door Geert-Jan Koot
Christus Köpfe / von C.L. Junker
Bern : bey der Typographischen Gesellschaft, 1776. [32], 77 pagina‘s : illustraties ; 18 cm.
Met 24 kopergravures door B.A. Dunker naar ontwerp van C.L. Junker
Carl Ludwig Junker (1748-1797) studeerde theologie, muziek en kunstgeschiedenis aan het hof van Hohenlohe-Kirchberg bij onder meer de hofschilder Johann Valentin Tischbein. In 1774 vestigde hij zich als leraar in Zwitserland waar hij bekendheid verwierf als componist en schrijver over muziek. In deze eerste Zwitserse jaren verschenen enkele werken met aanwijzingen voor kunstenaars: Grundsätze der Mahlerey (1775), Christus Köpfe (1776) en Betrachtungen über Mahlerey, Ton- und Bildhauerkunst (1778). Deze drie boeken waren bedoeld als leermiddelen voor aankomende kunstenaars met een kunsttheoretische basis. Slechts het boekje over het weergeven van het gelaat van Christus, Christus Köpfe, bevat illustraties.

In dit werk Christus Köpfe heeft Junker zijn theologische kennis toegepast op de ideale voorstellingen van Christus in uiteenlopende verschijningsvormen zoals Jezus als kind, de leraar, Christus die Lazarus uit de dood opwekt, als volwassene, de gekruisigde, Christus en de ongelovige Thomas, als verschijning aan Maria, de hemelvaarder. Na de negentien portretten van Jezus volgt een appendix met vijf afbeeldingen van het gelaat van Maria met als motto “Die Mutter – unzertrennbar von Sohn”. De gravures naar eigen ontwerp zijn uitgevoerd door de landschapschilder en etser Balthasar Anton Dunker (1746-1807) die eveneens werkzaam was in Zwitserland.
De latere anoniem uitgegeven oplage uit 1791 werd niet meer met Junker in verband gebracht maar toegeschreven aan Dunker en zelfs aan Johann Caspar Lavater (1741-1801). Lavater had zich echter al in 1778 negatief uitgelaten over Christus Köpfe in het vierde deel van zijn Physiognomische Fragmente.

Betrachtungen über Mahlerey, Ton- und Bildhauerkunst / von C.L. Junker
Basel : bey Karl August Serini, 1778. 190 pagina’s ; 18 cm.
Biografische gegevens over Carl Ludwig Junker (1748-1797) zijn te vinden in het voorgaande stukje. Junker’s talrijke geschriften gaan over een breed scala aan onderwerpen: wereldburgerij en fysiognomie, theologie en beeldende kunst van de oudheid tot zijn tijd, fictie en muziek. Daarbij richtte Junker zijn aandacht uitsluitend op de esthetiek van tonale kunst. Hij zocht naar theorieën van gewaarwordingen in het algemeen, en naar theorieën van sensaties in de muziek (‘Ich richtete mein ganzes Augenmerk, blos auf das Ästhetische der Tonkunst … Ich suchte die Theorien der Empfindungen überhaupt, zu Theorien der Empfindungen in der Tonkunst zu machen’).
Een goed voorbeeld van dit streven is dit boek Betrachtungen über Mahlerey, Ton- und Bildhauerkunst waarin hij verbanden legt en parallellen trekt tussen de schilderkunst, de toonkunst en de beeldhouwkunst. Hij stelt de weergave van de mens centraal in een veelheid van omstandigheden en gevoelsmatige hoedanigheden. Aan bod komen onder meer het portret, de groep, de mens in het landschap, emoties als haat, mededogen, woede, maar ook de grenzen van schilderkunst en tonale kunst en de muzikale eigenschappen van de afzonderlijke mens.
Minder bekend is zijn eveneens in Zwitserland uitgegeven verhandeling Erste Grundlage zu einer ausgesuchten Sammlung neuer Kupferstiche uit 1776. Deze uitgave behoort tot de vroegste handboeken voor het verzamelen van prenten die speciaal voor de amateur verzamelaar werden uitgegeven. Het doel van dit handboek was de verzamelaar van prenten raad te geven bij het opbouwen en het gebruik van een collectie grafiek.

Descriptions des arts et métiers / Académie des sciences (Paris)
Genève : Slatkine Reprints, 1984. Réimpression en facsimilé de l’éd. de: Paris, 1761-1789. 25 delen : illustraties ; 37 cm
Andere titel: Descriptions des arts et métiers, faites ou approuvées par Messieurs de l’Académie Royale des Sciences
Het encyclopedische werk Descriptions des arts et métiers werd tussen 1761-1782 uitgegeven in opdracht van de Franse Académie Royale des Sciences in Parijs. Bovendien verschenen nog enkele supplementen vanaf 1782 tot 1789. Het werk geeft uitvoerige beschrijvingen van een breed arsenaal aan ambachten en vervaardigingsmethodes in Frankrijk waardoor het een belangrijke bron is voor technieken in de achttiende eeuw. Bovendien zijn de 116 artikelen over 81 onderwerpen geïllustreerd met ruim 1800 gedetailleerde kopergravures. De opbouw van de afzonderlijke monografieën is als volgt: een uiteenzetting over de gebruikte materialen wordt gevolgd door een beschrijving van de gereedschappen waarna de methoden om verschillende producten te vervaardigen aan bod komen. Een afsluitende serie gravures toont op realistische wijze de gereedschappen en de inrichting van de werkplaatsen.

Er is geen een vaste samenhang tussen de afzonderlijke monografieën. In deze moderne herdruk zijn inhoudelijk verwante artikelen bijeen gebracht door de uitgever Slatkine. Het eerste deel over bouwtechnieken behandelt onder meer het vervaardigen van tegels in Nederland. Band 2 is gewijd aan het maken van kleding. Ook aan pruiken en de wasserij wordt aandacht besteedt. De drie delen 7 tot 9 gaan over meubelkunst met 390 platen ontworpen en beschreven door de bekende meubelmaker André Jacob Roubo (1739–1791). In deel 15 over papier komt ook de samenstelling van lijmsoorten aan de orde. In deel 11 over metaalbewerking zijn artikelen opgenomen van Henri Louis Duhamel du Monceau (1700-1782). Hij behoort tot de belangrijkste auteurs en schreef 20 artikelen over uiteenlopende onderwerpen waaronder textiel, metaalbewerking, scheepsbouw en landbouw. Bovendien schreef hij 1718 pagina’s in de drie delen 4 tot 6 over soorten vissen en visserij en droeg substantieel bij aan de drie delen 19 tot 21 over mijnbouw en delfstoffen. Band 22 is gewijd aan de vervaardiging en de beschildering van ceramiek en glaskunst met 688 pagina’s en 70 illustraties. De laatste drie banden bevatten 2064 pagina’s en 228 afbeeldingen over het weven en het verven van uiteenlopende textiele stoffen als katoen, linnen en zijde. De eerste drie essays zijn van Duhamel du Monceau gevolgd door onder meer teksten over de vervaardiging van textiel door Jean-Marie Roland de la Platière (1734-1793) en het verven met indigo door Beauvais Raseau (1700-1782). Voor de afbeeldingen van de indigo plantage zie de aanwinstenblog over augustus 2020.

Invloedrijke auteurs van de 116 essays waren verder René Antoine Ferchault de Réaumur, Gabriel Jars over het maken van bakstenen en tegels in Holland (‘fabriquer la brique et la tuile en Hollande’), de astronoom Joseph Jérôme Lefrançais de Lalande, François Alexandre Pierre de Garsault, de chemicus Paul-Jacques Malouin, Auguste-Denis Fougeroux de Bondaroy en Charles-René Fourcroy de Ramecourt. Het werk werd uitgegeven door Jean Desaint & Charles Saillant en gedrukt door l’Imprimerie de H.L. Guerin & L.F. Delatour in Parijs. De 1800 kopergravures zijn vervaardigd door onder anderen Pierre Patte (1723-1814), Pierre Claude de La Gardette (1743-1785), Louis-Jacques Goussier (1722-1799) en André-Jacob Roubo (1739-1791). Deze platen met vaak uitvoerige toelichtingen geven veel informatie over de gereedschappen, de producten, de werkzaamheden en de inrichting van de werkplaatsen.
Zie voor een inleiding met een overzicht van alle essays en auteurs: The handicrafts of France as recorded in the ‘Descriptions des arts et métiers’ 1761-1788 / by Arthur H. Cole and George B. Watts. (Kress Library of Business and Economics ; 8) Boston : Baker Library, Harvard Graduate School of Business Administration, 1952
In de blog van augustus 2020 wordt ingegaan op de ontstaansgeschiedenis en navolging.

Ueber Malerei, vorzüglich der historischen / Eduard Dayes ; Aus dem Englischen mit Anmerkungen von Joseph Pichlhofer
Nürnberg : bei Bauer und Weicht, 1804. 136 pagina’s ; 20 cm.
De Engelse schilder en graveur Edward Dayes (1763-1804) was gespecialiseerd in waterverfschilderingen en mezzotint gravures. Hij stond bekend om zijn topografische werk waarop vaak ruïnes waren afgebeeld. Zijn schilderingen werden gedomineerd door een palet van blauw en groen, wat invloed had op het vroege werk van J.M.W. Turner. In het postuum gepubliceerde boek met aanwijzingen voor het tekenen en kleuren van landschappen, Instructions for Drawing and Colouring Landscapes legde hij gedetailleerde regels vast voor de juiste methode voor het weergeven van kleuren in landschappen.
In het Philosophical Magazine publiceerde hij vanaf 1801 een reeks van negen artikelen over de verschillende aspecten van het schilderen en tekenen. In 1805 werden deze artikelen gebundeld en postuum uitgegeven onder de titel ‘Essays on Painting’. Een jaar eerder verschenen deze artikelen in een Duitse vertaling in het boek Ueber Malerei vorzüglich der Historischen. De afzonderlijke hoofdstukken handelen over smaak, schoonheid, gratie, vindingrijkheid, compositie, effect en nut van het tekenen, de hand van de kunstenaar en over stijl. (Ueber Geschmack, Ueber die Elemente der Schönheit, Ueber Grazie, Ueber Erfindung, Ueber Composition, Ueber die Wirkung und Nützlichkeit des Zeichnens , Ueber Manier, Ueber den Stil). De vertaling met toegevoegde aantekeningen met toelichtingen in de voetnoten zijn van Joseph Pichlhofer.
Het zeldzame werk is gebonden in de originele blauw papieren band met een rugschildje.

Zeichnungen aus der schönen Baukunst : oder, Darstellung idealischer und ausgeführter Gebäude, mit ihrer Grund- und Aufrissen auf 115 Kupfertafeln / mit nöthigen Erklärungen und einer Abhandlung über die Schönheit in der Baukunst begleitet von C.L. Stieglitz
Leipzig : Georg Voss, 1805. 2. verb. Aufl. 46 pagina‘s, [2], 113 [i.e. 112] bladen platen : illustraties, plattegronden ; 45 cm.
Deze publicatie was tussen 1798 en 1800 met een Franse tekst verschenen in Dresden. In 1805 volgde bij dezelfde uitgever Georg Voss de uitgebreide Duitse editie. De inhoud bestaat voornamelijk uit tekeningen van gevels van kastelen, kerken, landhuizen en stadspaleizen. Deze architectuurontwerpen worden vergezeld door detailtekeningen en plattegronden. Voor een deel zijn het geïdealiseerde gebouwen in classicistische stijl, verwant aan het Engelse Palladianisme, gekenmerkt door eenvoud en harmonie. De meeste gebouwen zijn nooit uitgevoerd. Volgens het voorwoord stammen de tekeningen uit de collectie van Lord Lindlater. Dit was vermoedelijk de in Dresden gevestigde amateur architect James Ogilvy, de 7de Earl of Lindlater and Seafield (1750-1811). De platen zijn gegraveerd door de onbekende J.G. Schwendler. Veel prenten dragen aan de onderzijde een opdracht aan een vorst met in het midden van het blad een gegraveerd heraldisch wapen.
De begeleidende tekst is van Christian Ludwig Stieglitz (1756-1836), een Duitse architectuurhistoricus die bekend stond vanwege zijn kennis van de geschiedenis en de archeologie van de klassieke bouwkunst. Over de Romeinse en Griekse bouwkunst schreef hij verschillende publikaties. Stieglitz was vanaf 1804 als bouwmeester belast met het toezicht op alle bouwaktiviteiten in Dresden. Hij zette zich in voor het behoud van oude monumenten en was mede verantwoordelijk voor de neogotische restauratie van de domkerk.

The amateur’s drawing book / by W.L. Walton ; with observations on drawing, and general instructions in the art. Printed in tint-lithography by Standidge & Co.
London : Published by Longman, Brown, Green, & Longmans, 1844. [2], iv pagina’s, [1], 12 gelithografeerde platen : voornamelijk illustraties ; 29 x 39 cm.
Over de graveur en lithograaf William Louis Walton (1808? – 1879) was lange tijd opvallend weinig bekend. Laurence Worms, eigenaar van het Antiquariaat Ash Rare Books, schreef een biografie in 2018. Hierin geeft hij aan dat de prenten van Walton in veel grote museale collecties zijn opgenomen. Walton woonde op verschillende adressen in Londen en was zeer productief tussen 1834 en 1855. Ook stelde hij tussen 1837 en 1840 landschappen tentoon in de Royal Society of British Artists en in de Royal Academy in 1855.

In dit voorbeeldboek zijn 13 lithografieën opgenomen waarvan de eerste bestaat uit 11 kleine afbeeldingen met toelichtingen. De overige 12 prenten stellen uiteenlopende landschappen voor. De paginagrote litho’s zijn oblong gedrukt door Standidge & Co. De afbeeldingen dienden als voorbeelden voor tekenaars en worden vergezeld van een korte tekst met uitleg. De publicatie komt in slechts zes bibliotheken wereldwijd voor. Andere boeken door William Walton zijn niet bekend.

Kamera u. Palette. Tl. IV
[Dresden] : Verlag der Schönheit, [1928]. Pagina 65-128 : illustraties ; 16 cm.

Kamera & Palette, V. Teil
[Dresden] : [Verlag der Schönheit], [1929]. 64 pagina’s : illustraties ; 16 cm.
De uitgeverij Verlag der Schönheit werd in 1902 opgericht door Karl Vanselow in Berlijn en in 1914 overgenomen door Richard A. Giesecke in Dresden. De uitgeverij was actief tot begin jaren dertig en richtte zich voornamelijk op boeken, tijdschriften en foto’s uit de domeinen nudisme en lichaamscultuur. Het doel van de uitgever was om aan de hand van lichamelijke expressie verbindingen te leggen tussen nudisme en moderne esthetiek. De bekendste uitgave Die Schönheit, een geïllustreerd maandblad voor kunst en leven, verscheen van 1902 tot 1929. De opzet van het tijdschrift was om nudisme te presenteren als een uiting van modernisme in de beeldende en de uitvoerende kunsten.

Kamera & Palette VI
[Dresden] : Verlag der Schönheit, [1930]. pagina 65-128 : illustraties ; 16 cm.
De boekjes Mit Kamera und Palette, later vereenvoudigd tot Kamera & Palette, werden uitgebracht om de foto’s te verkopen door middel van postorders. Naast enkele redactionele bijdragen bevatten de catalogi tal van illustraties van blote mensen, vaak bezig met gymnastische oefeningen. In totaal verschenen er zes verschillende edities: no. I in 1922, no. II in 1926, no. III in 1927, no. IV in 1928, no. V in 1929 en VI in 1930. De eerste series stereofoto’s werden aangeboden in aflevering III van Mit Kamera und Palette, een aanbod dat werd uitgebreid in de volgende afleveringen. Giesecke richtte zich als redacteur op de stereofotografie met artikelen in de afleveringen IV en V. Het postorderbedrijf van Giesecke groeide in de jaren twintig uit tot kantoren in vijf Duitstalige steden.
De omslag van deel VI verbeeldt op originele wijze de dieptewerking van de stereofoto. In deze aflevering zijn foto’s van naakten in het atelier van de beeldhouwer Erich Haberland (1903-1964) opgenomen, gevolgd door een artikel met uitleg van de poses van de modellen door C. Höfer-Abeking, Kunstwerk und Modell. Deze aflevering bevat ook foto’s van de zeppelin (Graf Zeppelin) en topografische opnames van onder meer Zwitserland en Bellinzona.

Deze verkoopcatalogi Mit Kamera und Palette markeren niet alleen de begintijd van de commerciële stereofotografie maar geven een beeld van een ontwikkeling naar een Freikörperkultur en van de foto’s die in de jaren twintig per postorder aan de man werden gebracht. De omslagen in kleur zijn fraai uitgevoerd in tegenstelling tot het binnenwerk waarin veel informatie op een klein oppervlak werd samengebracht.
Zie voor het onderwerp ‘Nacktkultur’ het boek: Empire of Ecstacy : nudity and movement in German body culture 1910-1935 / Karl Toepfer (1997), pag. 57-61

Die von Edmund Schilling gesammelten Zeichnungen / [zusammenstellung Rosi Schilling]
[Plaats van uitgave onbekend] : R. Schilling, ©1982. 251 pagina‘s : illustraties, facsimiles ; 24 cm. “Privatdruck”
Edmund Schilling (1888-1974) was werkzaam als conservator in het Städelsches Kunstinstitut in Frankfurt am Main. Tijdens de tweede wereldoorlog adviseerde hij vanuit Londen verzamelaars en handelaren in tekeningen. In deze periode begon hij zelf een verzameling tekeningen aan te leggen. Schilling’s particuliere verzameling tekeningen omvatte 75 werken. Deze collectie wordt in dit boek door Paul Pieper ingeleid en in eigen beheer door zijn weduwe Rosi Schilling (1905-1993) uitgegeven. De oplage was vermoedelijk klein en de verspreiding beperkt aangezien het boek wereldwijd in slechts vijf bibliotheken is aangetroffen. In het voorwoord verklaart Rosi dat de bijschriften bij de afgebeelde tekeningen vaak letterlijk zijn overgenomen uit de aantekeningen van Edmund.

De kern van de collectie is een groep tekeningen van Duitse meesters uit de 15de en 16de eeuw. Kunsthistoricus Paul Pieper karakteriseert Edmund Schilling in zijn inleiding als “Ein Leben für die Zeichnung”. Een verzamelaar die zich grote persoonlijke offers getroostte om een collectie op te bouwen van het niveau van Frits Lugt en Cornelis Hofstede de Groot. Als kunsthistoricus en conservator had Schilling zijn leven gewijd aan de oude Duitse tekenkunst. Kort voor zijn overlijden werd zijn opus magnum gepubliceerd: de driedelige catalogus van de tekeningen in het Städelsches Kunstinstitut: Katalog der deutschen Zeichnungen : alte Meister. Het online gepubliceerde manuscript van zijn bibliografie omvat zeven getypte pagina’s met verwijzingen naar boeken en artikelen vrijwel uitsluitend over oude tekenkunst.
In 1984 werd de tentoonstelling German drawings from a private collection georganiseerd. De naam van de verzamelaar Edmund Schilling komt niet voor in de bijbehorende catalogus. De 73 tekeningen werden achtereenvolgens tentoongesteld in het British Museum Londen, de National Gallery of Art in Washington en het Germanisches Nationalmuseum te Neurenberg. Zijn weduwe Rosi Schilling liet het grootste deel van Edmund Schilling’s collectie na aan het British Museum.
Het verworven exemplaar van deze zeldzame uitgave bevat enkele aantekeningen en een opdracht van Rosi op het schutblad: For Lieselotte, the best of friends 12-8-82.
