door Geert-Jan Koot
Leiden : By Johannes du Vivié, en Is. Severinus, Boekverkoopers, 1705. 236 pagina’s : 21 illustraties ; 21 cm.
Hendrik Coets (1652/1670?-1730) was van 1701 tot 1730 lector in de wiskunde en krijgskunde aan de Leidse School voor Nederduytsche Mathematique. Dit was de eerste Nederlandse ingenieursschool voor opleiding tot militair ingenieur en vestingbouwer, gesticht in 1600 aan de Universiteit te Leiden. De ingenieursopleiding aan de Universiteit Leiden heeft met onderbreking tussen 1681 en 1701 voortbestaan tot in de eerste helft van de 19e eeuw. Met de benoeming van Coets in 1701 begon de heropleving van de school.

In het voorwoord van deze tweede druk (eerste druk Amsterdam 1703) geeft Coets aan dat hij diverse soorten zonnewijzers op platte vlakken volgens een meetkundige manier beschrijft. Alle varianten zonnewijzers zijn te herleiden tot dezelfde basisbeginselen. De oorspronkelijk Latijnse uitgave is overgezet in de Nederduitse taal “om de inboorlingen van ons vaderland nog grooter dienst te sullen doen”. Bovendien is een negentiende hoofdstuk toegevoegd met probleemstellingen en oefeningen. De oorspronkelijke publicatie verscheen in 1690 met 20 platen als Horologiographia plana : seu nova et perspicua in superficiebus planis omnia genera horologiorum describendi methodus.
Dit boek maakt deel uit van een schenking van ruim 300 boeken en tijdschriften van de Stichting Vakopleiding Uurwerkmakers Faddegon. Deze voornamelijk technische boeken op het gebied van uurwerken vormen inhoudelijk een belangrijke en ideale aanvulling op de meer historisch georiënteerde bibliotheek van de uurwerkrestaurator en conservator Hans van der Kamp (325 titels) door het Rijksmuseum aangekocht in 2017.

Essai sur la perspective linéaire et sur les ombres / Nicolas-François de Curel
Strasbourg, Christmann et Levrault, 1766. XI, 56 pagina‘s, 2 bladen : illustraties (6 uitklapplaten) ; 18,5 x 12 cm.
De Franse luitenant-kolonel Nicolas-François de Curel (1739-1824) was directeur van de fortificaties van Metz en een expert op het gebied van vestingbouw. Hij ging als tweede luitenant naar de technische school van Mézières om te worden opgeleid tot bouwkundig ingenieur. Over zijn werk aan de vesting Saarlouis in 1792 en 1793 is een publicatie verschenen. De Curiel was lid van de Académie Française, geridderd als Chevalier de l’Ordre royal et militaire de Saint-Louis, en Officier de la Légion d’honneur. Bovendien droeg hij de titels Seigneur de Royaumeix et de Xonville, en Vicomte de Curel de Baillivy. Ontslagen uit zijn functie in 1793 wegens gebrek aan burgerzin, kreeg hij eerherstel van de Commissie van Openbare Veiligheid (Comité de Salut public) in het revolutiejaar III (1794-1795). Kortom, een man van aanzien met een militaire loopbaan van 45 jaar zonder te zijn ingezet bij een militaire campagne.

Artistieke of pedagogische aspiraties lijken niet vast te stellen bij Nicolas-François de Curel. Des te opmerkelijk is het dat hij op 27 jarige leeftijd zijn leerboek Essai sur la perspective linéaire et sur les ombres schreef over perspectiefleer. Dit werk is het resultaat van zijn opleiding tot ingenieur van 1761 tot 1763 en zijn belangstelling voor militaire bouwwerken. Het boek is zeldzaam met slechts exemplaren in twee andere bibliotheken. Het behandelt in drie delen het lineaire perspectief en de weergave van schaduw geïllustreerd met zes prenten. Dit zijn uitvouwbare kopergravures met daarop meetkundige voorbeelden van perspectief en schaduwwerkingen van objecten.

A Paris : Chez Charles-Antoine Jombert, pere …, 1773. xj, [1], 55, [1] pagina’s, 44 bladen met platen : illustraties, portretprent ; 30 cm.
Met een gegraveerd portret van Rubens, 44 pagina’s kopergravures door Pierre Aveline (1656-1722) naar ontwerpen van Rubens, een gegraveerd vignet op het titelblad evenals begin- en eindvignetten.
De Franse uitgever Charles-Antoine Jombert (1712-1784) verklaart in de inleiding van dit boek dat hij op de veiling van de graveur Gabriel Huquier (1695-1772) in november 1772 een handschrift en 22 originele koperplaten kocht. Dit manuscript is te herleiden tot een in het Latijn opgesteld handschrift van Peter Paul Rubens (1577-1640). De koperplaten werden tussen 1744 en 1760 gegraveerd door Pierre Aveline (1656-1722) mogelijk naar ontwerpen van Rubens en Leonardo da Vinci. Jombert heeft de tekst in het handschrift vertaald naar het Frans en uitgegeven met 44 kopergravures van Aveline. De authenticiteit van het handschrift dat na de dood van Rubens in zijn atelier zou zijn aangetroffen is lange tijd in twijfel getrokken als een apocriefe compilatie, totdat Nadeije Laneyrie-Dagen in haar studie Theorie de la Figure Humaine, Pierre Paul Rubens uit 2003, de tekst toeschreef aan Rubens op grond van verschillende handschriften. Overigens ging Jacob Bolten in zijn proefschrift Het Noord- en Zuidnederlandse tekenboek 1600-1750 uit 1979 al uit van de authenticiteit van de tekst. Jombert heeft echter veel wijzigingen aangebracht, tekst weggelaten en aanvullingen toegevoegd waaronder fragmenten ontleend aan de Franse uitgave van Leonardo da Vinci’s Traité de la peinture uit 1651.

Het boek is geen tekenvoorbeeldboek maar een theoretische verhandeling over de weergave van het menselijk lichaam met verwijzingen naar de Kabbala en de filosofie van Pythagoras. Rubens herleidt het lichaam tot geometrische basisvormen en wijdt hoofdstukken aan onder meer de verschillen in weergave van man, vrouw en kind, de studie van beelden uit de klassieke oudheid, fysionomie of de leer van gelaatsuitdrukkingen, en bewegingen en houdingen van het lichaam. De stereometrische methode van Rubens is goed te zien in de afbeelding van het gelaat van de Farnese Hercules. Ook op enkele andere gravures vormen geometrische vormen de basis. Zes prenten zijn gebaseerd op illustraties in de eerste Franse vertaling van het traktaat over schilderkunst van Leonardo da Vinci uit 1651, Traité de la peinture. Van de andere prenten wordt aangenomen dat ze vrij naar Rubens zijn.

In hetzelfde jaar 1773 geeft Jombert een vervolg uit op dit boek, dat wel als een tekenvoorbeeldboek kan worden aangemerkt: Principes de dessein, appliqués à la pratique met als ondertitel Suite de la théorie de la figure humaine. Seconde partie, contenant les principes de dessein. Hierin heeft Jombert verschillende zelfstandige prentreeksen bijeengebracht die omstreeks het midden van de achttiende eeuw waren gepubliceerd. Hij voorzag de afzonderlijke honderd prenten van een opeenvolgende nummering en plaatste een korte inleiding als pedagogische verantwoording aan het begin van de publicatie. De indeling van de prentreeksen volgt de academische logica, met als eerste reeks de onderdelen van het gelaat, de tweede reeks met de handen en de voeten en tenslotte de volledige menselijke figuur al dan niet gekleed.

Het verworven boek wijkt af van het exemplaar in de Bibliothèque nationale de France. Hoewel alle gravures zijn opgenomen ontbreekt de gegraveerde nummering en correspondeert de volgorde niet met de onderwerpen in de tekst. Omdat ook begeleidende teksten en verantwoordingen (Rubens delin ; P. Aveline sculps.) ontbreken zouden de prenten als proefdrukken bedoeld kunnen zijn en door de binder toegevoegd aan het tekstdeel. De afwijkende positionering van de prentafdruk op de pagina’s wijst ook in deze richting. Het is ook mogelijk dat dit de afdrukken van de koperplaten zijn voordat Jombert de nummering en bijschriften toevoegde aan de drukplaten. Het gegraveerde portret van Rubens voorafgaand aan het titelblad is een uitsnede van de oorspronkelijke portretprent, gereduceerd tot een ovaal en zonder de tekst. Aan het vignette op het titelblad ontbreekt enige detaillering wat wijst op slijtage van de koperplaat.

In Romae : Nella stameria Pagliarni, 1786. [3], v pagina’s, 36 ongenummerde bladen met platen : illustraties ; 56 cm.
Giovanni Volpato (1740-1803) genoot bekendheid als graveur onder kunstenaars en kunstkenners. Hij was ook een internationaal opererende handelaar in oudheden die persoonlijk opgravingen in Rome financierde, zoals de Termen van Caracalla in 1779 en de Termen van Tito, in samenwerking met de Schotse neoklassieke schilder Gavin Hamilton (1723-1798). Naast zijn handel in oudheden en de restauratie en productie van kopieën en gravures had de zakenman Giovanni Volpato zich verbonden met rijke verzamelaars als Girolamo Zulian (1730-1795), de Venetiaanse ambassadeur in Rome. Later ging hij zich ook toeleggen op het fabriceren van reproducties van meesterwerken uit de klassieke oudheid in ongeglazuurd biscuitporselein, gemodelleerd in kleine formaten. De inventaris van zijn winkel telde na zijn overlijden 13.000 prentafdrukken. Zijn faam blijkt uit het door Antonio Canova (1757-1822) ontworpen monument voor zijn graf in de SS. Apostoli te Rome. Zijn portret werd geschilderd door de bekende portretschilderes Angelica Kauffmann (1741-1807).

De 36 etsen in dit omvangrijke tekenvoorbeeldboek zijn uitgevoerd door Raffaello Morghen (1758-1833), naar ontwerpen van Giovanni Volpato. De klassieke beelden die als voorbeeld zijn gekozen werden gereduceerd tot de essentie met fijne lijnvoering en gedetailleerde arcering. Het was de opzet om zo min mogelijk toe te voegen om de aankomende kunstenaars zuivere en transparante voorbeelden te bieden ter bestudering en oefening. Op de Scuola di Pittura di Pavia gold het boek nog in de 19de eeuw als een onmisbaar hulpmiddel om een gedegen kennis van sculpturale figuren op te doen.

Na zijn studie bij de Remondini’s, de familie van grafici in Bassano, vestigde Giovanni Volpato een school voor graveurs in Rome. Onder zijn leerlingen bevond zich Raffaello Sanzio Morghen. Hij werd geboren in Napels in een Duitse familie van graveurs. Hij kreeg zijn eerste opleiding van zijn vader en werd vervolgens leerling van Giovanni Volpato. Morghen trouwde met Volpato’s dochter, en nadat hij was uitgenodigd om de meesterwerken van de Galleria degli Uffizi te graveren, verhuisde hij in 1782 met zijn vrouw naar Florence. Omdat hij een zeer goede reputatie kreeg, werd Morghen aanbevolen aan de groothertog om Da Vinci’s Laatste Avondmaal in Milaan te graveren. Vanwege de staat van het originele schilderij en als gevolg van de slechte ontwerptekening die voor Morghen werd gemaakt, werd de gravure aanvankelijk geen succes. De roem van Morghen verspreidde zich echter snel over Europa. In 1803 werd hij gekozen tot lid van het prestigieuze Institut de France. In 1812 nodigde Napoleon hem uit om naar Parijs te komen.
De bladen met de etsen in dit boek zijn voorzien van een watermerk in de linker marge met ‘Pietro Miliani Fabriano’. Pietro Miliani Fabriano (1744-1817) was een ondernemer die in 1782 de Miliani Fabriano papierfabriek vestigde. Helaas heeft de gebruikte papiersoort vocht aangetrokken waardoor sommige bladen in dit exemplaar door bruine vlekjes worden ontsierd.
Voor meer informatie over Giovanni Volpato zie de aanwinstenblog van juli 2021.

London, Longman, Hurst, Rees, Orme, and Brown, 1812. [128] pagina’s (iv, 66, 18, 26, 16), [24] bladen met platen : illustraties ; 42 cm.
De samensteller van dit boek over Engelse schilder-, beeldhouw-, en bouwkunst is de kunst- en architectuurhistoricus John Britton (1771-1857), redacteur en schrijver van topografische werken zoals negen delen van reeks The Beauties of England and Wales (1801–1815). Hij schreef acht van de twintig essays in The fine arts of the English School. De inleiding vangt aan met de doelstelling: “… to illustrate the Fine Arts of the English School, by exhibiting, progressively and collectively, a series of highly finished Engravings, from the executed designs of the most eminent Architects, Painters, and Sculptors of Great Britain”. Het is bedoeld voor kunstenaars, kunstkenners en de Engelsman met een goede smaak (“every Englishman of real taste”). In het voorwoord wordt de patriottische intentie met een citaat van Lord Kaimes weergeven: “To promote the Fine Arts in Britain has become of greater importance than is generally imagined”. In zijn pleidooi voor contemporaine kunst prijst Britton de koning, de Prince of Wales en een reeks met name genoemde edelen en ‘gentlemen’ voor hun belangstelling voor hedendaagse kunstenaars. Interessant in dit verband is het frontispiece met een ontwerp voor een nationale instelling voor de schone kunsten, de wetenschappen en de literatuur van het Britse koninkrijk van de visionaire architect Joseph Gandy (1771-1843). De National Gallery in Londen, opgericht in 1824, werd pas in 1838 geopend in een gebouw naar ontwerp van William Wilkins (1778-1839). Het British Museum bestond al sinds 1753 en verhuisde in 1847 naar het huidige museumgebouw van Robert Smirke.

De inhoud omvat twintig verschillende essays door diverse auteurs met in totaal 24 illustraties inclusief het frontspiece. De eerste hoofdstukken zijn biografieën van John Dunning (Lord Ashburton), John, Marquis of Granby en de schilders George Romney en Sir Joshua Reynolds. Daarop volgen essays over afzonderlijke schilderijen en beeldhouwwerken waaronder ‘Garrick between Tragedy and Comedy’ geschilderd door Sir Joshua Reynolds, een monumentaal beeld van John Flaxman, een relief van dezelfde beeldhouwer (zie afbeelding), een landschap met de titel ‘Pope’s Villa’ door J.W.M. Turner en een landschap van Thomas Gainsborough. Het boek sluit af met een beschrijving van de kathedraal van St. Paul in Londen. Vermoedelijk is het werk in tenminste vier delen verschenen aangezien elk deel een eigen paginering heeft met een oplopende datering van 1810 tot 1812.
De prenten zijn uitgevoerd door John Le Keux, John Pye, Edward Scriven, William Bond, Antoin Cardon en J. Godby naar ontwerpen van Joshua Michael Gandy, Sir Joshua Reynolds, Martin Archer Shee, Anton Raphael Mengs, John Flaxman, Richard Westall, George Romney, Joseph Nollekens, Henry Howard, James Northcote, J.M.W. Turner, Benjamin West, Thomas Banks, Thomas Gainsborough, en James Elmes.

Het grafbeeld “Deliver us from evil” van John Flaxman (1755-1826) is gebaseerd op het gebed ‘het Onze Vader’ (‘Verlos ons van het kwaad’). Moreel kwaad wordt uitgebeeld door twee monsterlijke figuren die staan voor sensualiteit en boosaardigheid, terwijl een opgerolde slang wordt weergegeven als symbool van zonde en dood. De mens wordt getoond in zijn worsteling met deze vijanden op weg naar deugd en geluk. Overeenkomstig de opvatting van het christelijk geloof, gebaseerd op de noodzakelijke interventie van de almachtige om de verlossing op te roepen, heeft de kunstenaar dit idee gestalte gegeven in de goedaardige hulp van twee engelachtige vormen. Eén daarvan is gericht op het afstoten van de walgelijke figuur van sensualiteit; terwijl de ander zijn zachte, maar zelfverzekerde pogingen doet om de ziel van de overledene (voorgesteld als volwassen mens) te bevrijden van de verscheurende tanden van boosaardigheid. Deze afbeelding van twee goede en twee kwade geesten die strijden om de menselijke ziel, illustreert het concept van de New Church of England van geestelijke vrijheid: “[F]or a man to have communication with the spiritual world there must be joined to him two spirits from hell and two angels from heaven, and . . . without these he would have no life whatever”. Volgens Britton kan oprecht worden beweerd dat sinds Michelangelo geen enkele kunstenaar een beeldhouwwerk heeft geproduceerd dat dit in ontwerp, compositie en passende uitdrukking overtreft. “Als we het huidige ontwerp vergelijken met de gangbare voorbeelden van monumentale sculptuur, zullen we beter in staat zijn om de relatieve en individuele waarde ervan te waarderen: want hierin is niets alledaags, vulgair, afgezaagd of kinderachtig: het is het ontwerp van Genius, en de uitvoering van superieure Art”.
Het beeld is in marmer uitgevoerd als onderdeel van het grafmonument van de Baring familie in de St. Mary the Virgin Church in Micheldever (1801-1813).

Anweisung zur Miniaturmalerei : zum Selbstunterricht / von Ferd. Schubert
Quedlinburg [etc.] : Basse, 1832. VIII, 62 pagina‘s ; 20 cm.
Ferdinand Schubert (1794-1859) is de oudere broer van de Oostenrijkse componist Franz Schubert (1797-1828). Ferdinand was leraar en schreef enkele boeken ten behoeven van het onderwijs op zijn school. Het verworven boekje is bedoeld voor zelfstudie. Er zijn slechts een paar van zijn handleidingen bekend. In 2019 verwierf het Rijksmuseum twee van zijn leerboeken, beide eveneens verschenen bij uitgeverij Basse in 1832: Vollständiger Unterricht in der Oelmalerei, nebst praktischer Anweisung zum Portraitiren; en: Praktischer Unterricht in de Aquarell- und Gouache-Malerei : nebst Anweisungen zum perspectivischen Zeichnen, Tuschen, Farbenmischen, Coloriren.
Schubert behandelt in de inleiding het boek Anweisung zur Miniaturmalerey door P.N. Violet (1793) en het werk Die Miniaturmalerey van L.L. Mansion, dat in het Duits is vertaald en uitgegeven in1824 door Theophil Albrecht Heidemann. Het boek van Mansion is in 1830 door Eelkema in het Nederlands vertaald als Grondig onderrigt in de teeken- en schilderkunst, inzonderheid in miniatuur. Ook gaat Schubert in op de verhandelingen over de schoonheid van Anton Raphael Mengs (1728-1779). De belangrijkste onderwerpen in zijn boek zijn de praktische voorbereiding van perkament en ivoor om deze materialen geschikt te maken voor het schilderen van miniatuurportretten, de materialen als de penselen, en vooral de verfsoorten en de vervaardiging hiervan. Ook de anatomie, de kleuren, het schetsontwerp en de gezichtskleuring komen aan bod. Het boekje komt in slechts vier andere bibliotheken voor.

Bologna : Per le stampe del Sassi, 1833. 118, [4] pagina’s ; 21 cm.
Dit leerboek voor studenten aan kunstacademies behandelt de basisprincipes van de schilderkunst. De thematiek is in de eerste vijftien hoofdstukken verdeeld over de volgende onderwerpen: goede smaak, tekenen, proporties van het menselijk lichaam, lijnperspectief, anatomie, tekenen van naakten, inventie, compositie, expressie, kleurgebruik, schaduwwerking, en de doelstelling van de auteur (Intenzione dell‘autore). Vervolgens behandelt Albèri in vijf hoofdstukken afzonderlijke Italiaanse meesterwerken waaronder Santa Cecilia van Rafael, de Pièta en Christo Morto van Guido Reni, en S. Agnese van Domenichino. Tenslotte eindigt het werk met de inhoudsopgave en worden enkele drukfouten gecorrigeerd.
Francesco Albèri (1765- 1836) was een neoklassieke schilder achtereenvolgens gevestigd in Rome, Rimini, Padua en Bologna. Aanvankelijk ging hij in de leer bij Giuseppe Soleri in Rimini, om leerling van Domenico Corvi in Rome te worden. Na vijf jaar bij Corvi keerde hij terug naar Rimini, waar hij in olie, tempera en fresco schilderde voor prominente families zoals de Battaglini, Garampi, Ganganelli en Spina. In 1799 volgde zijn benoeming tot professor aan het Lyceum van Rimini. Tussen 1803 en 1806 was hij ‘professor’ schilderkunst aan de Academia in Bologna, waarna hij naar Padua verhuisde. In 1810 keerde hij terug naar Bologna. Zijn schilderijen beeldden over het algemeen Grieks-Romeinse klassieke thema’s of historische onderwerpen uit. Volgens het titelblad van dit boek was hij erelid van de Pauselijke Academie van Sint-Lucas van Rome en van de Koninklijke Academie van Antwerpen, maar tevens stemgerechtigd lid van de klasse der professoren aan de Academie te Florence en professor in de schilderkunst aan de Pauselijke Academie te Bologna. Aan laatstgenoemd opleidingsinstituut heeft hij deze verhandeling opgedragen.

Quedlinburg ; und Leipzig : Druck und Verlag von Gottfr. Basse, 1833. 15 pagina‘s, 1 ongenummerd vouwblad met illustraties ; 19 cm.
Over de auteur Heinrich Anton Poller is niets bekend. Het in omvang bescheiden boekje is, evenals het hiervoor beschreven werk van Ferdinand Schubert, uitgegeven door de zoon van Gottfried Basse (1778-1825). Het aantal verschillende handboeken op commercieel, medisch en huishoudelijk gebied in het uitgeversfonds van Basse was enorm. Zijn zoon Karl Georg Heinrich erfde een zeer bloeiend bedrijf, dat verder werd uitgebreid in Quedlinburg en Leipzig.
Het boekje bevat een beschrijving van het proces voor het etsen van glas met fluorwaterstofzuur. Etsen is een oppervlaktebehandeling waarbij een oppervlak van een voorwerp met een meestal vloeibaar middel wordt behandeld. Hierbij treedt een chemische reactie op waarbij het oppervlak gedeeltelijk oplost. Glas kan worden geëtst met waterstoffluoride of ammoniumfluoride om er afbeeldingen op aan te brengen. Met een mal wordt een patroon aangebracht. Het glas wordt in het zuur gedompeld. Het fluorwaterstof reageert met het glas. De uitvinding werd in 1787 gedaan door de chemicus Jean Pierre Casimir Marcassus de Puymaurin (1757-1841) in Toulouse. Van Marcassus de Puymaurin verwierf het Rijksmuseum onlangs een tractaaat over indigo, Notice sur le pastel (Isatis Tinctorum), sa cultura et les moyens d’en retirer l’indigo. Hierin beschrijft hij de mogelijkheden om de kleurstof indigo uit het gewas wede te extraheren.
De uitklapplaat met illustraties laten de gereedschappen en hulpmiddelen voor het etsen in glas zien. Van dit boekje zijn slechts vijf andere exemplaren bekend.

Haarlem : A.C. Kruseman, 1853. 2 delen in 1 band: deel 1 (312 pagina’s) 3e druk, deel 2 (336 pagina’s) 2de druk : 1 Illustratie ; 18 cm.

Amsterdam : Gebr. E. & M. Cohen, [ca. 1887]. Editie: [herdruk]. VI, 403 pagina’s : illustraties (zw. grav.) ; 20 cm.
De negerhut van Oom Tom van Harriet Beecher Stowe (1811-1896) is een van de bekendste boeken uit de canon van de Amerikaanse literatuur en een aanklacht tegen de slavernij. Het werd in 1852 gepubliceerd nadat het werk tussen 1851 en 1852 in verschillende afleveringen was verschenen. Direct beïnvloedde het de heersende opvattingen over slavernij. De roman beschrijft de lotgevallen van een aantal tot slaaf gemaakten en hoe ze lijden onder de slavernij. Het boek erkent dat veel plantage eigenaren de tot slaaf gemaakte arbeidskrachten goed behandelen, maar deze ondergeschikten lopen het risico dat ze veelal wegens geldgebrek of overlijden van de eigenaar verkocht worden aan slechte meesters, waarbij ouders en kinderen vaak van elkaar gescheiden worden.
De oorspronkelijke titel Uncle Tom’s Cabin or Life among the Lowly betekent letterlijk ‘Oom Toms hut of leven onder de nederigen‘. In het Nederlands werd het boek in 1853 uitgegeven als De negerhut en later als De negerhut van Oom Tom. De versie met het woord negerhut in de titel werd in 1982 voor het laatst gedrukt, tegenwoordig is De hut van Oom Tom gebruikelijk. Het boek werd in 1852, in het jaar van verschijning, in het Nederlands vertaald door C.M. Mensing (1812-1883), onder de titel De negerhut (Uncle Tom’s cabin) : een verhaal uit het slavenleven in Noord-Amerika. In Nederand kwamen in 1853 verschillende drukken en uitgaven van de pers, aanvankelijk in twee delen.

Dit boek was bedoeld om de slechte omstandigheden van de slavernij, de slavenhandel en de wrede, mensonterende toestanden naar buiten te brengen. Het boek wordt gezien als het eerste voorbeeld, waarbij actie werd gevoerd voor een politiek doel via de drukpers. Het werd in korte tijd in enorme aantallen gekocht en vertaald waardoor het uitgroeide tot een internationale bestseller. Uiteindelijk heeft dit boek een belangrijke rol gespeeld bij het bewustwordingsproces en de afschaffing van de slavernij.
In verband met de tentoonstelling over de slavernij in het Rijksmuseum verwierf de bibliotheek twee Nederlandse edities: de tweede en derde druk van de eerste editie uit 1853 in één band, en de uitgave uit ca. 1887 met 70 overwegend kleine illustraties door onder meer de tekenaar en illustrator Johan Coenraad Brakensiek (1858-1940). Bovendien werd de eerste Engelse editie Uncle Tom’s Cabin or Life among the lowly uit 1853 verworven evenals de eerste editie van het Nederlandse vervolg op De Negerhut met de titel De slavernij: Vervolg en sleutel op De Negerhut van dezelfde schrijfster (Harriet Beecher Stowe), uitgave Haarlem, A.C. Kruseman, 1853.

Wien: Selbstverlag (Kunstanstalt Max Jaffé), 1912. 90 bladen illustraties ; oblong 8°
Compleet, hoewel de pagina‘s 56, 64 en 66 ontbreken vanwege een fout in de paginering
Deze handelscatalogus van de Weense “Sarg-Fabrik Julius Maschner & Söhne”, die sinds 1884 bestaat, getuigt van de historische begrafeniscultuur in Wenen. De oprichter van het bedrijf, Julius Friedrich Maschner uit Chemnitz, leidde één van de grootste en meest innovatieve bedrijven in de Habsburgse monarchie. Naast zijn expertise op het gebied van rouwkisten van metaal, ontwikkelde Maschner ook een baanbrekende methode voor het imiteren van metalen doodskisten, waarmee houten doodskisten een metaalachtig uiterlijk kregen door middel van versieringen met blind reliëf en gekleurd of metallic gecoat papierbehang en kartonnen decoraties. De dure metalen kist, voorheen alleen gereserveerd voor aristocraten en rijke burgers voor plaatsing in grafkelders, was nu betaalbaar in een goedkopere imitatie voor minder bedeelden. Deze kisten leverde het bedrijf grote successen op maakte van de Maschners miljonairs.
In deze catalogus is de uitgebreide collectie doodskisten in zwart wit lichtdrukken (collotypie) afgedrukt op hoogwaardig papier. Deze 70 illustraties tonen versierde metalen doodskisten met deelopnames van patronen en guirlandes, meestal samengesteld uit geometrische en florale ornamenten (plantenranken, bloemen, boeketten) in historische stijl maar ook met de lichamen van Christus aan het kruis en engelen.

De sarcofagen gemaakt van edele metalen voor leden van de Habsburgse keizerlijke familie en andere beroemdheden zijn opmerkelijk in uitvoering en decoratie. Het boek toont onder meer de ceremoniële doodskisten voor “Weiland Ihre Majestät”, keizerin Elisabeth en haar zoon kroonprins Rudolf “geliefert in die Kapzinergruft in Wien”, evenals een sarcofaag gemaakt van alpacca voor de voormalige burgemeester Karl Lueger (overleden 1910). Alpacca, ook wel hotelzilver of nikkelzilver genoemd, is een legering van koper, zink en nikkel.
De beide vrijwel identieke kisten van koningin Elisabeth “Sissi” van Oostenrijk (1837-1898) en haar zoon kroonprins Rudolf van Oostenrijk (1858-1889) zijn in deze catalogus opgenomen op pagina 47. De sarcofaag van “Weiland Ihre Majestät” aartshertog Otto Frans van Oostenrijk (1865-1906), zoon van aartshertog Karel Lodewijk en Maria Annunciata van Bourbon-Sicilië, is afgebeeld op pagina 48. In de keizerlijke grafkelder, de Kapuzinergruft in Wenen, zijn 146 mensen begraven waaronder twaalf keizers en achttien keizerinnen van het Habsburgse huis.


Foto © Bwag/CC-BY-SA-4.0.
Carpet treasures of the Orient : a selection from Harrods
London : Harrods, [1919?]. 16 ongenummerde pagina’s : illustraties ; 36 cm.
Deze handelscatalogus van het warenhuis Harrods (Department for Interior Decorations and Furnishing) in Brompton Road, Knightsbridge, Londen biedt een selectie van zeventien luxe karpetten en vloerkleden uit Perzië, Turkmenistan en India. De productiecentra zijn Bukhara, Isfahan, Kashan, Kermanshah, Kuba, Machilipatnam, Sarouk, Sehna, Shirvan en Tabriz. Toegevoegd is een supplementblad met 24 tapijten. Bovendien zijn de prijzen in handschrift bijgeschreven. De karpetten en vloerkleden zijn afgebeeld op zes grote ingeplakte platen in sprekende kleuren offset. Vier afbeeldingen zijn pagina groot en de overige 13 zijn in groepen weergegeven. Het toegevoegde vel papier bevat het watermerk van Abbey Mills Greenfield.
Het voorwoord is geschreven door Richard Woodman Burbidge (1872-1945). Sir Richard was managing director van Harrods Ltd van 1890 tot 1917. Opmerkelijk is dat de reclametaal van de beschrijvingen ook onderhoudende, soms poëtische kwaliteit heeft en zelfs politieke hinten bevat: “De vernietiging die door de snelle opmars van de bolsjewistische fanatici wordt aangericht, voorspelt een grote schaarste aan deze mooie texturen.” (The destruction wrought by the rapid advance of the Bolshevik fanatics presages a great scarcity of these lovely textures. – p. [12]).
Afgezien van een exemplaar in de Caroline Simpson Collection in de Sydney Living Museums in Australië, zijn geen andere exemplaren van deze catalogus bekend.

Amsterdam : Rath & Doodeheefver’s Behangselpapierhandel, 1924. 18 pagina’s : illustraties ; 24 cm + bijlagen
Titel ontleend aan kop boven de tekst op pagina 1. Datering ontleend aan bijgevoegde prijslijst. Op de binnenzijden van de omslag zijn stalen Tekko en Salubra behangselpapier bevestigd.
In De Vertellingen van Duizend-en-een-nacht doodt de sultan Schahriar zijn vrouw, nadat zij hem heeft bedrogen. Hierna trouwt hij elke dag met een nieuwe vrouw, die, voordat zij de kans krijgt hem te bedriegen, de volgende ochtend wordt omgebracht. Scheherazade, zijn laatste echtgenote, vertelt haar man iedere nacht een verhaal dat zij afbreekt vóór het moment dat zij ter dood zal worden gebracht. De sultan wil graag weten hoe het verhaal verder gaat en spaart haar. Het verhaal wordt de volgende nacht afgemaakt, maar dan begint zij met een nieuwe vertelling die weer met een cliffhanger eindigt. Zo gaat dat 1001 nachten door en Scheherazades executie wordt telkens uitgesteld. We weten hoe het afloopt in De Vertellingen: uiteindelijk gaat de sultan van haar houden en schenkt haar gratie. In de novelle De duizend en tweede nacht van de Franse dichter en schrijver Théophile Gautiers (1811-1872) zit Scheherazade echter op het laatst zonder verhaal. Zij gaat op bezoek bij de dichter in Parijs en vraagt hem of hij haar aan een nieuw verhaal kan helpen.

De relatie van deze brochure waarin behangsels worden aangeprezen met beide vertellingen is wat ver gezocht. In de inleiding van dit voornamelijk uit illustraties en stalen bestaande promotieboekje wordt een kalief opgevoerd die een koopman in behangselpapier ontvangt. Deze vertegenwoordiger prijst zijn behangsels aan als afwasbaar en kleurecht. Helaas is de kalief niet overtuigd van de bewering dat het decoratieve papier kan worden gewassen op dezelfde manier als de marmeren vloeren van de badkamers van zijn paleis. Na het uitspreken van ‘Salu…’ wordt het betoog van de handelsreiziger afgebroken door een lijfwacht die op het noodlottige teken van de kalief het zwaard liet neerkomen.
Het Salubra en Tekko behangselpapier in deze catalogus uit 1924 worden voorgesteld als de belangrijkste uitvindingen die er op het gebied van de wandbekleding bestaan. “Dat uw woning, die u met de grootste zorg tot in de puntjes rein hieldt, onhygiënische wanden heeft. Deze wanden worden langzamerhand met een korst van vuil en stof bedekt, een waar boeinest voor baccillen en een permanent gevaar voor uw gezondheid”… “Vuil, stof, inkt, roet, rook, spatten, in ’t kort alle dergelijke ongerechtigheden kunnen zonder moeite worden gereinigd”.

Het boekje sluit af met een reeks van aanbevelingen van hoteliers waar de behangsels na 10 jaar nog dezelfde kleur hebben behouden (W. Hermsen, Hotel L’Europe, Amsterdam) en een lange lijst met hotels in Europa waar het behang is toegepast.
Interessant zijn de bijlagen waaronder een prijslijst, een overzicht van de leverbare collecties Rath & Doodeheefver in 1924 (van # 8 tot # 99), een beleefd verzoek tot terugzending, een monster van Tekko behang om een lichtproef te nemen, vier Tekko stalen op 1/5 van de ware grootte van het dessin, en vijf Salubra stalen “door kunstenaarshand geteekend”.
Er zijn geen andere exemplaren bekend.

