door Geert-Jan Koot
[Antverpiae] : [uitgever onbekend], 1609. [8], 174, [26], 16, [12] pagina’s, [152] bladen met platen ; 24 cm. Editie: Omnia accuratius edita.
Bevat bovendien: Louis de Montjosieu, Commentarius de sculptura, caelatura, scalptura, et pictura antiquorum; Abraham van Goorle, Dactyliotheca. De Montjosieu’s Commentarius wordt gevolgd door twee korte verhandelingen: Aldus Manutius Pauli f., De caelatura et pictura (pag. 168-172); Philostratus, Iconum initio : de pictura (pag. 173-174).
Oorspronkelijke uitgaven: Gaurico’s De sculptura Florence, 1504. Montjosieu’s Commentarius maakte deel uit van zijn Gallus Romae hospes Rome, 1585; Goorle’s Dactyliotheca Delft, 1601.
Pomponio Gaurico (1481-1532) was hoogleraar filologie aan de universiteit van Napels, maar ook een bekende dichter en humanist. Zijn Latijnse naam is Pompeius Gauricus. De sculptura is een belangrijke vroege verhandeling over kunst, beeldhouwkunst, fysionomie, klassieke literatuur en esthetiek. Het wordt beschouwd als het oudste gedrukte boek waarin de principes van het perspectief worden beschreven. De oorspronkelijke editie, gepubliceerd in 1504 in Florence, is de eerste verhandeling over de geschiedenis van de kunst. Gaurico’s uiteenzetting is in hoofdzaak gewijd aan bronzen sculpturen. Hoewel hij overwegend traditionele technische vragen behandelt over lijnvoering en perspectief, plaatst hij deze in een bredere context. De meest opvallende bijdragen aan de beginnende kunstgeschiedenis zijn onder meer een systeem van beschrijvende categorieën en een beschouwing van de fysionomie of gelaatskunde als onderwerp van esthetisch onderzoek. Het werk was bovendien de belangrijkste bron voor veel biografische feiten uit het leven van kunstenaars. Gaurico laat zich kennen als een gecultiveerde humanist van zijn tijd met een voorliefde voor het classicisme. Zie over de betekenis van de fysionomie ook de blog van september 2020 over Della fisionomia dell’huomo door Giovan Battista della Porta (1535-1615).

Aan dit werk is toegevoegd het traktaat Commentarius de sculptura, caelatura, scalptura, et pictura antiquorum door de Franse wiskundige, filoloog en musicoloog Louis de Montjosieu (1583-1649). Zijn Latijnse naam luidt: Ludovicus Demontiosius. In 1583 reisde hij met zijn leerling de hertog van Joyeuse naar Rome waar hij in contact kwam met de klassieke oudheden en kennis nam van de archeologische opgravingen. Zijn belangrijkste verdienste is het kunsthistorisch duiden van de tekst in Historia Naturalis door Plinius de Oudere (23/24-79). In Commentarius de scultura zoekt hij naar de oorsprong van de beeldhouwkunst in het maken van kleifiguren. Met de caelatura duidt hij het relief als medium tussen sculptura en pictura. Het traktaat pictura is gebaseerd op Plinius (Historia Naturalis boek 35). Uitgaande van vergelijkingen met stellingen van Vitruvius en de schilderingen die hij in Rome had bestudeerd, ontwikkelde hij een nieuwe systematiek voor de schilderkunst van de oudheid.
Abraham van Goorle (1549-1608) was verzamelaar en handelaar in oudheden uit Antwerpen die zich in Delft had gevestigd. Zijn Latijnse naam is Gorlaeus. In de catalogus Dactyliotheca zijn de meest bijzondere ringen en gegraveerde gemmen uit de Griekse en Romeinse tijd in zijn verzameling beschreven en afgebeeld. De collectie was befaamd en werd na zijn dood gekocht door Hendrik Frederik Stuart (1594-1612), Prince of Wales, zoon van Jacobus I van Engeland en van Anna van Denemarken. De 196 ringen met stenen en de 148 zegels zijn afgebeeld op 138 gravures. Het boek Dactyliotheca is opnieuw uitgegeven door Jakob Gronovius in 1695, als deel van zijn Thesaurus Graecarum antiquitatum.
Schenking Erven I.Q. van Regteren Altena

Tot Brvessel : By Rutgeert Volpius ende Buybrecht Anthoon, 1612. [14] pagina’s ; 20 cm.
Dit boekje uit 1612 bevat de vertaling (translaet) uit het Latijn van het notarieel recht (ampliatie) en de interpretaties (moderatien provisionele) voor het uitoefenen van het ambacht van goudsmid. Deze wetgeving is op 20 oktober 1608 door de aartshertog van Belgica, Albrecht (1559-1621), bekrachtigd. De Spaanse koning Filips II voelde zijn dood naderen en presenteerde in 1598 de Akte van Afstand. Daarin schonk hij de Nederlanden als huwelijkscadeau aan zijn geliefde dochter Isabella en haar aanstaande, Albrecht. Ambachtslieden die deel uitmaakten van een gilde zoals goudsmeden, hadden te maken met regels die specifiek voor hun groep waren opgesteld. In de 16de en de 17de eeuw werd geen onderscheid gemaakt tussen goud- en zilversmeden. De landsheer stelde regels op ten aanzien van de proefstukken, het inschrijfgeld voor het gilde en de leertijd waarvoor een notarieel contract tussen meester en leerling werd opgesteld. De edelsmeden bekleedden een bijzondere positie vanwege het materiaal waarmee zij werkten omdat de koers van het geld werd beïnvloed als goud en zilver in gehalte toenamen of afnamen. Kwaliteitseisen werden opgesteld om bedrog tegen te gaan.

’t Amsterdam : voor Jacob Pietersz. Wachter, boeckvercooper, wonende op den Dam inde Jonghe Wachter, 1617. 213 fol. : illustraties ; 22 cm.
In één band met: Uytleginggh op den Metamorphosis Pub. Ovidii Nasonis … (1616); doorlopend genummerd met Uytbeeldinghe der Figueren
Bevat vijf niet bij de uitgave behorende handgekleurde prenten.
Karel van Mander (1548-1606) was een Vlaamse kunstschilder en schrijver. In zijn tijd gold hij als een vooraanstaand kunstenaar, die ook als theoreticus grote invloed had. Van Mander’s pen was even vruchtbaar als zijn penseel. Zijn belangrijkste boek Het schilder-boeck verscheen in Haarlem in 1604 en bevat zes delen. Het boek was bedoeld als een handleiding voor schilders die verhalen uit de klassieke mythologie wilden afbeelden. Daarnaast zijn opgenomen de levensbeschrijvingen van klassieke, Nederlandse, Duitse en Italiaanse kunstenaar. In 1618 publiceerde Jacob Pieters Wachter in Amsterdam de tweede editie, uitgebreid met de biografie van Karel van Mander.
Deze uitgave van Het leven der oude antycke doorluchtighe schilders… van Karel van Mander uit 1617 is qua zetsel en inhoud identiek aan Het schilder boeck uit 1618 maar zonder het voorwerk met de gegraveerde titelpagina, de voorredes, het traktaat Den grondt der edel vry schilder-const, maar met de biografie van de auteur. Het werk is doorlopend genummerd maar bestaat uit vijf afzonderlijke delen met eigen titelbladen. Het eerste deel Het leven der oude antycke doorluchtighe schilders is ontleend aan Plinius’ Historia Naturalis (boek 35), terwijl het Leven der moderne doorluchtighe Italiaensche schilders bestaat uit een keuze uit Giorgio Vasari’s Le Vite (2de ed. 1568). Het derde deel gaat over de Nederlandse en Duitse schilders. De laatste twee delen zijn in deze band samen opgenomen met een eigen titelblad maar gedateerd 1616: Uytlegingh op den Metamorphosis Pub. Ovidii Nasonis en Uytbeeldinghe der Figueren. Deze tekstdelen waren aangekondigd in de titel van het oorspronkelijke werk van 1604, en toen reeds voorzien van een eigen titelpagina. Het feit dat alle hoofdstukken een eigen titelpagina hebben, bood de uitgever de mogelijkheid om de delen ook afzonderlijk te publiceren en zo een breder publiek te bereiken. Ovidius’ Metamorfosen was zeer populair en zou in de zeventiende eeuw in diverse edities verschijnen.

Dit exemplaar is uniek vanwege de contemporaine leren band met goudopdruk maar vooral door de vijf toegevoegde handgekleurde gravures met portretten van kunstenaars. Het is bekend dat exemplaren van de tweede editie van Het schilder boeck naar wens van de eigenaren werden voorzien van de portretprenten gebaseerd op Lampsonius’ Pictorum aliquot celebrium Germaniae inferioris effigies van 1572. De heruitgave van deze reeks door Hendrik Hondius in 1618 kreeg de titel Theatrum honoris. Wellicht werd deze gedrukt om naast de ‘Nederlandse Levens’ van Van Mander te worden geraadpleegd. Ook het Rijksmuseum bezit een exemplaar van Het schilder boeck uit 1618 met bijgebonden de kopergravures van de schilderportretten door Hondius. De toegevoegde prenten in dit exemplaar zijn echter niet verwant aan de prenten van Hondius maar van de Amsterdamse graveur Johannes (Jan) l’Admiral (1699-1773). In 1759 graveerde hij 51 portretten op 32 platen voor een heruitgave van Het leven der doorluchtige Nederlandsche en eenige Hoogduitsche schilders. Op elke prent staan drie of twee portretten afgebeeld op een vel papier of op een paneel of doek, al dan niet ingelijst, sommige op een schildersezel. Ook de attributen als penselen en palet verwijzen naar het beroep van de geportretteerden.
Legaat Wim Vroom

Paris : [uitgever onbekend], 1659. 16 pagina’s ; 16 cm.
Dit zeldzame boekje is een beknopte inventaris van de kerkschatten van het klooster van Saint-Denis uit 1659. Het is één van de eerste gedrukte gidsjes, wellicht een herdruk van de uitgave uit 1655. De indeling van het boekje geeft de inrichting van de schatkamer in acht grote houten kasten weer. Het diende als beknopte gids voor de vele bedevaartgangers die de basiliek bezochten waarvan de schat beroemd was in heel Europa. De oudste inventaris uit 1634 met 445 voorwerpen bestaat uit een perkamenten handschrift in de Bibliothèque de France dat in een transcriptie is uitgegeven in 1977.

De abdij werd opgericht op de plaats waar Saint Denis en zijn metgezellen werden begraven, en dankt haar naam aan deze eerste gemartelde bisschop van Parijs en beschermer van het Franse koningshuis in de middeleeuwen. Hier is de oorsprong van het christendom in Frankrijk gelegen. Sinds koning Dagobert I (ca. 603-639) was Saint-Denis de plaats waar de koningen werden begraven. Tot aan de Franse revolutie zijn Merovingers, Karolingers en vervolgens Capetianen bijgezet in de kloosterkerk. De abt Suger (ca. 1081-1151) transformeerde het uit 475 daterende kerkgebouw in de 12de eeuw tot de eerste Gotische basiliek.

De schatkamer van de basiliek bestond aanvankelijk uit een groot aantal liturgische objecten en voorwerpen van goudsmeedkunst, verzameld tijdens de lange geschiedenis van het klooster. Deze kerkschat had een bijzonder belang omdat hier tijdens de periode van het Ancien Régime (1589-1792) de koninklijke insignes, zoals de kronen en de scepters van de Franse monarchie werden bewaard. Suger verzamelde veel kunstwerken en verleende opdrachten voor bijzondere voorwerpen zoals de ‘Aigle de Suger’. In de Franse revolutie werd de schatkamer geplunderd waardoor veel kunstwerken verdwenen of verspreid raakten. In 1991 organiseerde het Louvre een grote tentoonstelling, Le trésor de Saint-Denis waarop de bewaard gebleven schatten waren samengebracht.
Legaat Wim Vroom

In s’Graven-Hage : By de erfgenamen van wylen Hillebrandt Jacobssz van Wouw …, 1665. Ongepagineerd ; 21 cm.
Samen in één band met: Extract uyt de resolutien vande heeren Staten van Hollandt ende West-Vrieslandt, in haer ed. groot mog. vergaderinge genomen op woonsdach den tweeden mey 1663.
In s’Graven-Hage : By de erfgenamen van wylen Hillebrandt Jacobssz van Wouw …, 1663. [8] pagina’s ; 21 cm.
Een placaet of plakkaat was in de Nederlanden van de 16e tot de 18e eeuw een ordonnantie waardoor verordeningen van de wetgevende overheid ter kennis van het volk werden gebracht.
Om ervoor te zorgen dat zilver en goud niet in gehalte zouden toe- of afnemen en daardoor de koers van het geld werd beïnvloed, was algemene regelgeving noodzakelijk. Zo had de landsheer al in 1489 de waarde van goud en zilver vastgesteld en moesten werkstukken gesigneerd worden met het stedenmerk. Regelgeving zowel vóór als na de Reformatie (1571) werd beschouwd als een lokale aangelegenheid waarvoor de afzonderlijke stadsbesturen samen met de ambachtsgilden verantwoordelijk waren. Na de overgang naar de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden in 1588 viel de rol van de landsheer weg. De steden behielden hun zelfstandigheid. In de Staten van Holland en de Staten-Generaal werd weliswaar wetgeving opgesteld die voor geheel Holland gold, maar de privileges van de verschillende regio’s en steden bleven in stand. De achttien steden mochten een afgevaardigde naar de Hollandse Statenvergadering sturen en beslissingen werden in meerderheid genomen. De Staten-Generaal hield zich vooral bezig met het buitenlandse beleid.

Vanaf 1663 oefende de Generale Kamer van de Munt in Den Haag het oppergezag uit over de plaatselijke keuringen van goud- en zilversmeden en zij tikte zilversmeden op hun vingers als deze zich niet aan de bepalingen over het juiste goud- en zilvergehalte van voorwerpen hielden. De lokale gildekeuren werden in ere gehouden.
(Bron: J. Tump, Ambachtelijk geschoold: Haarlemse en Rotterdamse ambachtslieden en de circulatie van technische kennis, ca. 1400-1720. Proefschrift 2012)

T’Amsterdam : gedrukt voor den auteur; en worden verkocht, by Hendrik van Eyl …, [ca. 1715]. 447 pagina’s : tabellen ; 20 cm.
T’Amsterdam : gedrukt voor den auteur, en ook the bekomen by Henrik van Eyl, 1715. 224 pagina’s : tabellen ; 21 cm.
Naast boeken met technische beschrijvingen werden vanaf de 17de eeuw veel handleidingen en tabellen gepubliceerd die goud- en zilversmeden konden helpen bij het uitrekenen van de juiste goud- en zilverlegering. De tabellenboeken met rekenkundige informatie, zoals deze beide essai-boeken, dienden als naslagwerken om de edelsmid veel werk te besparen. Het was uitermate belangrijk dat zilver en goud het juiste gehalte hadden, omdat hiermee de waarde van het materiaal kon worden vastgesteld. Deze kennis kon tevens interessant zijn voor kooplieden en anderen die tijdens hun dagelijkse werkzaamheden te maken hadden met de waarde van goud en zilver. Beide boeken zijn afkomstig van de bibliotheek van het instituut voor het keuren van zilver en goud, het Birmingham Assay Office, opgericht in 1773.

Omstreeks 1700 verschenen twee publicaties die zowel goud- en zilversmeden als kooplieden voor hun dagelijkse werkzaamheden konden gebruiken. Beide werken geven na een korte inleiding alleen rekentabellen weer. Het boek Uytgerekende tafelen van Sieuwert Janszoon Out werd in 1671 in Amsterdam gepubliceerd en kende Hollandse herdrukken in 1681 en in 1714. Het ongedateerde essai-boek met de initialen J.G. van de Amsterdamse essayeur Jan Grill heeft als ondertitel ‘Zeer dienstig allen kooplieden, munt meesters en anderen in ‘t goud en zilver handelende’. In 1715 verscheen wederom in Amsterdam een tabellenboek met vrijwel dezelfde ondertitel, met op het titelblad de naam van essayeur Jan Grill. Aan dit boek voegde hij nog de aanbeveling toe dat het ook noodzakelijk is voor ‘kashouders, om ten eersten te konnen zien, wat een ons of Engels van allerly goudt waardig is’. Een essayeur, ook keurmeester of toetser genoemd, is iemand wiens beroep het is het zuivere gehalte aan zilver of goud in legeringen te bepalen. Beide boeken van Grill kregen vanwege hun bruikbaarheid en nauwkeurigheid een aanbeveling door de Amsterdamse Kamer van Koophandel in een uitgave uit 1727 (pag. 121-123). Bovendien wordt de auteur aangemoedigd ook de Tafelen van ’t brutto zilver samen te stellen.

Jan Grill stamde uit een familie van goudsmeden en keurmeesters uit Augsburg waarvan leden in het begin van de 17de eeuw zich als goudsmeden vestigden in Amsterdam en Stockholm. Hij was de zoon van Abraham Grill, en de broer van de zilversmid Anthonie Grill, keurmeester bij de Wisselbank vanaf 1712, die vanaf 1721 Grill’s Hofje in Amsterdam liet bouwen. De Zweedse admiraal Carl Tersmeden beschrijft in zijn memoires dat hij Jan Grill in 1734 op de Amsterdamse handelsbeurs ontmoette. Een voorbeeld van de verschuiving in de 18de eeuw van het ambacht van goudsmid en handelaar in goud naar bankier. De bankomzet van Jan bedroeg in 1726 afgerond 6,3 miljoen gulden.
(zie over de familie Grill ook: C. Hernmarck, Holland and Sweden in the 17th century. In: Nederlands Kunsthistorisch Jaarboek, vol. 31, 1980, pag. 198-199; P. Dehing, Geld in Amsterdam : wisselbank en wisselkoersen, 1650-1725)

Dresdae et Lipsiae : Libraria Arnoldia, 1827. xvi, 488 pagina’s, [3] uitklapplaten ; 22 cm.
De mythe van het kunstenaarschap dateert uit de oudheid. De kunstenaar sluit bewust aan bij de grote traditie, hecht aan regels en criteria en verheerlijkt het metier. Deze opvatting herleeft sinds de renaissance in Le Vite uit 1550 (2de ed. 1568) van Giorgio Vasari en in de Nederlanden bij Karel van Mander (Het Schilder-boeck, 1604), Cornelis de Bie (Het Gulden Cabinet, 1662), Houbraken (De groote schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen, 1718) tot in de studies over het leven en werk van hedendaagse kunstenaars. Bert Verschaffel stelde in een lezing in 2009 dat wanneer het verhaal van de kunst en het kunstenaarschap wordt vertelt, men een begin nodig heeft. Alle kunstenaarsbiografieën gebruiken een beperkte voorraad van beproefde ‘topoi’, waaronder het verhaal van ‘hoe het begonnen is’. Hij verwijst naar deze primaire bron voor levensbeschrijvingen van kunstenaars uit de oudheid: Catalogus artificium, siue, Architecti statuarii sculptores pictores caelatores et scalptores : graecorum et romanorum, literarum ordine dispositi door Julius Sillig uit 1827. (Bert Verschaffel, Kunstenaar zijn is ook een kunst augustus 2009).
De auteur Karl Julius Sillig (1801-1855) was een filoloog en onderwijzer uit Dresden. Zijn biografisch woordenboek werd uit het Latijn vertaald in het Engels door de classicus Edmund Henry Barker (1788–1839) en uitgegeven in 1836 als Dictionary of the artists of antiquity, architects, carvers, engravers, modellers, painters, sculptors, statuaries, and workers in bronze, gold, ivory, and silver. In zijn tijd werden deze biografieën van kunstenaars en architecten uit de oudheid als zeer bruikbaar ervaren. Maar in het begin van de 20ste eeuw waren critici van mening dat hij als redacteur te veel aandacht besteedde aan het verzamelen van details en er een gebrekkig oordeel en een weinig kritische methode op nahield.
Schenking van de Oberlausitzische Bibliothek in Görlitz

Gand : H. Hoste, 1844. vii, 366 pagina’s : 1 illustratie ; 25 cm.
Helaas ontbreekt het frontispiece; met aantekeningen in de tekst die verwijzen naar verbeteringen en aanvullingen in het handgeschreven supplement.
Het biografisch woordenboek van Vlaamse en Nederlandse schilders samengesteld door Balkema heeft niet de bekendheid gekregen die het verdient. Kort daarvoor was het omvangrijke driedelige biografisch woordenboek van Nederlandse en Vlaamse kunstenaars door Christiaan Immerzeel verschenen, De levens en werken der Hollandsche en Vlaamsche kunstschilders, beeldhouwers, graveurs en bouwmeesters, van het begin der vijftiende eeuw tot heden. Dit werk uit 1843 had grote bekendheid in het Nederlandse taalgebied verkregen en werd opgevolgd door het zesdelige werk van Christiaan Kramm, De levens en werken der Hollandsche en Vlaamsche kunstschilders, beeldhouwers, graveurs en bouwmeesters, van den vroegsten tot op onzen tijd uit 1857-1864.

Toch kan het werk van invloed zijn geweest op kunstenaars in Frankrijk. In de tweede helft van de 19de eeuw werd de Nederlandse kunst uit de zeventiende eeuw een invloedrijk model voor avant-garde schilders. Vooruitstrevende Franse critici positioneerden de Nederlandse school als superieur aan de academisch gesanctioneerde Italiaanse traditie en prezen haar sociale bewustzijn en stilistische avontuurlijkheid als pijlers van de opkomende modernistische benadering. Schilders als Gustave Courbet en Jean-François Millet leerden van hedendaagse Franse schrijvers over 17de eeuwse Nederlandse kunst. Het traject van hun werk laat zien hoe de Nederlandse kunst een symbool werd van artistieke vrijheid en een cruciale basis voor de vorming van moderne kunst. Deze opvatting wordt nader uitgewerkt door Johanna Ruth Epstein in het hoofdstuk ‘Mining the Dutch Golden Age’ in: A companion to nineteenth-century art, New York, 2019.
Uit de inleiding: ‘Om het leven van een schilder te vinden, moet men vaak in twee of drie werken kijken: soms vindt men het in het eerste dat men in de hand neemt; maar toch gebeurt dit slechts zelden, en deze werken bestaan nog steeds uit twee, drie of vier delen. Het werk dat we aan het publiek presenteren, bestaat uit één volume en bevat de biografie van alle schilders, Vlaamse, Nederlandse en deels Duitse, die tot op heden hebben bestaan vanaf Jean en Hubert Van Eyck. Zo ontweken we de valkuil, met respect voor de eisen die de omvang van het werk ons stelt.’
Schenking Erven I.Q. van Regteren Altena

Supplement à la biographie des peintres flamands et hollandais par C.H. Balkema
Handschrift, 1849. 446 pagina’s ; 26 cm.
Dit handgeschreven supplement op de Biographie des peintres flamands et hollandais, qui ont existé depuis Jean et Hubert van Eyck jusqu’à nos jours door C.H. Balkema uit 1844 is mogelijk door hem zelf vervaardigd voor de uitgebreide tweede editie van zijn biografisch woordenboek. Het gedrukte werk bevat verwijzingen naar dit manuscript. Achterin het handschrift zijn opgenomen een inhoudsopgave, een lijst met namen van schilders en imitatoren en een lijst met namen van beroemde schilders en hun leerlingen. Het is een opvallend net geschreven manuscript zonder doorhalingen. De tweede editie is echter niet verschenen, evenmin een afzonderlijk supplement. Over C.H. Balkema is verder weinig bekend.
Schenking Erven I.Q. van Regteren Altena

Braunschweig : Neuhoff, 1861. 3. völlig umgearb. und verm. Auflage. VIII, 399 pagina’s ; 20 cm.
Ludwig Gustav Kleffel (1807-1885) behoort tot de pioniers van de Duitse fotografie. Deze uitgave van zijn leerboek over de fotografie is de derde volledig herziene editie van de oorspronkelijke uitgave uit 1860. Het boek is uitgebreid met een elfde hoofdstuk gewijd aan een uitputtende opsomming van chemicaliën: “Verzeichniss in der Photographie vorkommender Chemikalien”. Daarnaast worden de stereoscopie en de panotypie beschreven. Een panotypie of pannotype is een collodiumfoto overgebracht op een drager van gewaxt textiel of wasdoek, voor het eerst ontwikkeld in 1853 door de fotografische firma Wulff and Co. Het boek wordt afgesloten met een ‘Anhang’ van 38 groen gekleurde pagina’s met opsommingen en prijzen van fotografische artikelen, papier en chemicaliën waaronder aanbiedingen van Kleffel. Dit exemplaar is doorleefd met brandgaatjes, vlekken, aantekeningen en de namen van eerdere eigenaren waaronder het stempel van J. Friedrich (Maler Photograph) Friedeberg (tegenwoordig in Tsjechië), en in handschrift: August Stock; E. Jaeger; Barresvil u. Davandi; en C. Schmidt.

Kleffel nam in 1852 de stoffenhandel van zijn vader over die hij veranderde in de eerste fotostudio in Mecklenburg. Bovendien richtte hij in 1860 een opleiding voor fotografie op. Dit handboek voor de fotografie heeft ongetwijfeld gediend als lesmateriaal voor zijn leerlingen. In 1867 begon hij een atelier en een winkel in Berlijn waar hij zijn eigen camera’s produceerde en chemicaliën voor de verschillende fotografische processen verkocht.
Deze derde editie heeft 399 pagina’s en bevat 14 gegraveerde illustraties in de tekst. Het Rijksmuseum bezit ook de uitgebreide en laatst verschenen achtste editie uit 1880 met 55 illustraties en 468 pagina‘s: Handbuch der practischen Photographie : vollständiges Lehrbuch zur Ausübung dieser Wissenschaft, unter besonderer Berücksichtigung der neuesten Erfahrungen und Verbesserungen, sowohl für Photographen von Fach, als auch zum Selbstunterricht / leicht fasslich dargestellt von L.G. Kleffel.
Schenking van de Oberlausitzische Bibliothek in Görlitz

Paris : Hachette, 1860-1914. 58 delen (30 banden 1860-1880; 28 banden 1880-1894) : 31 cm.
Het tijdschrift Tour du Monde, nouveau journal des voyages was in 1860 opgericht door Édouard Charton (1807-1890). De Franse schrijver Charton richtte al in 1833 het tijdschrift Magasin pittoresque op en bleef tot 1888 hoofdredacteur. Bovendien was hij van 1860 tot 1890 directeur van de Parijse uitgeverij Hachette. Le tour du monde is het oudste in Europa uitgegeven geïllustreerde tijdschrift gewijd aan ontdekkingsreizen en geografie. Het initiatief was afkomstig van Louis Hachette (1800-1864) die tegemoet kwam aan de behoefte van het brede publiek aan reisliteratuur. Afbeeldingen speelden daarbij een sleutelrol, niet alleen als bewijs dat een reis had plaatsgevonden maar vooral om de verbeelding van de lezer te prikkelen.

Het Rijksmuseum heeft de eerste reeks van dit tijdschrift Tour du Monde verworven. Het is uitgegeven door Hachette in Parijs van 1860 tot 1895, en in leer gebonden in 58 delen. Elke zes maanden werden de wekelijks verschenen boekjes, voornamelijk te koop in treinstations, verzameld in één band, aangevuld met een inhoudsopgave en een register op afbeeldingen, en aangeboden door de boekhandels. Het weekblad was gericht op een breed lezerspubliek met een inhoud gewijd aan verre reizen, avontuurlijke ontdekkingstochten maar ook de geografie van landen en gebruiken van volkeren. De grote expedities die het einde van de 19e eeuw markeerden worden in detail beschreven en aangevuld met tot de verbeelding sprekende illustraties waaronder dramatische nachtelijke scènes, de mysterieuze jungle, grandioze landschappen en huiveringwekkende actiescenes. Het spectrum beslaat ruim vijftig jaar vanaf de ontdekking van de bron van de Nijl in het begin van de jaren 1860 tot de verovering van de Zuidpool eind 1911. Het tijdschrift combineerde tekst en illustraties in houtgravures, die geleidelijk werden vervangen door reproducties van foto’s in de jaren 1890.

De houtgravure werd ontwikkeld door de Engelse graficus Thomas Bewick (1753-1828) en bereikte een grote bloei in de 19de eeuw. De nieuwe druktechniek loste de kopergravure af omdat zij, bij groter wordende oplagen, veel eenvoudiger en goedkoper was. De houtblokken werden op dezelfde hoogte gebracht als het letterzetsel en konden tegelijk met de tekst worden afgedrukt.
Van 1895 tot 1914 droeg het tijdschrift de ondertitel journal des voyages et des voyageurs met een nieuwe nummering: Nouveau Série 1-19. Alle 55 jaargangen – van 1860 tot 1914 – bevatten meer dan 900 verhalen geschreven door 520 reizigers, waaronder 30 vrouwen, geïllustreerd door 350 tekenaars en graveurs, samen vormend een “universele geografie in wanorde” (une géographie universelle en désordre). Veel verslagen verschenen voor het eerst in Le tour du monde.

De eerste 96 pagina’s van jaargang 1893 zijn geheel gewijd aan twee artikelen over de Nederlandse Antillen van de schrijver Gerrit Verschuur (1840-1906): ‘Voyage aux trois Guyanes’ en ‘L’île de Curaçao’ met gravures ontworpen door Édouard Riou (1833-1900). Al eerder, in 1890, verschenen zijn beschrijvingen ‘Île de Fiji’ en ‘Nouvelle Zelande’ in Tour du Monde. Verschuur reisde ook veel in Azië en de Caraïben en zijn reisverslagen zijn door verschillende uitgevers in boekvorm uitgegeven waaronder Voyage aux trois Guyanes et aux Antilles in de reeks ‘Collection de Voyages illustrés’ door Hachette in 1894.

Elke aflevering omvat minstens 16 pagina’s, geïllustreerd met houtgravures in zwart-wit. Op de omslag staat een enkele gravure onder de titel. De inhoud bestaat uit een tekst gedrukt over twee kolommen. De illustraties staan tussen de tekst of beslaan een volledige pagina. Een ander kenmerk was de publicatie van hetzelfde reisverslag in verschillende afleveringen verspreid over 2 of 3 nummers. Hierdoor trad enige discrepantie op tussen edities en nummering.
De afzonderlijke afleveringen zijn in rood leer gebonden voor mevrouw Rogery de la Planque. De familie De la Planque bezit al vanaf de 14de eeuw het landgoed en het Château de la Planque, gelegen in het Franse departement Aveyron, regio Occitane.
Over de rol van de illustrator Riou en het belang van de houtgravure: Guy Gauthier, Edouard Riou dessinateur, entre le Tour du Monde et Jules Verne 1860-1900.
Aankoop met steun van het Wim Vehmeijer Fonds


Zürich : Füssli & Co., 1880. 17 pagina’s, XXIV bladen : illustraties ; 31 cm.
Dit fraai uitgevoerde en zeldzame voorbeeldboek door de Zwitserse professor Ulrich Schoop (1830-1911) bevat een gedegen theoretische inleiding over de werking van kleur. De 24 voorbeelden met kleurornamenten tonen gestileerde blad- en bloemmotieven die doen denken aan de Art Nouveau, een stroming van 1890 tot 1914 die nog tot ontwikkeling moest komen.

Opvallend zijn de overeenkomsten in vormentaal met de geschilderde ornamentiek die Pierre Cuypers (1827-1921) onder meer in het Rijksmuseum toepaste. Zijn signatuur is het mooist bewaard gebleven in de bibliotheek die zijn oorspronkelijke vorm en decoratie heeft behouden. De gestileerde bladmotieven van Schoop zien we in vergelijkbare vorm terugkomen en ook het warme, heldere kleurenpalet toont overeenkomsten met toepassingen van Cuypers. De bladmotieven van Cuypers dateren uit dezelfde periode maar zijn minder vergaand gestileerd dan de florale voorbeelden van Schoop. Het boek dateert uit 1880 zodat het een goed voorbeeld is van een verwante vormentaal en kleurgebruik van blad- en bloemornamentiek voor toepassingen in gebouwen die teruggaat tot de leer van de Franse architect Eugène Viollet-le-Duc (1814-1879). Het ornament speelde een belangrijke rol in de 19de eeuwse architectuur. Men zou kunnen beweren dat het bouwwerk een kunstwerk wordt door het ornament. Bouwbeeldhouwwerk en vlakornament geven de constructie vorm. Kleur en vorm smelten samen. Kleuren beïnvloeden de werking van de ruimte. Net als Cuypers vond Schoop zijn voorbeelden in de flora en fauna. Deze voorbeelden uit de natuur werden geabstraheerd en gestileerd en aangeduid als ‘vegetabilische Ornament’.

Het boek is de uiterst zeldzame eerste druk van de eerste en vermoedelijk enige editie van 24 in kleur gedrukte platen met decoratieve ontwerpen met gestileerde bladeren en bloemen. Voor elke chromo-lithografisch gedrukte plaat zijn 2 tot 6 kleuren in effen kleurvlakken toegepast. Het werk was bedoeld voor het onderwijs en bevat een verhandeling van 17 pagina’s over kleur. De ontwerpen en tekst zijn gemaakt door Ulrich Schoop, tevens de auteur van een tiental andere educatieve werken over tekenkunst, ornamentiek en perspectief. Van Schoop bezit het Rijksmuseum het overzichtswerk Der Zeichenunterricht zu Ende der neunzehnten Jahrhunderts : seine Forderungen und deren Begründung und die Methodik des heutigen Zeichenunterrichts für Lehrer und Lehrerbildungsanstalten uit 1893. Volgens het titelblad van het boek was hij werkzaam als “Zeichenlehrer an den höheren Stadtschulen und der Gewerbeschule” in Zürich. Gezien de positie van de auteur werd het boek ongetwijfeld gebruikt voor het onderricht aan aankomende decoratieschilders van deze school voor kunstnijverheid.
Slechts drie onderling verschillende exemplaren zijn bekend in Duitse bibliotheken en een exemplaar in het V&A Londen.
Aankoop met steun van mevrouw drs. M.C.E. Aarts

