunstgeschiedenis de Delftse schilder Johannes Vermeer besproken als een echte meester. Volgens de Franse kunsthistoricus Gilberte Émile-Mâle (1913-2008) was het Le Brun die de Nederlandse schilderkunst introduceerde bij Franse verzamelaars en kunstprofessionals via de Galerie des peintres flamands, hollandais et allemands.

In essentie is de verworven verhandeling Essai sur les moyens d’encourager la peinture, la sculpture, l’architecture et la gravure een pleidooi voor de beoefening van de kunsten in de periode na de Franse Revolutie. Het boekje verscheen in het revolutiejaar III (1794-1795). Le Brun gaat in op het graveren van medailles, munten en stenen, en de techniek van het maken van fresco’s en mozaïeken. Tevens komen aan bod de opleiding en de middelen ter aanmoediging van jonge studenten waaronder een curriculum, maar ook het uitloven van prijzen en het samenstellen van jury’s. Tenslotte bespreekt hij onderwerpen die behandeld zouden moeten worden in een elementaire verhandeling over het schilderen voor studenten.
De Franse Revolutie was geen gemakkelijke tijd voor de monarchist Le Brun. Ondanks een gedwongen twaalf jaar durende scheiding van zijn vrouw, de schilder Marie Elisabeth-Louise Vigée (1755–1842), werd hij een actief aanhanger van de Republiek. Hij nam standpunten in ter bevordering van de kunstbeoefening en voerde aan dat niet schilders maar kunstkenners de werken voor opname in musea moeten selecteren. Als bekwaam restaurator oefende hij scherpe kritiek uit op de vernietiging van kunstwerken door slechte behandeling en onoordeelkundige restauraties. Als adjunct van de Commission Temporaire des Arts werd hij belast met het inventariseren van de enorme kunstvoorraden in Parijse kerken, privécollecties die door de staat waren toegeëigend, en geroofde kunst als resultaat van de veroveringen van Napoleon. Hij pleitte voor een wetenschappelijke benadering van de kunstvoorwerpen in het nieuwe museum, het Louvre, waaronder de juiste reiniging, restauratie en ordening naar school en kunstenaar.

Zur Farbenlehre / Johann Wolfgang Goethe
Wien : In Commssion bey Geistinger, 1812. 2 delen in 4 banden (XL, 318 pag. ; (2) 296 (4) pag. ; XX, 368 pag. ; (2) 333 (3) VIII pag.) ; 21 cm + 1 platendeel (24, 12 pag.) met 17 kopergravures waarvan 12 ingekleurd ; 24 cm.
De kleurenleer van Johann Wolfgang von Goethe (1749-1832) staat haaks op de gangbare opvatting dat wit licht bestaat uit een mix van zeven kleuren, het kleurenspectrum. De kleuren waaruit het zonlicht bestaat worden zichtbaar door lichtbreking in een prisma. Deze theorie is vastgelegd door Isaac Newton (1643-1727) in de publicatie Opticks uit 1704. Volgens Goethe zijn kleuren geen bestanddelen van zonlicht maar ontstaan uit de wisselwerking en het samenspel tussen licht en duisternis, helder en donker. Goethe baseerde zijn theorie ruim honderd jaar na Newton op kleurtheorieën van Aristoteles uit de Griekse oudheid, terwijl Newton een fysisch-wiskundige verklaring zocht. Goethe legde wel de grondslag voor de theorievorming over de psychologische werkingen van kleuren in de negentiende eeuw. Sommige schilders waaronder William Turner en Philip Otto Runge werden door Goethe’s opvattingen beïnvloed.

Deze neerslag van Goethe’s natuurwetenschappelijk onderzoek naar het wezen van kleuren, Zur Farbenlehre, is verschillende keren opnieuw uitgegeven en opgenomen in de gebundelde complete werken. Merkwaardig is dat deze Weense editie uit 1812 vrij zeldzaam is en volgens Worldcat.org zelfs niet in Nederlandse bibliotheken aanwezig zou zijn. In de literatuur wordt opgemerkt dat deze uitgave een roofdruk is die niet door Goethe is geautoriseerd en zeldzamer zou zijn dan de oorspronkelijke uitgave uit 1810, waarvan de oplage slechts 500 exemplaren bedroeg. Vermoedelijk zijn deze Weense banden afzonderlijk met eigen titelbladen verschenen en tevens als de delen 20 tot en met 23 van de Sämmtliche Schriften (verlegt bey Anton Strauß in Commission bey Geistinger). Het in formaat afwijkend platendeel bevat 17 kopergravures waarvan 12 met de hand zijn ingekleurd. Achter de platen volgen 12 pagina’s met uitvoerige beschrijvingen van de afzonderlijke delen waaruit het werk bestaat: ‘Didaktischen Teil’, ‘Polemischen Teil’, ‘Historischen Teil’ en het deel met afbeeldingen. Hiervan is het historisch deel met de titel ‘Materialien zur Geschichte der Farbenlehre” het meest uitgebreid. De schrijver Thomas Mann heeft dit deel gekenmerkt als een roman over de duizenden jaren omspannende geschiedenis van het Europese denken (“einen durch die Jahrtausende führende Roman des europäischen Gedankens”). Het is een alomvattende geschiedenis van filosofische en natuurwetenschappelijke opvattingen over licht, kleur en optica vanaf de Griekse oudheid. Niet alleen het werk van geleerden uit het verleden komt voor het voetlicht. Ook aan de methoden en opvattingen van tijdgenoten als textielverver Jeremias Friedrich Gülich (1733-1803) besteedt Goethe aandacht. Gülich droeg bij aan het vaststellen van industriële normen voor het verven van schapenwol. Zijn publicaties bevatten ook discussies over kleurentheorie en toepassingen van kleursystemen.

De bibliotheek van het Rijksmuseum bezit veel boeken over kleurenleer en kleurtheorie, waaronder de belangrijkste standaardwerken. Goethe’s magnum opus ontbrak echter, afgezien van een late editie uit 1842 van alleen het deel met de 17 afbeeldingen. Dankzij een genereuze schenking kon dit belangrijke werk worden verworven. De afzonderlijke delen waaruit Zur Farbenlehre bestaat worden uitvoerig beschreven in de literatuur. Een goed overzicht is opgenomen in het Duitstalige lemma ‘Farbenlehre’ van Wikipedia. In 2010, tweehonderd jaar na de oorspronkelijke publicatie, werd een tentoonstelling georganiseerd in Wetzlar met de titel Goethes Farbenlehre und die Lehren von den Farben und vom Färben.
Aankoop met steun van mevr. M.C. Aarts / Rijksmuseum Fonds
Zien voor een uiteenzetting van de nawerking van Goethe’s kleurenleer de aanwinstenblog juni 2021

Heidelberg & Speier : August Oswald, 1820. X, 214 pagina’s ; 18 cm.
Johann David Passavant (1787-1861) was een Duitse kunsthandelaar die in 1815 in de leer ging bij Antoine-Jean Gros (1771-1835) in Parijs om zich in de schilderkunst te bekwamen. Twee jaar later zette hij zijn studie in Rome voort bij de Nazareners Johann Friedrich Böhmer (1795-1863) en Carl Philipp Fohr (1775-1818). In 1820 publiceerde Passavant dit anonieme traktaat Ansichten über die bildenden künste. Hij raakte meer geïnteresseerd in de geschiedenis van de kunst, vestigde zich in Frankfurt, en schreef tot aan zijn dood voor het tijdschrift Die Kunstblatt. Zijn reizen door België, Spanje en Engeland resulteerden in een reeks kunsthistorische publicaties. In 1840 werd Passavant benoemd tot inspecteur van het Städel Kunstinstitut in Frankfurt am Main. In deze functie ontdekte en verwierf hij bijzondere werken van laatmiddeleeuwse schilders.

Dit boek Ansichten über die bildenden künste is de zeldzame en enige editie van Passavant’s intrigerende bijdrage aan de geschiedenis van de kunsttheorie die de ontwikkeling van de Toscaanse esthetiek in de middeleeuwen en de renaissance volgt. Hij zet deze ontwikkeling uiteen als het voorbeeld voor een opkomende Duitse artistieke beweging, de Nazareners. De Nazareners was een genootschap van Duitse kunstschilders uit de eerste helft van de negentiende eeuw, dat wordt gerekend tot de Duitse romantiek. Nazareners keerden zich aanvankelijk tegen de op Duitse en Oostenrijkse kunstacademies gangbare streng-classicistische opleiding. Passavant verbleef tussen 1818 en 1824 in Rome, waar de Nazareners woonden in het verlaten klooster van San’Isidoro. Zij schilderden in navolging van de ‘eerlijke uitdrukking’ van de grote Italiaanse renaissancekunstenaars. Passavant zag als eerste het belang van Giotto voor de ontwikkeling van de westerse schilderkunst als hoogtepunt in de Florentijnse kunstgeschiedenis. Omstreeks 1830 waren de Nazareners teruggekeerd naar Duitsland, en beïnvloedden een hele generatie Duitse schilders. De invloed van de Nazareners was na 1850 het meest herkenbaar in Engeland, waar de Prerafaëlieten veel van hun principes en ideeën overnamen.
Naast een analyse van de ontwikkeling van de Toscaanse kunst, bevat het werk interessante richtlijnen voor een geïdealiseerde artistieke ‘Academie’ (hoofdstuk IV) en een alfabetisch register van kunstenaars die werken stuurden naar de tentoonstelling in het voorjaar van 1819 in het Palazzo Caffarelli in Rome, met veel details over deze kunstwerken (pag. 205-214). Ansichten über die bildenden künste wordt beschouwd als het oprichtingsmanifest van de beweging der Nazareners.

Pesth : Hartleben’s Verlag, 1820. VIII, 76 pagina‘s : illustraties (frontispiece en 6 kopergravures) ; 20 cm.
Deze eerste Duitse uitgave van dit leerboekje uit 1820 is vrij zeldzaam. Het is in drie Duitse bibliotheken aanwezig. De eerste Engelse drukken uit 1818 en 1819 zijn in de British Library aanwezig, terwijl de tot 18 platen uitgebreide tweede editie ‘with additions’ uit 1822 vaker voorkomt. De oorspronkelijke uitgave verscheen in 1818 met als titel A compendium of the theory and practice of drawing and painting, illustrated by technical terms in art. Dezelfde kopergravures zijn in deze Duitse uitgave opgenomen met vier voorbeelden van landschappen, voorafgegaan door twee prenten met vormstudies om na te tekenen. Het boekje bevat een complete handleiding tekenen met diverse materialen als krijt en potlood, om vervolgens in te gaan op de technieken voor het schilderen met waterverf.
De Engelse schilder en illustrator Richard Dagley (ca. 1761-1841) stelde zijn werk tentoon in de Royal Academy van 1785 tot 1833. Hij was werkzaam als ontwerper van sieraden en horloges en als tekenleraar in een school voor meisjes in Doncaster. Dagley is de auteur van het boekje Gems, principally from the Antique uit 1822.
Op het titelblad zijn enkele namen van eerdere eigenaren geschreven. De prenten zijn ontworpen door Dagley, met op het frontispiece zijn naam met de toevoeging del. Dit is de afkorting voor delineavit dat letterlijk betekent hij of zij heeft getekend. De vertaler Christian Friedrich Michaelis (1770-1834) was een Duitse filosoof en schrijver van boeken over de geschiedenis en de esthetiek van muziek.

Lemgo : Meyer, 1826. XII, 48 pagina‘s ; 21 cm.
De auteur van dit technische handboekje is de apotheker Johann Jakob Schmithals. Hij was gevestigd in het Duitse Xanten en tevens districtsdirecteur van de “Apotheker-Verein im nördlichen Teutschland”. Hoewel het boek wordt vermeld op pagina 344 in de bibliografie over de mechanische en technische ambachten van Wilhelm Engelmann, Bibliotheca mechanico-technologica uit 1844, is het een minder bekende verhandeling. Het onderwerp is het vervaardigen van gekleurd glas aan de hand van chemische formules voor de bereiding van afzonderlijke kleurstoffen. Ook geeft Schmithals een gedetailleerde lijst met veertien benodigde gereedschappen. Tenslotte behandelt hij het aanbrengen van kleuren op glas door onder meer smelt- en brandtechnieken. De kennis van chemische stoffen van een apotheker zijn Schmithals goed van pas gekomen bij de samenstelling van kleurstoffen en de methoden van opbrengen voor de glasfabricage.
Rudolph Brandes (1795-1842) schreef het voorwoord van 12 pagina‘s. Brandes was een bekende apotheker en natuurwetenschapper die in 1820 de Katechismus der Apothekerkunst publiceerde en de eerste beroepsvereniging van apothekers, de “Apotheker-Verein im nördlichen Teutschland”, oprichtte. Ook op het terrein van de chemie was hij goed onderlegd: in 1826 verscheen zijn omvangrijke naslagwerk, Repertorium der Chemie. Brandes en Schmithals bekleedden beiden leidinggevende functies in deze vereniging van apothekers. In zijn voorwoord van dit boekje besteedt Brandes veel aandacht aan de nieuwe glas-in-lood ramen van de Marienburg in Pruisen van 1822 tot 1826 uitgevoerd door de schilder Höcke. De restauratie van deze grootste bakstenen burcht van Duitsland nabij Danzig stond onder leiding van de architect Karl Friedrich Schinkel.
In het voorwoord wordt Schmithals geïntroduceerd als apotheker uit Xanten die in zijn vrije tijd de middeleeuwse technieken om glas te kleuren bestudeerde. Het doel van dit boek is om deze kunst onder de aandacht te brengen door nieuwe technieken en methoden op basis van het oude ambacht te introduceren. Bovendien geeft hij aan dat Schmithals bereid is om tegen een kleine vergoeding les te geven in het mengen en aanbrengen van kleuren en het branden van glasramen.

London : George Virtue, 1833. iv, 108 pagina’s, [104] bladen platen : illustraties ; 14 x 23 cm.
Nathaniel Whittock (1791–1860) was een Victoriaanse topografische graveur, bekend vanwege zijn vogelvluchtperspectieven van diverse grote steden in Engeland en Australië. Hij gaf les in tekenen en perspectief aan de universiteit van Oxford. Bovendien was Whittock een ‘prolific writer of instruction books’, op het gebied van tekenkunst maar ook was hij thuis op andere terreinen. Bekende boektitels van Whittock geven de diversiteit van de onderwerpen weer, waaronder The decorative painters’ and glaziers’ guide uit 1828, The Oxford drawing book, or the art of drawing, and the theory and practice of perspective uit 1840 en The miniature painter’s manual : containing progressive lessons on the art of drawing and painting likenesses from life on card-board, vellum uit 1844. Het Rijksmuseum heeft al deze belangrijke werken van Whittock in de collectie.

In het begin van de 19de eeuw vervaagden de grenzen tussen de opleidingen voor professionele kunstenaars en amateurs. Deze ontwikkeling werd zichtbaar in het ontstaan van een nieuw type instructieboek. Kenmerkend voor deze leerboeken is het afbeelden van dezelfde voorstelling in opeenvolgende staten van ontwikkeling, bijvoorbeeld een schets, een sepia aquatint en een ingekleurde aquatint. In de titels van de boeken komt deze opbouw tot uitdrukking in de aanduiding “Progressive lessons”.Ook in dit boek is het onderwijs in het tekenen op deze wijze ingericht. Whittock behandelt verschillende onderwerpen, variërend van rustieke figuren tot de theorie en praktijk van perspectief. Ook komen aan bod architectuur inclusief romaans en gotisch, landschapstekening en anatomie. Verschillende voorbeelden met illustraties van opmerkelijk architectuur in Londen, York en andere plaatsen, zoals Westminster Abbey en Walmgate Bar passeren de revue.
Dit werk, The youth’s new London self-instructing drawing book, is de zeer zeldzame complete eerste uitgave uit 1833 van een tekenhandleiding met 104 illustraties, voornamelijk etsen. Om praktische redenen werden de afzonderlijke platen uit deze voorbeeldboeken gehaald om als tekenvoorbeelden te dienen. Dit boek behoort tot een handvol volledige exemplaren van de eerste editie in openbaar toegankelijke collecties. In Nederland zijn geen exemplaren aangetroffen. In 1836 verscheen een tweede editie.
Aankoop met steun van mevr. M.C. Aarts / Rijksmuseum Fonds

Outlines in lithography : from a small collection of pictures
Yarmouth, 1840. 94 pagina’s : 51 platen ; 39 cm.
Omslagtitel: Drawings from pictures. Dedication signed: Dawson Turner. Text by Mary Turner. “One hundred copies printed”.
Het onderwerp van deze catalogus is de collectie schilderijen van Dawson Turner (1775 – 1858). Turner was bankier met een grote belangstelling voor botanie en oudheden. Hij is bekend vanwege het samenstellen van een omvangrijk visueel verslag van de oudheden van Norfolk, een manuscript in 39 delen verworven door de British Library. Zijn collectie schilderijen is minder bekend maar omvatte werken van belangrijke kunstenaars als Giovanni Bellini, Jan Brueghel, Augostino en Annibale Carraci, Albert Cuyp, Hobbema, Greuze, Thomas Phillips, Gaspard Poussin, Rubens, Jan Steen, David Teniers de Jonge, Richard Wilson, en John Crome Van deze catalogus zijn slechts 100 exemplaren in eigen beheer gedrukt en worden enkele exemplaren bewaard in Britse en Amerikaanse bibliotheken.

Het boek vangt aan met een opdracht aan zijn zoon Gurney Turner (1813-1848). De 51 lithografische illustraties zijn kopieën van de schilderijen in het huis van Dawson Turner. Deze litho’s of steendrukken werden gemaakt door zijn dochters Mary Anne en Hannah Sarah, terwijl de beschrijvingen bij de platen door zijn vrouw Mary (1774-1850) zijn opgetekend. Zowel de dochters als Mary waren opgeleid door de kunstenaar John Sell Cottman (1782-1842), lid van de Norwich School of Painters. De commentaren met voetnoten en verwijzingen naar de herkomst van sommige schilderijen zijn van Dawson Turner. De drukker van de platen was de in lithografie gespecialiseerde drukker J. Graf (‘Printer to Her Majesty’).
Deze uitgave neemt vanwege de illustraties een interessante plaats in de geschiedenis van het geïllustreerde kunstboek. Lithografie als grafische techniek voor boekillustraties valt tussen de eerdere graveerprocessen als staalgravure en de latere fotografische processen zoals lichtdruk. Deze techniek werd beschouwd als zeer geschikt voor reproducties van kunstwerken. Zoals de titel Outlines in lithography aangeeft zijn de reproducties lijntekeningen, op steen getekend en lithografisch afgedrukt.

Fleurs et aquarelles : modèles de lavis et coloris de la fleur / professeur des dames
Paris : Aubert & Cie, Place de la Bourse, [tussen 1841 en 1847]. 12 bladen platen : uitsluitend illustraties ; 41 cm.
Dit anonieme voorbeeldboek voor het schilderen van bloemen bevat een gelithografeerde titelpagina, geen tekst en 12 gekleurde litho’s of steendrukken door de Parijse lithografische drukkerij van Aubert & Cie. Deze illustraties meten 19 bij 15 centimeter en zijn geplakt op papieren bladen van 40 bij 27,5 centimeter. Het boek weerspiegelt de 19de-eeuwse populariteit bij vrouwen van het schilderen van bloemen naar gedrukte voorbeelden. De gelithografeerde bloemen in dit werk waren volgens de titel vooral bedoeld als voorbeelden voor de kleuren en de patronen van de afgebeelde bloemen. Van deze bloemen vallen vooral de rozen op door hun eenvoud, kleur en elegante weergave. De titelpagina is gedrukt in rood en blauw met een gouden omlijsting en een impressum in zilver. Het werk werd gedrukt in meerdere kleurendrukgangen door Aubert, opgericht in 1829 door Charles Philipon en zijn zwager Gabriel Aubert in het Magasin des Caricatures in de Passage Véro-Dodat. In 1841 verhuisde de drukkerij naar de Place de la Bourse. Dit adres staat in het impressum zodat de datering moet liggen tussen 1841 en 1847, aangezien Gabriel Aubert stierf in 1847. De voortzetting van het bedrijf door Charles Philipon onder de naam ‘Philipon, veuve Aubert’ vond plaats op het adres 23, rue Croix des Petits Champs. De firma was gespecialiseerd in het uitgeven van steendrukken van karikaturen, maar ook andere gelithografeerde werken kwamen van de persen.

Er is geen ander exemplaar van dit boek geregistreerd, niet in bibliotheken en evenmin op veilingen of bij antiquaren. Wel is een vergelijkbaar boek aanwezig in het Musée national de l’Éducation te Rouen, met 30 pagina’s en eveneens 12 kleurenlitho’s door Joseph Félon (del. & lith.). Ook dit anonieme boek met de titel Modèles de dessins de genre heeft als vermelding van de verantwoordelijkheid: “professeur des dames”. Het lijkt of er meerdere boeken zijn uitgegeven met verschillende onderwerpen door deze ‘professeur’. De benaming “professeur des dames” zou betrekking kunnen hebben op Félon. Hieruit kan worden afgeleid dat de niet gesigneerde litho’s in het verworven exemplaar, Fleurs et aquarelles, eveneens zijn ontworpen (del.) en uitgevoerd (lith.) door de Franse schilder, beeldhouwer en lithograaf Joseph Félon (1818-1896). Na zijn opleiding aan de École des beaux-arts de Paris exposeerde hij met regelmaat in de jaarlijkse Salons. Hij is bekend als ontwerper van glas-in-lood kerkramen, als beeldhouwer van sculpturen voor het Palais du Louvre, de Sorbonne en diverse kerken, parken en kasteeltuinen, en tenslotte als professor ‘d’ornement et de composition décorative’ aan de École des arts décoratifs in Nice.

Leçons variées de dessin : figures, paysages, animaux / par Ed. Morin
Paris : Arnauld de Vresse, [1855-1857]. pag. 13-24 : uitsluitend platen ; 18 x 27 cm.
Dit voorbeeldboekje door de Franse schilder en graveur Edmond Morin (1824-1888) bevat 12 gelithografeerde afbeeldingen. Het zijn illustraties met voornamelijk dieren in landschappen, soms aangevuld met menselijke figuren. Deze voorbeelden zijn bedoeld om na te tekenen als onderdeel van het kunstonderwijs. Edmond Morin was vooral bekend als illustrator van verschillende populaire boeken en luxe uitgaven. In 1851 verbleef hij in Londen, waar hij vijf jaar werkte voor The Illustrated London News. Hij keerde terug naar Parijs om illustraties te leveren voor La Vie parisienne en Le Monde illustré, evenals voor enkele andere tijdschriften zoals La Semaine des enfants. Begiftigd met een opmerkelijk talent als tekenaar, maar niet in staat om van zijn schilderkunst te leven, was hij teleurgesteld door gebrek aan erkenning.

Opvallend is de naam en het adres van de uitgever op het titelblad: Aubert & Cie, Place de la Bourse. Op de gelithografeerde omslag is echter de naam Arnauld de Vresse als uitgever afgedrukt, gevolgd door één van de drie adressen (7 quai des Grands-Augustins, Paris) waarop De Vresse achtereenvolgens was gevestigd. De verklaring is dat de voortzetting van de uitgeverij en drukkerij Aubert & Cie onder Charles Philipon in 1847 duurde tot 1853, het jaar waarin Arnauld de Vresse (1814-1871) de firma overnam. Hij heeft uit deze boedel van Aubert dit boekje samengesteld wat de reden is van de onregelmatige paginering en de verschillende impressums op omslag en titelblad. De datering is gebaseerd op de periode tussen 1855 en 1858 waarin De Vresse was gevestigd op het adres afgedrukt op de omslag. Tot 1870 zette hij zijn bedrijf voort aan de 55 rue de Rivoli.

Der Decor : Zierungen für’s Kunstgewerbe
Wien ; Leipzig : Fr. Wolfrum, 1905-1906. (1. 1905. – 4. 1906). Map met 48 genummerde bladen ; 48 cm.
Deze portefeuille is verschenen in 4 afleveringen met 12 bladen per deel. Deze Weense Art Nouveau-portefeuille uit 1905-1906 is compleet met 48 kleurenplaten die prachtig in offset druk zijn gereproduceerd. De uitgave is bedoeld om als inspiratie te dienen bij het inrichten van huizen maar ook voor kunstenaars om ideeën op te doen voor nieuwe modellen. Op groen kartonnen bladen zijn facsimiles geplakt van originele aquarellen met verschillende ontwerpen uit de Weense School. Deze kleurrijke ontwerpen van Oostenrijks-Hongaarse werken van kunstnijverheid lopen uiteen van ornamenten voor decoraties in huis, textielpatronen, sieraden, meubels, omlijstingen, vazen, bestek, schotels, beslag voor deuren, glasramen, menukaarten en boekbanden. Drie afbeeldingen zijn gesigneerd met de namen van de Weense kunstenaars Raimund Germela op plaat 32, en Gottlieb Theodor von Kempf op de platen 28 en 38. Aan de achterzijde van elke plaat is een gedrukt label geplakt met daarop de naam van de uitgever (Fr. Wolfrum & Co. in Wien / Leipzig), de titel van de portfolio en het nummer van de plaat.

Gottlieb Theodor von Kempf (1871-1964) was een bekende schilder en illustrator. Van 1888 tot 1896 studeerde hij aan de Weense academie voor schone kunsten onder Julius Victor Berger, Leopold Karl Müller, Josef Matthias von Trenkwald en August Eisenmenger. Ook stonden studiereizen naar Rome en Paris op het programma. Von Kempf is vooral bekend door zijn illustraties voor de Meggendorfer Blatter en de portefeuilles Gerlach’s Allegorien. Hij exposeerde in het Vienna Künstlerhaus, in de Vienna Secession en in München en Dresden. Zijn werk viel in de smaak gezien de vele oorkonden die hem ten deel vielen zoals de Große Goldene Ehrenmedaille van het Wiener Künstlerhaus, de Meisterpreis van de stad Wenen, de Wald-Müller-Preis, en de Nationalpreis van de Weense Secessionsgalerie.
Raimund Germela (1868-1945) studeerde aan de kunstacademie in Wenen als leerling van Leopold Carl Müller en Josef Matyas Trenkwald. Hij zette zijn studie voort in Parijs, München, Engeland en Italië. In 1898 vestigde hij zich in Wenen en werd lid van de Hagenbund en het Wiener Künstlerhaus. Zijn werk omvat interieurs, genrestukken, en voorstellingen van het leven in de stad.

In het boek is het ex libris aangebracht van de Zwitserse geofysicus Nazario Pavoni (1929-2014), bekend vanwege zijn onderzoek naar platentektoniek aan de ETH in Zürich.

Paris : Ligue des mères de famille, 1909. 2. éd. suivi de la liste des approbations et des commentaires parus dans les journaux depuis novembre 1908 (début de campagne). 52 pagina’s : illustraties ; 25 cm.
Dit boekje bevat een polemiek tegen het gebruik van korsetten, zowel op esthetische als op medische gronden. Het pamflet, gedrukt in opdracht van de Ligue des Mères de Famille, vangt aan met illustraties van de verschillende manieren waarop vrouwen zichzelf ‘verminken’. In verschillende culturen werden om esthetische redenen lichaamsdelen aangepast, variërend van Chinese voetbinding tot nekverlenging bij de Paduang-vrouwen in Zuidoost-Azië. Het gebruik van het korset in het Westen is niet minder schadelijk en niet minder in strijd met de natuur. Met behulp van afbeeldingen van vrouwelijk naakt uit zowel oude als moderne kunst proberen de auteurs de absurde gevolgen van de ‘corsetterie’ te laten zien. Het beroemdste naakt in de kunstgeschiedenis, de Venus van Milo (Aphrodite van Melos) is afgebeeld op de omslag als een interessant voorbeeld van een fotocollage: er verschijnen drie reproducties, de eerste is een ‘type classique de la beauté de la corps naturelle … Taille normale: 80 centimètres environ’; op de tweede afbeelding is de taille teruggebracht tot 55 centimeter, en op de derde afbeelding zijn ook de heupen van Venus aanzienlijk versmald. Hieronder is de vraag afgedrukt: ‘Dans six moins, qu’imposera la Mode à ses fidèles esclaves?’ Het moderne contrapunt van dit voorbeeld uit de klassieke oudheid is een foto van een sensueel naakt (La Source) geschilderd door Jean-Auguste-Dominique Ingres (1780-1867) dat op de achterzijde van de omslag prijkt, representerend ‘la veritable forme du corps féminin non déformé par le corset’.

De bezwaren gaan echter verder dan de esthetiek. Anatomische diagrammen laten zien hoe de interne organen worden verplaatst door korsetten, en verschillende autoriteiten worden aangehaald om aan te tonen hoe deze verplaatsing de werking van lever, maag, darmen en baarmoeder en eierstokken kan beïnvloeden, evenals de bloedsomloop. Vrouwen moeten net zo vrij kunnen ademen als mannen, terwijl de beperkingen van het korset leiden tot atrofie van de rugspieren, die zich niet langer kunnen aanspannen en verslappen. Aan deze tweede editie is een bijlage toegevoegd waarin talloze artsen, chirurgen en vroedvrouwen, evenals beeldhouwers, schilders en persrecensenten worden geciteerd ter ondersteuning van de argumentatie tegen het dragen van een korset.

Het voorwoord is geschreven door Edmond Haraucourt (1856-1941), de directeur van het Musée de Cluny, en neemt de vorm aan van een dialoog tussen een vertegenwoordiger van de Ligue des Mères de Famille en een toegewijde volgeling van de mode. Alle argumenten tegen het korset worden weerlegd met een versie van ‘Wat verwacht je? – het is de mode’. Ondertussen wordt de ‘wrede mode jaar na jaar erger: binnenkort zullen de beklagenswaardige vrouwen niet eens meer kunnen bewegen …’.
Hoewel het boekje in een grote oplage is verschenen zijn slechts enkele exemplaren bekend in Frankrijk en één in de bibliotheek van Cornell University in de Verenigde Staten. Nu ook te raadplegen in de bibliotheek van het Rijksmuseum.
