door Geert-Jan Koot
De volgende vier boeken uit de achttiende eeuw over instrumenten voor tijdmeting en navigatie op zee, scheepschronometers of scheepsklokken, maken deel uit van een schenking van ruim 300 boeken en tijdschriften van de Stichting Vakopleiding Uurwerkmakers Faddegon (SVUF). De bibliotheek is opgebouwd door Gerard Herman Faddegon (1911-1998), horlogemaker, uitvinder en oprichter van de SVUF. Deze voornamelijk technische boeken op het gebied van uurwerken vormen inhoudelijk een belangrijke aanvulling op de meer historisch georiënteerde bibliotheek van de uurwerkrestaurator en conservator Hans van der Kamp waaruit 325 werken zijn aangekocht door het Rijksmuseum in 2017.

Paris : cuez Briasson, 1726. 48 pagina’s : 3 vouwbladen met platen : illustraties ; 26 cm.
Henry Sully (1680–1729) was een Engelse uurwerkmaker die zich al jong vestigde in Frankrijk. Hij vond een scheepsklok uit, een geavanceerde slingerklok om de lengtegraad nauwkeurig te kunnen bepalen. Hij presenteerde de eerste zogenaamde Montre de la Mer in 1716 aan de Franse Académie des Sciences. Sully was de eerste persoon in Parijs die een dergelijke chronometer ontwikkelde. In 1718 richtte hij een horlogefabriek op in Versailles. In 1723 presenteerde hij twee nieuwe modellen waarover hij in 1726 publiceerde in Description abregée d’une horloge d’une nouvelle invention pour la juste mesure du temps sur la mer … . Zijn chronometers presteerden goed bij rustig water, maar niet op volle zee en bij onstuimig weer.

Henry Sully werkte samen met Julien Le Roy (1686-1759), de klokkenmaker van Lodewijk XV. In Frankrijk werden de uitvindingen van Sully nauwgezet gevolgd door de gerenommeerde instrumentmakers Pierre Le Roy en Ferdinand Berthoud. Kort na de publicatie in 1726 van Une Horloge inventée et executée par M. Sulli, begon John Harrison (1693–1776) in 1730 met de ontwikkeling van zijn eigen beroemde chronometer, het maken van een beschrijving en tekeningen voor een voorgestelde scheepsklok en het daadwerkelijk vervaardigen van de fameuze Harrison H1 in 1735. (zie verder in deze rubriek)

The elements of clock and watch-work : adapted to practice, in two essays / by Alexander Cumming
London : Printed for the author, 1766. 192, [18] pagina’s, 16 vouwbladen met platen : illustrations ; 27 cm.
Alexander Cumming (1733-1814) was een Schotse horlogemaker en uitvinder van instrumenten. Hij dreef jarenlang een horlogemakerij in Bond Street, Londen. Zijn boek The elements of clock and watch-work : adapted to practice, in two essays werd beschouwd als een standaardwerk (“definitive professional textbook”). Zowel historisch als technisch behoort dit boek tot de belangrijkste boeken over uurwerken. Het bevat één van de vroegste ontwerpen van het zwaartekracht echappement. Een echappement is een onderdeel van een mechanisch uurwerk dat de drijfkracht van de energiebron (veer of gewicht) gedoseerd doorgeeft aan het gaande werk. Na de introductie van het echappement van de chronometer met een temperatuurgecompenseerde balans, konden zeer nauwkeurige waarden worden bereikt in scheepsklokken. Het eerste essay in dit boek ‘An Essay Towards the Improvement of Clock-work’ behandelt het slingerontwerp inclusief de temperatuurcompensatie, het gebruik van olie en het ontwerp van onder meer echappementen. Het tweede essay ‘An Essay Towards the Improvement of Watch-work’ gaat over het ontwerp van hoofdveren, balansen en balansveren van horloges.
Cumming was ook de uitvinder van de s-bocht, of de zogenaamde zwanenhals in de afvoerleiding van het spoeltoilet, waardoor wordt voorkomen dat vieze geuren het huis binnenkomen. Hij koppelde tevens de waterinlaatklep aan het spoelmechanisme zodat de waterbak geleegd en opnieuw gevuld kon worden door aan een enkele hendel te trekken.

London : Richardson and Clark, 1767. XVII, 31 pagina’s, 10 vouwbladen met platen : illustraties ; 28 cm.
Dit zeer belangrijke boek is de eerste editie van de beschrijving van de universeel toepasbare scheepschronometer, een uitvinding die een revolutie teweegbracht in de wetenschap van de navigatie.
Een scheepschronometer is een precisie-uurwerk dat op een schip wordt gebruikt bij het bepalen van de positie van het schip door hemelnavigatie. Het wordt gebruikt om de lengtegraad te bepalen door de Greenwich Mean Time (GMT) te vergelijken met de tijd op de betreffende locatie die is gevonden bij waarnemingen van hemellichamen. De ontwikkeling van de scheepsklok in de 18e eeuw was een grote en belangrijke technische prestatie. Nauwkeurige kennis van de tijd tijdens een lange zeereis was noodzakelijk voor navigatie bij gebrek aan elektronische meettechnieken of communicatiehulpmiddelen. De eerste onder alle omstandigheden goed functionerende chronometer was het levenswerk van John Harrison (1693–1776), die gedurende 31 jaar experimenteerde en een revolutie teweegbrachten in de navigatie op zee (en later in de lucht). Hierdoor kwam het tijdperk van ontdekking en kolonialisme in een stroomversnelling. Er was geen vergelijkbare vooruitgang in navigatiehulpmiddelen tot de ontwikkeling van radar in de twintigste eeuw.

In 1714 loofde de Board of Longitude een substantiële beloning van GBP 20.000 uit aan degene die een nauwkeurige methode kon vinden om de lengtegraad op zee te bepalen. In 1730 voltooide klokkenmaker John Harrison een manuscript waarin enkele van zijn uitvindingen werden beschreven, waaronder een chronometer die nauwkeurig genoeg was om de tijd met een constante snelheid over lange perioden te meten, waardoor de lengtegraad kan worden gemeten door de lokale zonnetijd te vergelijken met een vastgestelde standaardtijd.
Op basis van zijn beschrijvingen ontving Harrison een lening van George Graham, een vooraanstaand uurwerkmaker, voor de bouw van zijn tijdwaarnemer. Na talloze pogingen, waarbij instrumenten in verschillende vormen en maten betrokken waren, slaagde Harrison erin een chronometer te construeren die zowel nauwkeurig als handzaam van formaat was. De chronometer werd met succes getest op twee reizen naar West-Indië in 1761 en 1764. Na deze succesvolle proeven vond Harrison dat hij recht had op de prijs, maar de Board of Longitude drong aan op een demonstratie en een volledige schriftelijke beschrijving van zijn uitvinding. Om aan de eisen te voldoen vond op 22 augustus 1765 de demonstratie plaats, in aanwezigheid van de koninklijke astronoom Nevil Maskelyne en een zeskoppig comité van deskundigen, en werd dit boek in 1767 gepubliceerd. Hierin zijn de resultaten opgetekend, samen met Harrison’s eigen beschrijving van zijn tijdwaarnemer.

Nog steeds niet tevreden, kende het bestuur Harrison slechts de helft van het prijzengeld toe, bleef obstakels opwerpen, en onderwierp zijn chronometer aan extreme en onrealistische tests en vroeg hem nog twee voorbeelden. Pas in 1773, na directe tussenkomst van koning George III, kreeg de 80-jarige uitvinder de rest van het prijzengeld uitbetaald. Verschillende van zijn vroegste chronometers worden bewaard in de Royal Observatory in Greenwich. Hoewel Harrison’s chronometer al snel werd verdrongen door eenvoudigere mechanismen, bracht de tijdwaarnemer een revolutie teweeg in de wetenschap van navigatie, omdat het navigators een methode bood om op elk moment tijdens een reis de geografische positie te bepalen.

A Paris : chez J.G. Mérigot le jeune ; chez Didot fils, Jombert jeune, 1786. Editie: Seconde édition. Planches dessinées par Goussier et gravées par P.P. Choffard. Deel 1: ([2], LIV, [2], 477, [11] pagina’s, I-XIX uitvouwbladen met platen) ; 26 cm. Van beide delen van deze tweede editie is alleen deel 1 aanwezig.
Paris : Chez J. Cl. Jombert …, Musier …, Ch. J. Panckoucke, 1763. Deel 2 : [4], VIII, 452 pagina’s ; XXXVIII bladen met platen ; 25 cm. Van beide delen van deze eerste editie is alleen deel 2 aanwezig.
De Zwitser Ferdinand Berthoud (1727-1807) was een wetenschapper en uitvinder. In 1753 werd hij meester horlogemaker in Parijs. Berthoud bekleedde de functie van uurwerk-mecanicien bij de Franse koning Lodewijk XVI en werkte voor de marine. Zijn chronometers behoorden tot de beste en nauwkeurigste van zijn tijd. Hij wijdde zich aan onderzoek en het doorgeven van zijn kennis door middel van vele publicaties. Dit leverde hem de acceptatie op in wetenschappelijke kringen. Verschillende artikelen in de Encyclopédie méthodique, gepubliceerd tussen 1751 en 1772 door Diderot (1713-1784) en d’Alembert (1717-1783) werden aan hem toevertrouwd.
In 1763 verscheen zijn verhandeling L’Essai sur l’horlogerie : dans lequel on traite de cet Art relativement à l’usage civil, à l’Astronomie et à la Navigation. Het werk werd zeer succesvol en verscheen in verschillende talen en werd uitgegeven tot in de negentiende eeuw. Het omvangrijke werk in twee delen, gebaseerd op zijn persoonlijke ervaringen, is zijn belangrijkste publicatie, geïllustreerd met technische platen met diverse soorten uurwerken, onderdelen, mechanieken, tandwielen, getekend door Goussier en gegraveerd op koper door Pierre-Philippe Coffard.

Bijna de helft van deel één is gewijd aan het beschrijven van verschillende soorten klokken en horloges. De tekeningen zijn vaak in perspectief en sommige tonen wat nu exploded views worden genoemd. In het boek wordt verder in detail de bewerkingen van het maken van klokken en horloges beschreven, inclusief het maken van veren, emailleren van wijzerplaten en vergulden. Bovendien is het een belangrijke bron voor de beschrijving van het werk van de uurwerkmaker. Het tweede deel begint met tandwielen en de berekening van tandwieltreinen. Dan volgt een technische uiteenzetting van een lange reeks experimenten met de slinger, het effect op de boog en het isochronisme van verschillende echappementen. Bovendien beschrijft hij een observatoriumklok en twee ontwerpen van een scheepsklok.
Vanaf 1763 richtte Ferdinand Berthould zich op maritieme navigatie. In dat jaar werd hij door de koning aangesteld om de scheepschronometer van John Harrison (1693–1776) in Londen te inspecteren. Berthoud liet een omvangrijke productie achter waaronder chronometers, horloges en decoratieve klokken, specialistische gereedschappen en wetenschappelijke meetinstrumenten, evenals tientallen traktaten over de techniek van uurwerken en in het bijzonder de tijdwaarneming op zee.

A Paris : Chez Guillaume Cavelier pere …, 1743. [8], 44 (45)-(47), [1], 45-63, [1] pagina’s, [31] bladen met platen (waaronder vouwbladen) : illustraties ; fol.
De Franse architect Gabriel-Germain Boffrand (1667-1754) is vooral bekend vanwege de grote verscheidenheid, kwantiteit en kwaliteit van zijn werk. Nadat hij beeldhouwkunst had gestudeerd bij François Girardon (1628-1715), trad hij in de leer van de architect Jules Hardouin Mansart (1646-1708). Al in 1690 kreeg Boffrand de opdracht om gebouwen voor de koning te ontwerpen en vanaf 1709 gaf hij leiding aan de inrichting van de appartementen van het Hôtel de Soubise. Pas in 1745 publiceerde Boffrand zijn invloedrijke boek Livre d’Architecture waardoor de Franse ‘Louis XIV-stijl’ werd verspreid in Europa.

Toen Boffrand de problemen vernam waarmee Jean-Baptiste Lemoyne (1704-1778) en zijn vader Jean-Louis te kampen hadden bij het gieten van een groot ruiterstandbeeld van Lodewijk XV, bood hij zijn hulp aan. Als leerling van Girardon was hem opgedragen om aantekeningen te maken bij het gieten van het ruiterstandbeeld van Lodewijk XIV door Balthazar Keller in 1692. Boffrand schreef in zowel het Latijn als het Frans Description de ce qui a été Practiqué pour Fondre en Bronze d’un Seul Jet la Figure Équestre de Louis XIV waardoor Lemoyne zijn project kon voltooien. Dit standbeeld van Lodewijk XIV dat de staatsman François Michel Le Tellier, marquis de Louvois, bestelde bij François Girardon werd in 1699 opgericht in het centrum van Parijs op het huidige Place Vendôme en vernietigd in 1792. Ook Lemoyne’s beeld van Lodewijk XV verdween in de Franse Revolutie.

Alle belangrijke publicaties over bronzen sculpturen die vóór 1800 zijn opgericht, behandelen alleen de verloren-wastechniek van het bronsgieten. Het belang van verloren-wasgieten is dat voorwerpen kunnen worden gegoten die complex en asymmetrisch zijn, zoals figuren, terwijl de andere gangbare techniek, zandgieten, meer geschikt was voor het produceren van eenzijdige of bilateraal symmetrische objecten. Dat geldt ook voor de verhandeling van Boffrand, maar het vernieuwende is dat hij het gieten van een meer dan levensgroot ruiterstandbeeld uit één stuk behandelt. Om het metaal de gelegenheid te geven door alle buisjes in de mal van het ruiterstandbeeld te lopen bleef de oven waarin het metaal werd gesmolten 28 tot 40 uur in vol bedrijf. Dit is een omvangrijk en ingewikkeld proces dat door de prenten goed wordt geïllustreerd. Boffrand is de eerste die het complete proces in 12 hoofdstukken met vermelding van veel details zoals de gebruikte gereedschappen beschrijft.

De 31 genummerde etsen, waarvan elf op dubbele pagina’s en drie op uitvouwbladen, zijn gegraveerd door Pierre François Tardieu (1711-1771) naar ontwerpen van Jacques-François Blondel (1705-1774), Nicolas Lesueur (1691-1764) en Tardieu zelf. Het geëtst kopstuk met het wapen van minister Orry aan wie het boek is opgedragen is gegraveerd door Charles Nicolas Cochin II (1715-1790) naar François Boucher (1703-1770). De tekst en de platen bij het hoofdstuk over bronsgieten in de Encyclopédie van Diderot en d’Alembert zijn ontleend aan dit boek van Boffrand.

Vita di Antonio Franchi Lucchese, pittor fiorentino / scritta da Sebastiano Benedetto Bartolozzi
In Firenze : Per Gaetano Albizzini, 1754. XXVI pagina’s, 1 ongenummerd blad met afbeeldingen : 1 portretprent ; 4°
Titelvignet, decoratieve initialen. Gegraveerd portret van de auteur Antonio Franchi door Francesco Allegrini, naar een tekening van Francesco Giacometti.
De schilder Antonio Franchi uit Lucca (1634-1709) begon zijn werkzaamheden in Bologna en vertrok vervolgens naar Rome. In 1686 verhuisde hij naar Florence, om zich te ontwikkelen tot een invloedrijke vertegenwoordiger van de generatie na Francesco Furini en Pietro da Cortona (1596-1669). Na de dood van Justus Sustermans in 1681 gold Franchi gedurende enkele jaren als de belangrijkste schilder van de stad Florence. Vanaf 1686 verwierf hij de rang van hofschilder van Vittoria della Rovere, de groothertogin van Toscane. Zijn werk bestaat vooral uit talrijke portretten van de Florentijnse adel (met name leden van de Medici familie) en de bourgeoisie, maar ook schilderijen met religieuze onderwerpen. Na zijn dood verscheen in 1739 in Lucca zijn essay over de theorie van de schilderkunst, La teorica della pittura, ovvero Trattato delle materie più necessarie per apprendere con fondamento quest’arte.
De auteur Sebastiano Benedetto Bartolozzi wijdde in deze vroegste biografie van Antonio Franchi slechts 26 pagina’s aan het leven en werk van Antonio Franchi. Een jaar eerder in 1753 publiceerde hij de biografie van de kunstenaar Jacopo Vignali (1592-1664), Vita di Jacopo Vignali pittor fiorentino.

In Roma : Presso Arcangelo Casaletti, 1783. 175, xvi pagina’s ; 22 cm.
Gegraveerde vignette met het heraldisch wapen van de Colonna op de titelpagina.
Deze eerste gedrukte catalogus van de collectie van de familie Colonna uit 1783 beschrijft meer dan 1400 schilderijen in zes hoofdstukken. De beschrijvingen zijn naar vertrek ingedeeld zodat het boek als een gids voert langs de kunstwerken in alle kamers van het paleis. De geschiedenis van de Colonna’s gaat terug tot de 11de eeuw. De verzameling bevat werken van Pinturicchio, Cosmè Tura, Carracci, Guido Reni, Tintoretto, Salvator Rosa, Bronzino, Guercino en Veronese, maar ook Paulus Brill, Jan Bruegel en Caspar van Wittel. Het behoort tot de grootste particuliere kunstverzamelingen van Italië. De oudere handgeschreven inventarissen zijn uitgegeven in Collezione dei dipinti Colonna : inventari 1611-1795.

Het gebouw gelegen op één van de zeven heuvels van Rome, het Quirinaal, is een hoogtepunt van de Italiaanse barok. Het Palazzo Colonna werd vanaf het midden van de zeventiende eeuw op basis van oudere constructies gebouwd en gedecoreerd naar ontwerpen van Antonio del Grande, Gian Lorenzo Bernini, Paolo Schor en Carlo Fontana in opdracht van kardinaal Girolamo I Colonna en zijn neef Lorenzo Onofrio Colonna. Dit nieuwe palazzo met de toegevoegde Galleria Colonna werd in 1700 ingehuldigd door de zoon van Lorenzo Onofrio, Filips II. Het is het grootste en oudste particuliere paleis in Rome. De enorme representatieve ruimte, de Galleria Colonna, bevat voorstellingen ter herdenking van de overwinning van de christelijke vloot op de Turken in de Slag bij Lepanto in 1571. De ruimte biedt plaats aan 270 topstukken uit de collectie schilderijen.

Leipzig : Hilscher, 1793. XIII, 262, [8] pagina’s, VI bladen : Illustraties (6 kopergravures) ; 18 cm.
Faience is een type aardewerk dat na eenmaal in de oven te zijn gebakken wordt bedekt met een ondoorzichtige laag witte tinglazuur. Na eventuele beschildering door een plateelschilder met onderglazuurverf wordt het voorwerp vervolgens bedekt met een doorzichtige laag glazuur met lood- en tinoxiden. Daarna wordt het voorwerp nog een keer in de oven gebakken. De schildering versmelt tijdens het bakken met de glazuurlaag en wordt zo ingebrand. Reeds in het Mesopotamië van de achtste eeuw was sprake van faience techniek. In de achttiende eeuw produceren diverse fabrieken faience of majolica met verschillende technieken in met name Nederland, Duitsland, Frankrijk, Italië en Engeland.

Deze zeldzame handleiding geeft een zeer gedetailleerd inzicht in de methoden voor het fabriceren van faience die in Duitsland gangbaar waren. Ook Engels steengoed, porselein en gietvormen komen aan bod. Om tinglazuur te maken werd een mengsel van lood en tin gesmolten op het oppervlak van het aardewerken voorwerp in een speciale pottenbakkersoven. Als vloeimiddel gebruikt de anonieme auteur een combinatie van steenzout en soda. In Nederland werd gewerkt met een combinatie van potas en soda. Veel aandacht gaat uit naar de constructie van de oven, de wijze van branden, de inrichting en plaatsing van het aardewerk in de oven. Gemiddeld wordt de oven wel 24 uur lang gebrand om een gelijkmatige en hoge temperatuur te bereiken. Pas na drie dagen is de oven voldoende afgekoeld om te worden geopend. Deze methode wordt nog steeds toegepast in de Spaanse faience centra Manises en Paterna. De zes kopergravures geven een nauwkeurig beeld van de methoden en gereedschappen met in het bijzonder de pottenbakkersoven.
Het boek is afkomstig uit de collectie van de familie Szapary, een oud adelijk geslacht uit Hongarije.
Zie ook het artikel Europäische fayencetechnik im 18. Jahrhundert door Marino Magetti.

Leipzig : bei Voss und Compagnie, 1800. 16 p., 2 series van 12 identiek genummerde bladen platen, 1 modeldoek : illustraties ; 27 x 45 cm. Eén serie van 12 platen handgekleurd. Toegevoegd met goud- en zijdedraad geborduurde zijden proeflap (“Modeltüche”).
Johann Friedrich Netto (1756-1810) was een tekenleraar uit Leipzig en een fantasierijke en succesvolle auteur van verschillende handboeken voor handwerken. De meeste boeken zijn uitgegeven door Voss in Leipzig, waaronder een belangrijke serie van drie borduurhandleidingen in groot langwerpig folioformaat. Het verworven werk is het uiterst zeldzame derde deel met borduurpatronen, door Netto gepubliceerd in 1800. Het eerste deel verscheen in 1795 en het tweede deel in 1798. De illustraties zijn in neoklassieke stijl en bevatten boeketten, volants met kralen en bloemenranden. Elk ontwerp verschijnt twee keer: één pagina in kleur, één in zwart-wit. Vermoedelijk boden de gekleurde pagina’s suggesties aan de borduurder en moesten de zwart-witpagina’s worden gebruikt om het ontwerp over te brengen. Opmerkelijk is dat de laatste pagina met ontwerpen geen gekleurde ets is, maar echt borduurwerk op zijde. De patroonboeken en handleidingen van Netto gelden als de meest onderscheidende van de golf van handboeken voor vrouwen die aan het eind van de achttiende eeuw verscheen als reactie op de nieuwe mode voor vrouwenhandwerk.


De afbeeldingen in dit derde deel tonen voornamelijk florale motieven, volants en linten, boeketten, urnen en patronen voor randen en hoeken, terwijl in de eerste twee delen ook motieven voorkomen die een voorbode zijn van de vroege negentiende-eeuwse romantiek zoals grafmonumenten, pittoreske ruïnes en treurwilgen.
In het eerste decennium van de negentiende eeuw publiceerde Netto ook boeken met ontwerpen voor breien. Hij schreef Wasch- Bleich- Platt- und Nach-Buch, zum Selbstunterricht für Damen, een algemene verhandeling van huishoudelijke tips met suggesties over een verscheidenheid aan onderwerpen, variërend van het weven van linnen en het beschermen van wol tegen motschade tot het verbouwen van groenten in de winter. Het Rijksmuseum bezit eveneens zijn meest bekende leerboek uit 1800, Die Kunst zu stricken in ihrem ganzen Umfange oder: vollständige und gründliche Anweisung alle sowohl gewöhnliche als künstliche Arten von Strickerei nach Zeichnungen zu verfertigen.

Wien und Prag, Haas, 1804. VI, 370 pagina’s : illustraties (13 kopergravures) ; 20 x 11,5 cm.
Dit boek uit 1804 is een herdruk van de uitgave Leipzig 1802. De gangbare toeschrijving is gebaseerd op Traité sur la physionomie door Charles Le Brun (1619-1690) waar de Seelenmahlerey een vertaling van zou zijn. In feite zijn echter alleen de kopergravures gemaakt naar de voorbeelden van Le Brun. De tekst is geen vertaling, maar een volledig onafhankelijk werk over de uitdrukking van emoties, gevoelens en passies in de beeldende kunst, geschreven omstreeks 1800. Enkele aanwijzingen spreken voor de filosoof Johann August Eberhard (1739-1809), die zich als auteur verzette tegen de opvattingen over de beperkingen van theoretische kennis van Immanuel Kant (1724-1804). Het voorwoord begint met een uitspraak van de filosoof Moses Mendelssohn (1729-1786) op wie de term ‘Seelenmahlerey’ teruggaat. Hiermee bedoelde Mendelssohn de uitdrukking van de ziel, de niet-materiële essentie van mensen, in de schilderkunst. Volgens het christendom kent de ziel functies als voelen, willen en denken. De geest kent functies als intuïtie, geweten, en godsbewustzijn. Eberhard publiceerde zijn werk graag anoniem. Het auteurschap van Eberhard is niet bewezen maar de overeenkomsten met zijn filosofische denkbeelden zijn evident.

Op het titelblad is een buste van de Griekse wijsgeer Diogenes afgebeeld. Het frontispice geeft de context van het boek weer: een bebaarde leermeester die twee in gewaden geklede discipelen onderricht in een galerij met bustes en schilderijen. De dertien kopergravures tonen in totaal 52 gelaten met uiteenlopende gemoedsuitdrukkingen. Deze platen zijn ontleend aan tekeningen in Traité sur la physionomie door Charles Le Brun. Ook andere graveurs hebben zich op deze voorstellingen met gemoedsuitdukkingen gebaseerd zoals Sébastien le Clerc in Caractères des Passions : gravés sur les desseins de l’Illustre Monr. Le Brun uit ca. 1702. De barokschilder Le Brun was in 1648 medeoprichter van Académie royale de peinture et de sculpture en hofschilder van Lodewijk XIV van Frankrijk en in het bijzonder belast met het toezicht op de Gobelinmanufactuur. Hij heeft veel traktaten over de grondbeginselen van de kunst en leerboeken voor kunstenaars gepubliceerd.

De Duitse theoloog en filosoof Johann August Eberhard studeerde theologie en werd predikant. Na zijn aanstelling in Berlijn kwam hij in nauw contact met de Berlijnse Verlichting, en raakte bevriend met Moses Mendelssohn. Eberhard ontwikkelde zich tot één van de belangrijkste Duitse exponenten van de nationalistische interpretatie van de theologie. Hij publiceerde onder meer over theorie van de schone kunsten, esthetiek en de theorie van het denken en sensibiliteit. In het verlengde van deze onderwerpen ligt de kunstpsychologische thematiek van dit boek over de uitdrukking van het temperament en de persoonlijkheid in de kunst. Het is bedoeld als leerboek voor tekenaars en schilders.

The repository of arts, literature, commerce, manufactures, fashions and politics
London : Published by R. Ackermann, [1809-1829]. 41 delen : illustraties (sommige ingekleurd) ; 25 cm.
Holdings: vol. 1-14, 1809-15; 2d. series, vol. 1-14, 1816-22; 3rd. series, vol. 1-12, 1823-28.
De uit Duitsland afkomstige ondernemer Rudolph Ackermann (1764–1834) was opgeleid als koetsenmaker en ontwikkelde zich tot een succesvolle uitgever en drukker nadat hij zich in Londen had gevestigd in 1895. Zijn winkel aan The Strand droeg de naam ‘The Repository of Art’. Het was zowel drukkerij, uitgeverij, kunsthandel als tekenschool, en werd de favoriete ontmoetingsplaats voor de upperclass geïnteresseerd in de nieuwste ontwerpen voor mode en interieur, waar men kon bladeren door boeken en prenten, thee drinken en gezien worden. Ackermann hield zijn winkel elegant en up-to-date; bovendien behoorde deze tot de eerste bedrijven in Engeland met gasverlichting. Zijn belangrijkste publicatie waarin de aspecten van het leven in het Regency tijdperk aan bod komen is het maandelijks verschijnend tijdschrift Ackermann’s Repository of the Arts, Literature, Commerce, Manufactures, Fashions and Politics. De nadruk lag vooral op mode, sociaal en literair nieuws. In elk nummer waren modeplaten opgenomen, en sommige afleveringen bevatten ook patronen en stofstalen. Het tijdschrift had een enorme invloed op de architectuur en kunstnijverheid, met name meubelkunst, mode en literatuur. In de 40 jaargangen van de de Repository die verschenen van 1809 tot en met 1828 had Ackermann bijna 1.500 platen opgenomen. Er is geen betere visuele bron met betrekking tot de Regency periode dan deze handgekleurde prenten. (voor meer informatie zie ook de blog van Jane Austen)

De Britse Regency periode is genoemd naar het regentschap van George IV als Prins van Wales tijdens de ziekte van zijn vader George III. Deze periode begon in 1795 en eindigde met de troonsbestijging van koningin Victoria in 1837. Deze tijd wordt ook wel het regententijdperk genoemd. Regency meubelen worden gekenmerkt door elegantie door het toepassen van ornamentiek in plaats van het rijke houtsnijwerk en de gebogen lijnen uit de voorafgaande periodes. De meubelen vertonen heldere lijnen en strakke oppervlakken met slanke poten en rechte hoeken. Kasten zijn laag uitgevoerd om decorateurs in de gelegenheid te stellen om de muren met schilderijen te versieren. Om de strakke stijl te verlevendigen en een sierlijke elegantie te bereiken werden metalen accenten toegevoegd. Meubelmakers gebruikten voornamelijk messing en soms ook brons of ormolu, een imitatiegoud. Koperen inlegstukken, accenten langs hoeken en poten, handvatten en scharnieren werden veel toegepast.
Voor meer informatie over de uitgever Rudolf Ackermann en de inhoud van The Repository zie de aanwinstenblog augustus 2021.


Memoria storico critica sopra la pittura
Padova : Per li Penada, 1811. 103 pagina’s, [4] vouwbladen ; 24 cm.
De 4 vouwbladen achterin het boek bevatten tabellen: “Tabella de’ quadri esistenti presso il Sig. cav. Federico Manfredini.”
Antonio Neumayr (1772-1840) geeft in zijn inleiding (“Proemio”) aan dat zijn tekst met een historisch overzicht van de verschillende schilderscholen dient als een opmaat voor de behandeling van de collectie schilderijen van marchese Federico Manfredini (1743-1829). Deze beschrijvingen bevatten interessante observaties over toeschrijvingen, de manier om vervalsingen te herkennen en restauratietechnieken. De laatste vier tabellen bestaan uit een lijst met schilderijen die deel uitmaken van de collectie van de markies. Manfredini was premier van het Groothertogdom Toscane en een bekend verzamelaar. In zijn collectie zijn schilderijen opgenomen van onder meer Carracci, Van Eyk, Rafael, Titiaan, Guido Reni, en Rubens. Neumayr geeft informatie over de geschilderde onderwerpen, het formaat van de schilderijen, en de toegepaste technieken.
In 1808 publiceerde Neumayr een overzicht van de collectie prenten van Manfredini in Saggio di sceltissime stampe, en in 1833 Cenni sulle moderne stampe classiche. Epoca quarta da De Non Domenico a Morgen Raffaello di Neu-Mayr. Hij schreef verder onder meer over Padua, een biografie over Albrecht Dürer en een overzichtswerk van Duitse kunstenaars.

Sammlung neuer Muster zum Sticken in Plattstich und Tambourin / gezeichnet von einer Hamburgerin
Hamburg : Perthes & Besser, 1822. 2 ongenummerde pagina’s, plaat LII-LXVII : hoofdzakelijk illustraties ; 24 x 40 cm.
Dit buitengewoon zeldzame tijdschrift Sammlung neuer Muster zum Sticken in Plattstich und Tambourin met handwerkpatronen is van 1809 tot 1830 verschenen in een onbekend aantal ‘Lieferungen’ in Hamburg, aanvankelijk bij August Campe en vanaf 1814 bij Perthes & Besser (Katalog der Ornamentstichsammlung Berlin, # 1544). Verwarrend is dat soms als alternatieve titel op de omslag is afgedrukt Sammlung neuer Stickmuster. De inventariserende catalogus Sammlung Deutscher Drucke 1801-1870 vermeldt slechts vijf ‘Lieferungen’ tussen 1817 en 1825, waarin de door het Rijksmuseum verworven aflevering uit 1822 niet voorkomt. De bibliografische metadata in deze Sammlung zijn echter gebaseerd op de incomplete reeks in de Universitätsbibliothek Johann Christian Senckenberg te Frankfurt am Main. Het is mogelijk dat in elke aflevering 17 patroonbladen waren opgenomen. Aan dit exemplaar zouden dan de drie ‘Lieferungen’ 1817, 1819 en 1820 voorafgaan. Deze veronderstelling komt echter niet overeen met de opgaven in de Berlijnse catalogus Ornamentstichsammlung. De platen zijn doorgenummerd, in dit exemplaar lopend van 52 tot en met 68 (LII-LXVIII) en voorbeelden genummerd 363-447 waarvan de laatste vier uitvouwbladen.

De ontwerpen voor borduurpatronen dragen de titels “Fanchon-Tuch”, “Vorärmel”, “Morgenmütze”, “Kinderkragen”, “Knabenmütze” etc. met een toelichting bij elk blad. Volgens de titel gaat het om de platte steek met behulp van een tamboerijn (Plattstich und Tamboerin). Deze borduurtechniek is nog steeds gangbaar. Zie bijvoorbeeld de instructiefilmpjes op YouTube.
De ontwerpster van deze patronen is geïdentificeerd als de Hamburgse Eleonore Sophie Elisabeth Hornbostel (? – 1859). De laatste vier prenten zijn gedrukt op uitvouwbare bladen. De omslag is een vroege lithografie, terwijl de illustraties zijn gegraveerd. Het probleem bij deze uitgaven is dat de patroonbladen vaak werden uitgenomen waardoor complete exemplaren slechts hoogst zelden voorkomen. Er zijn geen bibliotheken bekend met een complete reeks. Deze uitgave uit 1822 komt voor zover bekend nergens anders voor.

Amsterdam : D. & Jb. da Cunha, 1839. 96 pagina’s, 33 vouwplaten ; illustraties ; 25 cm.
Deze Nederlandse anonieme handleiding uit 1839 voor het tekenen van menselijke figuren en landschappen komt slechts voor in de British Library. Het was een verrassing dat het tekenboek dit voorjaar op een veiling in Amsterdam opdook. Het boek vangt aan met een inleiding waarin de tekenkunst wordt opgevoerd als het eerste beginsel van de schone kunsten en de grondslag van alle kunsten en wetenschappen. Onmisbaar voor de kunstenaar en de geleerde, “nuttig voor iederen in eenen hoogeren kring levenden man, ter uitspanning van zijner werkzaamheden, of als tijdkorting voor hem, die geene werkzaamheden heeft …”. Kortom, een leerboek dat voor iedereen nuttig kan zijn “die gebruik van zijne handen en oogen weet te maken …”.

Vervolgens wordt de opbouw van de tekencursus uitgelegd, te beginnen met het rechtlijnig tekenen. Dit hoofdstuk over lijntekenen wordt afgesloten met een aantal uit te voeren oefeningen met verwijzingen naar de gelithografeerde illustraties die achterin het boek zijn opgenomen. De volgende hoofdstukken handelen over het tekenen naar de natuur, onderverdeeld in het tekenen van de menselijke gestalte en tekenen naar landschappen. Veel aandacht gaat uit naar de verhoudingen van de lichaamsdelen, technieken en materialen.


Paris, Logerot 1845. 1 titelblad; 17 (van 18, genummerd 1-11 en 1-6) bladen met kopergravures : illustraties ; fol.
Jean-Pierre Thénot (1803-1857) was een Franse schilder, tekenaar en lithograaf van landschappen en veduten. Hij legde zich toe op landschappen uitgevoerd in aquarel en sepia. Bovendien schreef hij diverse leerboeken voor beginnende kunstenaars. In 1834 verscheen van zijn hand een leerboek voor landschapsschilders, Cours complet de paysage, evenals een cursus voor lithografen, Cours complet de lithographie. In hetzelfde jaar verscheen in New York Practical Perspective for the Use of Students, een vertaling van zijn populaire tractaat uit 1826 Essai de perspective pratique, pour dessiner d’après nature. Dit werk verscheen in twee Nederlandse vertalingen door Cristiaan Kramm, Proeve der werkdadige doorzigtkunde en later als Gronden der werkdadige doorzigtkunde door August Allebé. Het Rijksmuseum bezit verschillende andere handleidingen voor kunstenaars van Thénot waaronder Les règles du lavis et de la peinture à l’aquarelle : appliquées au paysage, au lavis de l’architecture et du plan.
Het Album contenant les elements de la geometrie, du dessin lineaire, de la perspective, de l’architecture is zeer zeldzaam en deze eerste uitgave komt verder alleen voor in de National Art Library van het V&A te Londen. Van de twee latere uitgaven zijn slechts enkele exemplaren bekend. Het boek behandelt de beginselen van de geometrie op een breed scala van toepassingen zoals perspectief, lijntekenen, bouwkunst, schilderkunst maar ook in de kunstnijverheid als meubelkunst en timmerwerk. De dubbele platen, op groot formaat gegraveerd door onder meer Chamouin en Guignet, tonen de geometrische principes van perspectief en de mogelijke toepassingen ervan op de meubelproductie en verschillende decoratieve elementen. Ook het meer complexe timmer- en slotenmakerswerk komt uitgebreid aan bod. Elke plaat is voorzien van een verklarende tekst.

N.V. Heystee’s Tegelhandel, Amsterdam
Amsterdam : Blikman en Sartorius, [ca. 1925]. 34 pagina’s : hoofdzakelijk illustraties ; 23 x 30 cm.
Arnoldus Maria Anthonius Heystee (1876-1941) heeft in de eerste decennia van de 20ste eeuw een belangrijke tegelhandel gehad aan het Rembrandtplein te Amsterdam. Hij begon in 1895 op 19 jarige leeftijd zijn handel in tegels in de Bakkerstraat. Rond de eeuwwisseling werden gevels en winkels massaal voorzien van tegeltableaus. In 1906 associeerde Heystee zich met P.C. Smit tot de firma Heystee, Smit & Co. Het Rijksmuseum bezit de catalogus Heystee, Smit en Co. : tegelhandel Amsterdam met 21 afbeeldingen van tegeltableaus. De firma groeide met buitenlandse vertegenwoordigingen in Parijs en New York. In 1923 werd de vennootschap Heystee, Smit & Co opgeheven en omgezet in Heystee’s Tegelhandel. Uit deze periode dateert de verworven catalogus met 34 pagina’s lithografieën, lijntekeningen en foto’s van interieurs met wand- en vloertegels in de stijl van de Amsterdamse School. Ook enkele tegeltableaus zijn opgenomen. Helaas ontbreken de vermeldingen van de de locaties van de gefotografeerde interieurs. Op de laatste foto is de gevel van bioscoop Tuschinski herkenbaar. De ontwerptekeningen zijn waarschijnlijk fictief. Na de economische crisis van 1932 werd het faillisement uitgesproken. Ondanks een doorstart viel in 1935 het doek. (Bron: Capriolus Contemporary Ceramics)


Villapark Meerwijk in Bergen kwam tot stand op initiatief van Arnold Heystee in de moeilijke jaren van de Eerste Wereldoorlog. Heystee gaf in 1915 de opdracht aan de architect J.F. Staal die hij kende van de sociëteit Architectura et Amicitia. Deze benaderde vier jonge architecten om mee te werken: Margaret Kropholler, zijn latere echtgenote, Cornelis Jouke Blaauw, Guillaume la Croix en Piet Kramer. Zij kregen van Heystee geheel de vrije hand in het bouwen van zeventien landhuizen op een speciaal daartoe aangeschaft perceel te Bergen: zeven vrijstaande, twee dubbele en twee driedelige villa’s. Enige voorwaarde was dat zij in de interieurs ruim gebruik zouden maken van Heystee’s tegels. Alle villa’s werden tussen 1917 en 1918 gebouwd. De villa’s hebben rieten kappen, golvende lijnen, houten kozijnen en bakstenen gevels in de stijl die vanaf 1916 de Amsterdamse School is gaan heten. Op dit project werden echter grote verliezen geleden door Heystee.

An official guide to Japan : with preparatory explanations on Japanese customs, language, history, religion, literature, fine art, architecture, music, drama, etc., etc. : a handbook for travellers / prep. by the Japanese Government Railways
Tōkyō : [Japanese Government Railways], 1933. xxii, ccx, 506 pagina’s : illustraties, kaarten ; 16 cm.
De Japanese Government Railways (JGR) was het nationale spoorwegsysteem dat van 1872 tot 1949 werd beheerd door het Ministerie van Spoorwegen (Tetsudō-shō]) van de centrale regering van Japan. Een van de taken van de Japanse regeringsspoorwegen was om buitenlandse toeristen naar Japan te lokken. In 1930 richtte de regering de Board of Tourist Industry (国際観光局, Kokusai Kankō Kyoku) op als een onderdeel van de Japanse spoorwegen. Het bestuur drukte en verspreidde fotoposters en Engelse reisgidsen voor buitenlanders en stimuleerde de ontwikkeling van resorthotels. Deze official guide to Japan behoort tot de vroege gidsen voor buitenlandse reizigers in Japan. Het handzame boekje is rijk gevuld met beschrijvingen en 14 plattegronden, 36 kaarten en 10 foto’s. Het geeft een gedetailleerd beeld van Japan in de jaren voor het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog. Opvallend is ook de ruime belangstelling voor Japanse gebruiken, taal, geschiedenis, religie, literatuur, beeldende kunst, architectuur, muziek en toneel. Dit boek is gebaseerd op de delen twee en drie van een vroegere gids An Official guide to Eastern Asia uitgegeven door de Imperial Japanese Government Railways in 1914 waarvan het Rijksmuseum vijf delen in bruikleen heeft van de Koninklijke Vereniging Vrienden van Aziatische Kunst.
