door Geert-Jan Koot
Pratique de la geometrie sur le papier et sur le terrain; où par une methode nouvelle et singuliere l’on peut avec facilité et en peu de tems se perfectionner en cette science / par Sebastien le Clerc
Paris : Claude Jombert, 1716. 96 pages, 82 bladen met platen : illustraties, diagrammen ; 17 cm. Frontispice door Sebastien le Clerc.
Sebastien De Clerc (1637-1714) schreef dit boek ten behoeve van alle tekenaars als een praktische verhandeling voor uiteenlopende toepassingen waaronder het perspectief. De figuren worden gepresenteerd in samenhang met architecturale versieringen, personages en landschappen. Behalve een beroemde graveur, was Le Clerc ingenieur-geograaf, professor in de perspectiefleer, en werd hij als schilder toegelaten tot de Academie royale de peinture et sculpture. Hij schreef ook een tractaat over architectuur en een werk over optica voor kunstenaars, “Discours touchant le point de vue”. Lodewijk XIV benoemde hem tot “Graveur de son cabinet”. Sindsdien liet hij achter zijn naam het predikaat “Graveur du Roy” vermelden.
Deze verhandeling over geometrie heeft veel invloed gehad. Het bevat een inleidende tekst, 67 tekenoefeningen, geïllustreerd met 82 prenten, verdeeld over vijf hoofdstukken. Na de eerste editie uit 1669 verschenen diverse uitgaven tot ver na de dood van Le Clerc, zelfs onder een andere titel namelijk: “Traité de géométrie théorique et pratique à l’usage des artistes” van 1690 tot 1774.

The antiquities of Herculaneum : translated from the italian / by Thomas Martyn, and John Lettice, Bachelors Of Divinity, and Fellows Of Sidney College, Cambridge. Containing the pictures.
London : Printed for S. Leacroft, at the Globe, Charing-Cross, MDCCLXXIII [1773]. [1], xi, [1], lxxiii, [1], 236, [2] pagina’s, [1], L bladen platen : illustraties, map ; 33 cm.
Het boek bevat een frontispice voorstellende een kaart met de Golf van Napels, 3 gegraveerde topografische prenten waaronder de Vesuvius en 50 waarvan 2 uitvouwbaar.
Deze Engelse editie is gebaseerd op het eerste deel van de reeks in acht delen “Antichità di Ercolano esposte” (1757-1792), uitgegeven door de Accademia Ercolanese en geredigeerd door Ottavio Antonio Bayardi (1690-1765). De Hellenistische afbeeldingen in deze Italiaanse uitgave oefenden een grote aantrekkingskracht op kunstenaars uit. Het werk leverde een groot aantal klassieke motieven op die in de prakrijk gebruikt konden worden. De afbeeldingen hebben niet alleen betrekking op de opgravingen in Herculaneum maar beslaan de hele Golf van Napels inclusief Pompeï en Bastiae, die in het Palazzo Reale di Portici te Napels tentoon werden gesteld. Er werd gezegd dat vanwege dit boek studenten van de oudheid en vrijwel alle liefhebbers van kunst zich verplicht zouden voelen om naar Napels te gaan, nadat ze Florence en Rome hadden bezocht. (bron: Wikipedia)
Geïnspireerd door het succes van de Italiaanse editie, namen Thomas Martyn (1735-1825) en John Lettice (1737-1832) in 1773 het initiatief voor de Engelse vertaling resulterend in dit boek met de titel “The Antiquities of Herculaneum”. Hoewel zij deden voorkomen dat het werk was gebaseerd op het Italiaanse origineel uitgegeven door de Reale Accademia Ercolanese di Archeologia di Napoli was het feitelijk een niet geautoriseerde piraatuitgave. Het werd zelfs onder twee verschillende imprints gepubliceerd. De Napolitaanse rechtbank stuurde een formeel protest waarop de publicatie van de overige delen werd gestaakt. Slechts het eerste deel met 50 prenten naar de opgegraven schilderingen is verschenen. Het is mogelijk dat deze Engelse editie veel invloed heeft gehad op kunstenaars in Engeland, maar het staat vast dat de originele Italiaanse editie, waarvan het laatste deel overigens pas verscheen in 1792, wijd verspreid was en de belangstelling voor de archeologische vondsten rond Napels en de klassieke oudheid heeft versterkt. De prenten vormden een inspiratiebron voor de schilderkunst en vooral voor de kunstnijverheid van de tweede helft van de 18de eeuw.

Baumanns neue Farbentonkarte System Prase : (DRGM 460 993) : 1359 systematisch abgestufte Farbentöne nebst Angabe ihrer Mischverhältnisse und Mitteilungen über Art und Verwendbarkeit der gebräuchlichsten Farbstoffe
Aue i. Sachsen : Verlag von P. Baumann, 1912. XVI pagina’s, 47 kaarten : illustraties ; 18 cm. Losbladig in omslag, gestoken in schuifcassette.
Het boek bevat één dubbelzijdige kleurenkaart met kleurcirkel en schaduwkaart, genummerd 1 – 2, en 46 kleurkaarten, genummerd 3 – 47 + 6a; elke kaart voorzien van een aangehecht tekstblad met mengtabellen en 36 opgeplakte kleurmonsters.
De Duitse schilder en architect Otto Prase (1874-1956) onderzocht de samenhang van kleur zowel vanuit een theoretisch als een praktisch oogpunt. Zijn systeem lijkt op dat van Wilhelm Ostwald, maar Prase wilde zijn onafhankelijkheid van Ostwald benadrukken door een eigen kleursysteem te ontwikkelen. In tegenstelling tot Ostwald die rationeel wetenschappelijk te werk ging, benadrukt Prase het belang van het ‘gevoel’ bij het gebruik van zijn kleurkaarten om tot harmonische kleurverhoudingen te komen. Hoewel Prase in 1945 de universele kleurenkaart voorstelde, UNIFAKA, was hij het meest succesvol met zijn eerste voorstel, de Farbtonkarte. Dit kleursysteem werd veel gebruikt in architecturale en interieurschildering in Duitsland tot in de jaren 1950 vanwege de praktische toepasbaarheid.
Het succes van Prase was gebaseerd op zijn samenwerking met de Saksische fabrikant van kleurenkaarten Paul Baumann (1869-1961). Ter verbetering van een eerder bekroonde kleurkaart voor binnenhuisarchitecten en schilders, gaf Baumann in 1912 dit werk uit op basis van de theorieën van Prase. De structuur van de kaarten volgt niet alleen de praktijk van het mengen van verf, maar geeft ook aanwijzingen voor het combineren van kleurstoffen, overeenkomstig de denk- en werkmethoden van architecturale schilders. Vanuit het spectrum van 24 kleuren zijn 48 tinten tot stand gekomen, door het mengen van twee naast elkaar gelegen kleuren. Deze 48 kleuren werden geschaald volgens gradaties van lichtheid in een aantallen stappen met bijbehorende nummering, afhankelijk van de helderheid, van wit naar zwart.

Dit is een buitengewoon zeldzaam volledig exemplaar van de eerste editie uit 1912 bestaande uit 1359 kleurkaarten. Er zouden nog meer edities volgen en in 1932 werd het werk vertaald in het Engels. In deze editie is bij elke kleurkaart de naam van de tint in drie talen weergegeven (Duits, Engels, Frans) evenals overeenkomstige pigmentformuleringen, en heeft elke kaart uitsparingen voor onderlinge vergelijkingen.

Wereldtentoonstelling voor Koloniën, Zeevaart en Vlaamsche Kunst, Antwerpen 1930 = Exposition internationale coloniale, maritime et d’art Flamand, Anvers 1930 : [photograph album] / Reeks zichten verzameld door J. Smolderen.
[Antwerpen, 1930]. 25 kartonnen bladen met transparante schutbladen, niet gepagineerd, met 100 ingeplakte zwart-wit foto’s ; 62 x 48 cm.
Op het titelblad is vermeld: “De photographische proeven voorkomende in deze reeks … zijn getrokken van opnamen uitgevoerd door: Huis Climan-Ruyssers, door leiding van J. Smolderen, Huis Climan-Ruyssers voor “La Maison d’Editions d’art” Ch. Moreau, Paris, Het geillustreerd dagblad “Antwerpen”, E. Borrenbergen, Mr. Van Rossom, A. Dupon, J. Kennis.”
De Vlaamse architect van deze tentoonstelling en de samensteller van dit album Jos Smolderen (1889-1973) was in de eerste helft van de 20ste eeuw tamelijk bekend. Als hoofdarchitect van de tentoonstelling ter gelegenheid van het eeuwfeest van België was hij regisseur en toneelmeester tegelijk. Smolderen moest een decor neerzetten voor één seizoen, rekening houdend met dertig andere architecten van de afzonderlijke bijdragen en landenpaviljoens. De originele ingeplakte foto’s in dit album geven een uitstekend beeld van de eenheid in verscheidenheid. Het hoogtepunt van de tentoonstelling vormde de triomfboog die als ingang fungeerde en de bezoekers welkom heette. Het is een knappe vondst van Smolderen om te vertrekken van een antiek schema om een modern bouwwerk te maken. De paviljoenen van Groot-Brittannië en Italië zijn conservatief classicistisch, terwijl die van Brazilië en Frankrijk zijn opgetrokken en versierd in de art deco stijl. Nederland, Duitsland en Noorwegen kozen voor een sobere monumentale stijl die bepalend zou worden voor de architectuur van de crisisjaren dertig. Veel foto’s in dit album zijn gemaakt in het donker vanwege de sprookjesachtige verlichting door de indirecte verlichting. Het effect was een lumineus schouwspel met lichtbollen, lichtgevende fonteinen en waterstralen, lichtzuilen en het gebruik van gekleurd glas. Ongetwijfeld heeft Philips Eindhoven hieraan een belangrijke bijdrage geleverd.
Naast de officiële gids, speciale tijdschriften, het souvenir fotoalbum, de feestelijke publicatie Livre d’Or (Gulden boek) en enkele gespecialiseerde werken als de tweedelige catalogus Trésor de l’art flamand du moyen-âge au XVIIIe siècle is dit album vrijwel onbekend vanwege de zeer kleine oplage, vermoedelijk niet meer dan tien. Er zijn slechts vier exemplaren bekend.

nkf cables / design and photography by f. stapel
Delft : N.V. Nederlandsche Kabelfabriek, 1940. 80 pagina’s : hoofdzakelijk illustraties ; 30 cm. Tekst in het Engels, inleiding in het Spaans. In ringband.
Nadat Piet Zwart als ontwerper van de bedrijfsboeken door de Nederlandse Kabelfabriek is ontslagen zet Frits Stapel (1910-1987) zijn werk voort in een vergelijkbaar model met een steunkleur en fotomontagetechnieken. Dit boek behoort tot zijn vroegste ontwerpen voor NKF en is vanwege het verschijningsjaar kort voor het uitbreken van de tweede wereldoorlog in 1940 onbekend gebleven. Opvallend is de Spaanstalige inleiding. Het is bedoeld voor buitenlandse relaties om de fabriek en de producten te presenteren, kort na het 25 jarig bestaan van de NKF in 1939. In het boek worden de soorten kabels, de toegepaste materialen en het fabricageproces gepresenteerd in een modernistische fotomontagetechniek. Opvallend is dat voor de titel en de auteursvermelding geen hoofdletters zijn gebruikt. Op de laatste bladzijden is ook aandacht voor de werknemers uiteenlopend van arbeiders tot onderzoekers in het laboratorium.

Oliedrukkabel / door C.F. Proos; ontwerp Frits Stapel
Delft : N.V. Nederlandsche Kabelfabriek, 1941. 31 pagina’s : illustraties ; 25 cm.
Dit boekje bevat de tekst van de lezing gehouden voor de afdeling Electrotechniek en Technische Natuurkunde van het Koninklijk Instituut van Ingenieurs door Ir. C.F. Proos, directeur der N.V. Nederlandsche Kabelfabriek te Delft, op 28 Maart 1941. Na afloop van de lezing bezochten de studenten de fabriek om het fabricageproces te bekijken. Het boek is een goed voorbeeld van de oorspronkelijke opzet van de NKF boeken als voorlichtingsmateriaal voor technische scholen en technisch personeel. Directeur Proos bespreekt de geschiedenis van de totstandkoming van de hoogspanningskabel en gaat in op het belang van de isolatie door oliedruk.

N.K.F : 150 kV Oliedrukkabel : N.V. Nederlandsche Kabelfabriek, Delft / ontwerp Stapel.
Delft : N.V. Nederlandsche Kabelfabriek, [1950?]. 12 ongenummerde pagina’s : hoofdzakelijk illustraties ; 27 cm.
In dit promotieboekje wordt de 150 kilovolt hoogspanningskabel gepresenteerd. De kabel is ontwikkeld in opdracht van de Nederlandse regering door de Nederlandse Kabelfabriek in Delft. Het type oliedrukkabel bevat een dunne vloeibare olie met op regelmatige afstanden oliereservoirs.
Frits Stapel volgt een wat klassiekere indeling van sommige pagina’s door de foto’s in rastervorm te plaatsen. Afgezien van de paarse letters op de voorzijde hanteert hij consequent de steunkleur geel.

N.K.F. : N.V. Nederlandsche Kabelfabriek, Delft, Netherlands / layout: F. Stapel.
[Delft] : [Nederlandsche Kabelfabriek], [1954?]. 76 pagina’s : illustraties ; 31 cm.
Tekst in het Engels, inleiding ook in het Frans, Duits en Spaans.
Bij het veertig jarig bestaan van de Nederlandse Kabelfabriek in 1954, verscheen dit boek om een overzicht te geven van de ontwikkeling die de fabriek heeft doorgemaakt. Hoewel de nadruk op de elektriciteitskabels ligt, zijn ook schakelkasten opgenomen evenals foto’s van het productieproces en van het interieur van het testcentrum. De tekst is in het Engels terwijl de inleiding in vier talen is gedrukt: Engels, Duits, Spaans en Frans. Frits Stapel gebruikt foto’s, fotomontages en zelfs volledige pagina lay-outs uit zijn eerdere boeken voor de NKF. Stapel gaat in deze ontwerpen niet zo ver als Piet Zwart die in de NKF boeken van 1924 tot 1933 ook papiermonsters, halve pagina’s en tabbladen opnam. Wel zijn drie verschillende steunkleuren toegepast: blauw, groen en oranje. Evenals de voorgaande boeken is ook dit werk gedrukt door N.V. Trio in Den Haag.

Zie voor een inleidende tekst en foto’s van het binnenwerk van deze vier bedrijfsfotoboeken door Frits Stapel de aanwinstenblog van januari 2019.
De handweefkunst / door Elisabeth de Saedeleer ; teekening door Jac. Dupuis.
[Plaats van uitgave niet bekend] : Elisabeth de Saedeleer, Drukkerij F. Van Buggenhoudt, ©1947. 147 pagina’s, [1] blad : illustraties ; 24 x 25 cm.
Luxe exemplaar no. 7. Met losse ingekleurde (gelithografeerde) tekening van Elisabeth de Saedeleer en een boekband van geborduurde stof.
Elisabeth de Saedeleer (1902-1972) was een Belgische landschapsschilderes en textielkunstenares met een eigen atelier in Brussel. Deze handleiding voor het handweven van textiele stoffen met een illustratie van Jac. Dupuis heeft zij in eigen beheer uitgegeven. Hoewel niet in deze uitgave opgegeven, vermelden andere catalogi op basis van de reguliere editie als plaats van uitgave Brussel, Kunstatelier E. de Saedeleer. Dit exemplaar is nummer 7 uit de luxe serie voorzien van een boekband met geborduurde en handgeweven stof. Het is mogelijk dat het geweven textiel van de band door de auteur zelf is vervaardigd. Bovendien is een getekend (gelithografeerd) en ingekleurd portret toegevoegd. De aanduiding op het titelblad “teekening Jac. Dupuis” heeft waarschijnlijk betrekking op de Belgische architect en meubelontwerper Jacques Dupuis (1914-1984) die aanvankelijk werkte als tijdschriftillustrator.


Elisabeth de Saedeleer verbleef gedurende de oorlogsjaren 1914-1918 met haar zusters en vader Valerius (1867-1941), die een bekend schilder uit de Latemse school was, in Wales waar zij kennismaakte met de arts and crafts opvattingen van William Morris. Hier begon zij te werken in de geest van Ruskin, Burne-Jones en de kunstenaarsgroep de Prerafaëlieten.
Het doel van dit boek is het handwerk te laten herleven en het weefwerk te promoten als geschikte bezigheid en kostwinning voor de vrouw. De Saedeleer behandelt alle aspecten van de geschiedenis en de technieken van het spinnen, het verven en het handweven van diverse natuurlijke stoffen als linnengoed, meubelstof en tapijten. Het boek is fraai vormgegeven met gekleurde tussenbladen, foto’s en tekeningen voorzien van functionele steunkleuren.

Stantec Zebra program manual / Standard Telephones and Cables (Stantec)
[London ?] : STC, ©1958. 111, vi pagina’s : illustraties ; 31 cm. Los bijgevoegd: aantekeningen en foto’s van de inhuizing van een computer.
De ZEBRA was een in 1957 ontwikkelde computer en één van de eerste computers in Nederland. De afkorting ZEBRA staat voor Zeer Eenvoudige Binaire Reken Automaat. De ZEBRA is ontworpen door Willem van der Poel die werkzaam was voor de PTT en gebouwd door Standard Telephones and Cables (Stantec) in Engeland. De eerste versie van ZEBRA werkte met elektronenbuizen, latere versie werden opgebouwd uit transistors. Er zijn 55 exemplaren van de ZEBRA in verschillende configuraties verkocht, waarvan ongeveer 10 in Nederland. Een van de eerste systemen werd in gebruik genomen bij de Rijksuniversiteit Groningen RuG (Wikipedia) in 1958. De opleiding Informatica bestond op dat moment nog niet en de computer was dan ook eigendom van het Mathematisch Instituut. Vergeleken met de computers van tegenwoordig is de ZEBRA enorm primitief, de in- en uitvoer ging bijvoorbeeld via een ponsband (een papieren rol met coderingen via gaatjescombinaties) en grotere berekeningen vergden al snel tientallen meters papier.
In de verkoopbrochure van de Stantec ZEBRA Electronic Digital Computer uit 1961 wordt de machine als volgt beschreven. “De Stantec-ZEBRA computer is een middelgrote elektronische digitale computer oorspronkelijk ontworpen door samenwerking tussen wiskundigen van de Nederlandse PTT en ingenieurs van Standard Telephones and Cables Limited (Newport, Monmouthshire, Groot Brittannië). Bedoeld voor wiskundig gebruik, is de Stantec-ZEBRA computer zodanig flexibel inzetbaar dat het ook als controle centrum voor gegevensverwerking kan worden ingezet. Dat betekent zowel bruikbaar voor industriële toepassingen als voor wetenschappelijk onderzoek.”

Deze manual is een handleiding voor het gebruik in het Mathematisch Instituut van de RuG, voorzien van tal van aantekeningen en bijgevoegde losse bladen. De stempel van het Instituut is zichtbaar op het titelblad. Kennelijk zijn de computer evenals de handleiding niet bewaard gebleven in Groningen. Dit exemplaar werd onder meer verworven vanwege de los bijgevoegde foto’s die een intrigerend beeld geven van de installatie van deze computer in het MI aan de Reitdiepkade. Deze documentaire foto’s vormen een aanvulling op het project Document Nederland uit 1986 dat resulteerde in het boek “In het teken van de robot : automatisering in Nederland” met foto’s van Michel Pellanders en René de Wit.
