Selectie aanwinsten oktober 2019

door Geert-Jan Koot

Franstalig handschrift met recepturen en instructies
[Frankrijk?] : [vervaardiger niet vastgesteld], [tussen 1750 en 1799].
1 deel (79 ongenummerde pagina’s); 19 x 19 cm.

Handschrift begint met: Note pour conaitre la bonne qualité de l’indigo.

Dit manuscript uit de tweede helft van de 18de eeuw is geschreven in het Frans in een regelmatig handschrift. Het bevat recepten en instructies voor het vervaardigen van verf, Turkse en Engelse vernis, inkt en olie, aanwijzingen voor het verzilveren en vergulden en voor het schoonmaken van schilderijen, tin en ijzer. Het boek bevat ook enkele recepten voor gekleurd water, onzichtbare inkt, ‘huile incombustible’ en ‘argent faux’. Zelfs zijn opgetekend enkele recepten voor geneesmiddelen tegen reuma en aambeien en voor het bereiden van eenvoudige gerechten en sterke drank als liqueur. In totaal zijn 39 van de 79 bladen beschreven met ongeveer 58 recepten, aanwijzingen en instructies.

frans-receptenboek.jpg
“Pour dorer et argenter” (Over vergulden en verzilveren)

Het boekje vangt aan met aanwijzingen om de kwaliteit van indigo te testen met behulp van een kaars (‘Note pour conaitre la bonne qualité de l’indigo’). Deze tekst wordt gevolgd door twaalf bladzijden met uiteenlopende methoden om verschillende soorten vernis te maken. In tegenstelling tot veel andere receptenboeken zijn gedetailleerde lijsten met ingrediënten en aantekeningen over de procesgang opgenomen. Ook komen enkele aantekeningen voor over de bereiding van olieverf, een recept voor tempera verf vervaardigd met  eieren, en het maken van inkt. Het boek is een fascinerend compendium voor de dagelijkse praktijk van het maakproces van de benodigdheden voor de schilder, maar ook voor de bereiding van geneesmiddelen, voedsel en drank, geschreven door een helaas nog anonieme kunstenaar.

De band is bespannen met vellum en wordt dichtgebonden met hertenleren veters. De papieren bladen bevatten helaas geen watermerken waardoor een nauwkeurige datering of plaatsbepaling mogelijk zou zijn.
wTh31L2A.jpeg

Principes de dessein, appliqués à la pratique. Où l’on trouve quantité d’exemples de toutes les parties du corps humain, plusieurs figures d’Académies, différens sujets très variés, propres à former le goût, & divers paysages: le tout d’après les meilleurs Maîtres de l’Ecole Francoise moderne
Paris, rue Dauphine, chez Charles-Antoine Jombert, père, libraire du roi pour l’Artillerie & le Génie, 1773. 28 pagina’s, 100 gegraveerde illustraties ; 30 cm.

De tekst wordt wel toegeschreven aan Peter Paul Rubens (1577-1640). Het boek is een voortzetting van Théorie de la figure humaine : considérée dans ses principes, soit en repos ou en mouvement / Ouvrage traduit du latin de Pierre-Paul Rubens, avec XLIV planches gravées par Pierre Aveline, d’après les desseins de ce célèbre Artiste (Paris : Charles-Antoine Jombert, 1773).

De tekenvoorbeeldboeken uit de tweede helft van de 18de eeuw, de periode voorafgaand aan de Franse revolutie, zijn gebaseerd op verzamelingen modellen uit de oudheid, de grote meesters van de Italiaanse Renaissance en de moderne Franse school met kunstenaars als Le Brun, Dandré-Bardon en Vien. Een goed voorbeeld van dit soort instructieboeken is dit boek Principes de dessein, appliqués à la pratique, gepubliceerd door Charles-Antoine Jombert in 1773. Hierin heeft Jombert verschillende zelfstandige prentreeksen bijeengebracht die omstreeks het midden van de 18de eeuw waren gepubliceerd. Hij voorzag de afzonderlijke prenten van een opeenvolgende nummering en plaatste een korte inleiding als pedagogische verantwoording aan het begin van de publicatie. De indeling van de prentreeksen volgt de academische logica, met als eerste reeks de onderdelen van het gelaat, de tweede reeks met de handen en de voeten en tenslotte de volledige menselijke figuur al dan niet gekleed. Vanaf plaat 80 volgt een heterogene reeks gravures die zowel het ornament als het landschap als onderwerp hebben.

2019-aanwinsten-september-etc-0011.jpg

Opvallend in deze periode is de uitwisselbaarheid van voorbeelden en teksten en het hergebruik in andere redactionele contexten. Deze praktijk, ook wel genoemd de ‘Méthode Jombert’ had ongetwijfeld een commerciële achtergrond. De handleiding voor het leren tekenen is hiervan een fraai voorbeeld. Jombert publiceerde in 1755 Methode pour apprendre le dessein, ou l’on donne les regles générales de ce grand art, et des préceptes pour en acquérir la connaissance et s’y perfectionner en peu de tems : enrichie de cent planches représentant différentes parties du corps humain d’après Raphael et les autres grands maîtres, plusieurs figures académiques dessinées d’après nature par M. Cochin, les proportions et les mesures des plus beaux Antiques qui se voient en Italie et quelques études d’Animaux et de Paysage. Achttien jaar later hergebruikt Jombert in Principes de dessein uit 1773 exact dezelfde 100 gravures in dezelfde volgorde en nummering als in deze eerdere uitgave Methode pour apprendre le dessein van 1755.
In de latere Franse instructieboeken met tekenvoorbeelden worden de afbeeldingen geïntegreerd in de tekst.

2019 aanwinsten september etc-0013

Fünf in Holz geschnittene Figuren, : nach der Zeichnung J.W. Meil, wobey zugleich eine Untersuchung der Frage: Ob Albrecht Dürer jemals Bilder in Holz geschnitten? / Von Unger, dem ältern, Formschneider
Berlin : In Commission bey G.A. Lange, Buchhändler, 1779. 8 pagina’s : illustraties, 5 platen (houtsnedes) ; 26 cm.

Exlibris van Ida Schoeller, met een etiket op het achterplat van een tentoonstelling in Leipzig 1914.

In deze zeldzame uitgave wordt beweerd dat Albrecht Dürer (1471-1528) de houtsneden liet uitvoeren door derden en vervolgens zelf ondertekende. Johann Georg Unger (1715-1788) ontleende deze stelling aan zijn eigen ervaring met de herleving van de ‘verloren’ kunst van de houtsnede in Duitsland. Ungers veronderstellingen over de eigenhandigheid van de houtsneden van Dürer zorgde voor een controverse in de late 18e en de vroege 19e eeuw. Adam Bartsch was het in grote lijnen eens met Unger zoals blijkt uit zijn Le Peintre Gravure (Vol 7: Les vieux maîtres allemands, 1808, pag. 13-15, en 238). Tegenwoordig is de algemene opvatting dat Dürer niet verantwoordelijk was voor het snijden van de meerderheid van zijn eigen blokken, maar de eerste pleitbezorger van deze stelling, Johann Georg Unger, is grotendeels vergeten.

In dit boek tracht Unger op basis van bewijsmateriaal met verschillende boeken die zogenaamd door Dürer zijn geïllustreerd, aan te tonen dat Dürer in veel gevallen alleen de ontwerper was. Hij is overtuigd dat Dürer de houtsnede niet onder de knie had kunnen krijgen, ondanks zijn bekwaamheid op andere gebieden. Uit Unger’s eigen ervaring met de techniek van het maken van houtsnedes, zou het snijden van elk blok minstens twee maanden kosten. De datering van de reeks van elf grote houtsnedes ‘de Grote Passie’ uit 1498 laat eenvoudigweg die tijdsperiode niet toe. Als het grote aantal schilderijen en tekeningen die aan Dürer zijn toegeschreven in beschouwing wordt genomen, is het onmogelijk dat hij de tijd had kunnen vinden om het enorme corpus van houtsneden samen te stellen die ook zijn handtekening dragen. Bartsch neemt deze theorie dertig jaar later over.

Durer-titel
Johann Georg Unger wordt wel gezien als de ‘Duitse Bewick’, die in ongeveer dezelfde tijd in Duitsland als zijn tijdgenoot Thomas Bewick (1753-1828) in Engeland een heropleving van de houtsnede als boekillustratie initieerde. Dit boekje omvat eigenlijk twee onderwerpen: het is een blijk van Unger’s deskundigheid als houtsnijder, en een kunsthistorische uiteenzetting over Albrecht Dürer. Unger voegde vijf afdrukken van houtsneden van zijn hand toe om zijn nabijheid tot de grote meester aan te tonen.

Volgens een etiket op het achterplat werd dit exemplaar tentoongesteld in de ‘Weltausstellung für Buchgewerbe und Graphik’ (Wereldtentoonstelling van boekkunst en illustratie) in Leipzig in 1914, als onderdeel van de collectie van de Duitse bibliofiel Ida Schoeller. Een catalogus van haar collectie werd het jaar daarop gepubliceerd als Die Kunst im deutschen Buchdruck. Schoeller was één van de weinige grote vrouwelijke verzamelaars van haar generatie. Zij stierf in 1917 aan koolmonoxidevergiftiging.

Galerie du Louvre, représentée par des gravures à l’eau-forte exécutées par Mme Maria Cosway / avec une description historique et critique de chaque tableau qui compose cette superbe collection et un abrégé biographique de la vie de chaque peintre, par J. Griffiths
Paris, Imprimé pour l’auteur, 1802. .. pagina’s, .. bladen platen : kleurenillustraties ; 72 cm.

Oorspronkelijk uitgegeven in een onbekend aantal afleveringen (livraisons).
Collatie bibliotheekexemplaar: iii, 50 pagina’s tekst, 7 bladen platen. Tekst in het Engels en Frans.
Engelse titel: The etchings in Galerie du Louvre, are executed solely by Mrs. Maria Cosway, with an historical and critical description of all the pictures which compose this superb collection, and a biographical sketch of the life of each painter, by J. Griffiths, Esqre, member of the Philotechnic Society, etc. etc. of Paris.

Het ambitieuze project om alle schilderijen in de 57 zalen van het museum in Palais du Louvre in prent te brengen strandde al na een jaar wegens onenigheid tussen de Britse kunstenares Maria Hadfield Cosway (1760-1838) en de initiatiefnemer en schrijver Julius Griffiths. Ook de vijandigheden tussen Frankrijk en Engeland droegen bij tot het stopzetten van het project. Het resulterende werk Galerie du Louvre verscheen in afleveringen met prenten en bijbehorende beschrijvingen in 1802.
Het project voorzag in een periodieke uitgave in afleveringen. Het is echter onbekend hoeveel afleveringen met welke prenten zijn gepubliceerd. Het exemplaar van het Rijksmuseum bevat zeven bijzonder fraai met de hand ingekleurde platen. In 1806 wordt het werk als album uitgegeven met elf prenten en een verkorte Franse tekst door Didot le jeune onder de titel Collection de gravures à l’eau-fortis des principaux tableaux d’après l’école italienne, contenus dans le Musée Napoléon.

cosway-plaat-4.jpg
Plaat 4 (in spiegelbeeld)

Het is een document van aanzienlijk belang, zowel historisch en artistiek, als een getuigenis van de meesterwerken die door Napoleon in Italië zijn gestolen en meegenomen naar Parijs. De platen geven een inzicht in de rangschikking van de schilderijen in de zalen van het Louvre door Dominique Vivant-Denon (1747-1825). Het is de eerste interventie na zijn benoeming in 1802 tot directeur van het Musée Central in het Palais du Louvre. Nadat hij de verlichting van de Grande Galerie had laten verbeteren werden de schilderijen in een nieuwe samenhang opgehangen. Onder aan de wand kwamen de kleine schilderijen dicht naast elkaar, met in het midden daarboven een groot meesterwerk geflankeerd door middelgrote werken die in enkele rijen boven elkaar hingen. Een analyse van de nieuwe opstelling door Denon van de Italiaanse meesters geeft Andrew McClellan in Inventing the Louvre”, pag. 140-148.

Maria Cosway was een Italiaans-Engelse kunstenares en pedagoge. Ze werkte in Engeland, Frankrijk en Italië en cultiveerde een grote kring van vrienden en klanten. Hoewel ze erkenning zocht als schilderes van historiestukken vond ze haar emancipatie niet in haar status als kunstenaar, maar in de opleiding en overdracht van artistieke kennis en praktijken. Zowel in Lyon als in Lodi heeft zij scholen opgericht voor jonge vrouwen.

Zie ook de beschrijving in de blog van oktober 2019.

cosway-plaat-7-e1570714446563.jpg
Plaat 7 (in spiegelbeeld)

Dictionnaire des beaux-arts / Aubin Louis Millin
Paris, Desray, 1806. 3 delen ; 21 cm.

Aubin Louis Millin de Grandmaison (1759-1818) was een bekende antiquair en auteur van architectuurhistorische publicaties zoals zijn vijfdelige Antiquités nationales. In 1795 werd hij benoemd tot conservator van antiquiteiten en medailles (Cabinet des médailles et antiques) van de voormalige koninklijke bibliotheek, de Bibliothèque Nationale in Parijs.

In het voorwoord van zijn driedelige Dictionnaire des beaux-arts beoordeelt Millin de 18de eeuwse encyclopedische overzichtswerken van Jacques Lacombe, Johann Georg Sulzer en Claude Henri Watelet als te beknopt, verouderd en met weinig aandacht voor de geschiedenis en de oudheid. Zijn Dictionnaire daarentegen is ongelooflijk uitgebreid met tienduizenden lemma’s die niet alleen kunst omvatten, maar zich ook uitstrekken tot de gebieden van de archeologie, muziek, dans, architectuur, geschiedenis, restauratie, technieken, opera, etcetera. Hij richt zich ook nadrukkelijk op kunstenaars: ‘…une chose utile pour les amateurs et pour toutes les classes d’artistes’. Het werk gold als het meest uitgebreide cultuurhistorische naslagwerk uit het begin van de 19de eeuw. Millin was bibliografisch georiënteerd aangezien hij veel literatuurverwijzingen opneemt, ook naar buitenlandse bronnen. De eerste editie verscheen in Parijs in 1806. De tweede editie werd gepubliceerd in 1838.

Op de lederen ruggen van de drie boekdelen is met goudstempel de naam ‘Bibliotheek Korps Rijdende Artillerie’ aangebracht. Op de titelbladen staat het stempel met de letters BRA. Het Korps Rijdende Artillerie, ook bekend als de Gele Rijders, was een korps van de Nederlandse Koninklijke Landmacht. De Rijdende Artillerie werd opgericht op initiatief van stadhouder Willem V op 21 februari 1793 door de Staten-Generaal. Het korps had oorspronkelijk ten doel om de artillerie in staat te stellen om op het slagveld de paarden van de veel snellere cavalerie te kunnen volgen.

millin.jpg
Titelblad deel 1 met het stempel BRA (bibliotheek korps rijdende artillerie)

Per le auspicate nozze del marchese Giovanni Salvatico colla contessa Laura Contarini / [Pietro Antonio Novelli ; a cura di Luigia Rusconi]
Padova : Tipografia della Minerva, 1834. 80 pagina’s : Illustratie (gegraveerd portret van Pietro Novelli door Francesco Novelli) ; 24 cm.

Dit boek werd gepubliceerd in opdracht van Luigia Rusconi (1811-1873) als geschenk voor de aanstaande bruid, de gravin Laura Contarini, die erg betrokken was bij de kunst van haar tijd. Rusconi schreef een korte inleiding getiteld ‘Alla sposa’ (aan de bruid) en vermeldt de aanstaande bruidegom markies Giovanni Salvatico in de titel. Als huwelijksgeschenk besloot zij de Memoires van het leven van de Venetiaanse schilder Pietro Antonio Novelli (1729-1804) uit te laten geven. Wellicht was het manuscript in haar bezit.

De memoires beginnen op pagina 5 met de titel “Memorie della vita di Pietro Antonio Novelli scritte de lui medesimo”. Aan deze door Pietro Novelli geschreven tekst is een gegraveerd portret van de schilder door zijn zoon Francesco Novelli (1764-1836) toegevoegd. Hij was eveneens een bekende schilder en prentmaker. Zowel vader als zoon Novelli waren werkzaam in Venetië en gespecialiseerd in religieuze schilderkunst.

2019 aanwinsten september etc-0008
Gegraveerd portret van Pietro Antonio Novelli (1729-1804) door zijn zoon Francesco

Zur Geschichte der Sammlungen für Wissenschaft und Kunst in Deutschland / von Gustav Klemm
Zerbst : G.A. Kummer, 1837. vi, 328 pagina’s ; 21 cm.

Dit is de eerste editie van deze gedetailleerde geschiedenis van kerkelijke, openbare en particuliere collecties van kunst, boeken, manuscripten en natuurhistorische voorwerpen in Duitsland vanaf de middeleeuwen tot heden.

Gustav Friedrich Klemm (1802-1867) was antropoloog en bibliothecaris van de koninklijke bibliotheek van Saksen, en tevens inspecteur van de koninklijke porseleincollecties en lid van vele culturele organisaties in Duitsland. Volgens de Encyclopedia Britannica ontwikkelde Klemm het concept ‘cultuur’. Deze duiding is gebaseerd op zijn cultuurhistorische overzichtswerk in tien delen, Allgemeine Culturgeschichte der Menschheit uit 1852, gevolgd door het tweedelige Allgemeine Kulturwissenschaft. Zijn grote passie was het verzamelen van etnografische voorwerpen. Klemms verzameling van ruim 15.000 volkenkundige objecten vormt de grondslag van het Museum für Völkerkunde in Leipzig dat zich nu in het Grassimuseum bevindt. Na zijn dood kocht het British Museum zijn grote collectie prehistorische oudheden uit Midden-Europa.

Opmerkelijk is dat Klemm kerken beschouwde als de musea van de middeleeuwen. Ook gaat hij uitvoerig in op de collecties van de Duitse bibliotheken. Het boek is rijk aan bibliografische gegevens en behoorde in de 19de eeuw tot de standaardwerken over wat we nu beschouwen als het nationale erfgoed. Het boek werd gebruikt als gids voor het bezoeken van museale verzamelingen.

klemm.jpg
Titelblad

Traité des ombres / par M. [C.F.] Bourgeois, architecte pour servir de suite au vignole gravé par Hibon …
Paris : Chez E. Hocquart, 1838. 7 pagina’s : 25 platen ; 32 cm.

Deze uitgave is bedoeld als leer- en voorbeeldboek voor het maken van architectuurtekeningen. Het bevat 25 bijzonder fraaie aquatinten om vooral de schaduwwerking in architectuurtekeningen te illustreren. De afbeeldingen tonen veelal architectuuronderdelen in een ‘projection verticale’. Deze onderdelen van gebouwen zijn voornamelijk trappen, daken, gewelven, kapitelen en basementen van zuilen.

Auguste Hibon (1780-1857) was graveur en etser werkzaam in Parijs en maakte veel illustraties voor boeken. Over de samensteller van dit boek, de architect Claude-Felix Bourgeois (1802-na 1824), is weinig bekend. Bourgeois kreeg zijn opleiding aan de École des Beaux-Arts in Parijs.

Aquatint is een diepdruk-etstechniek, tevens de benaming voor een afdruk daarvan. Het is een variant op het traditioneel etsen, waarbij geen lijnen maar egale vlakken ontstaan. Zodoende kan een egale toon worden verkregen en ontstaat een op waterverf lijkend resultaat.

traitc3a9-des-ombres1.jpg
Plaat 1 uit Traité des ombres (projection verticale et horizontale)

The principles of harmony and contrast of colours, and their applications to the arts : including painting, interior decoration, tapestries, carpets, mosaics, coloured glazing, paper-staining, calico-printing, letterpress printing, map-colouring, dress, landscape and flower gardening, etc. / by M.E. Chevreul, membre de l’Institut de France, etc. ; translated from the French by Charles Martel
London : Henry G. Bohn, 1860. Third edition / with an additional introduction by the translator, and a general index. xlvi, 465 pagina’s, xv, iv bladen met platen (waaronder vouwbladen) : illustraties, diagrammen ; 19 cm.

Michel Eugène Chevreul (1786-1889) was chemicus en vanaf 1824 directeur van de beroemde tapijtfabriek, Manufacture des Gobelins te Parijs. Chevreul had veel invloed met zijn kleurtheorieën over de waarneming van contrasterende kleuren, met name met zijn boek uit 1839, De la loi du contraste simultané des couleurs et de l’assortiment des objets colorés. Het werk werd vertaald in het Engels in 1854, herdrukt met een voorwoord van de vertaler in 1855, waarvan dit exemplaar uit 1860 de derde en laatste editie is.

Chevreul was een vurig pleitbezorger van het vaststellen van normen en standaarden voor kleurtoepassingen in de toegepaste kunst. Zijn doelstelling was om de natuur zo dicht mogelijk te benaderen door de effecten van licht en donker (clair-obscur) te scheiden van de contrasten van kleuren. Ook in de schilderkunst laat zijn invloed zich gelden. De schilder Eugène Delacroix raakte geïnteresseerd in zijn theorieën over contrasterende kleuren en schreef hierover aan Manet. Het uitgangspunt om kleuren te scheiden om tot een betere contrastwerking te komen gaf mede aanleiding tot de neo-impressionistische beweging van de jaren 1880 geleid door de pointillisten Georges Seurat en Paul Signac. Ook de orphisten waaronder Robert Delaunay lieten zich inspireren door het werk van Chevreul bij hun experimenten om kleur en kubistische elementen te integreren. Het Orphisme was een overgangsvorm tussen kubisme en abstracte kunst van 1910 tot en met 1913 met veel aandacht voor licht en kleuren. De invloed van het werk van Chevreul lijkt vooral in Frankrijk naspeurbaar. De drie Engelstalige edities tussen 1854 en 1860 zullen ongetwijfeld ook hun sporen op Britse schilders en beoefenaars van de toegepaste kunsten hebben nagelaten.

Chevreul1
Plaat 6 met de chromatische cirkel van kleurwaarden

John Gage geeft in zijn boek Color and Culture: Practice and Meaning from Antiquity to Abstraction een analyse van het belang van Chevreul’s kleurentheorie. Gage stelt dat ondanks zijn reputatie als vernieuwer, Chevreul eigenlijk moet worden gezien als een conservatieve denker aan het einde van een lange traditie. Zijn analyse van chroma en lichtheidsvariaties in termen van mengsels van puur pigment met wit of zwart gaat rechtstreeks terug naar de Della pittura  van Leon Batista Alberti uit 1436 als de methode die door alle schilders werd gebruikt om kleurmengsels te manipuleren. Complementaire contrasten waren al bekend bij kunstenaars van die tijd en leergierige kunstenaars zouden Chevreul’s belangrijkste ideeën al bij Alberti of in het traktaat van Leonardo da Vinci Traité de la peinture uit 1651 zijn tegengekomen. Leonardo schrijft: ‘Van kleuren van gelijke lichtheid, die er het helderst uitzien tegen de donkerste achtergrond, en zwart zal zichzelf het donkerst weergeven tegen een achtergrond van de grootste witheid. En rood zal het felst lijken tegen de geelste achtergrond, net als alle kleuren omringd door hun direct tegengestelde kleur.’

Chevreul’s boek biedt een uitputtend overzicht van zeer uiteenlopende kleureffecten met gekleurd papier, garens, glas en andere materialen. Kleuren zijn tegen elkaar geplaatst of in contrast met wit, grijs of zwart. Ook behandelt hij kleuren in gedrukte of papieren ontwerpen, in schilderijen, in kleding en textiel. Tevens komen de effecten van verschillende tinten en intensiteiten van verlichting, inclusief licht door glas-in-loodramen aan de orde. Volgens Gage kunnen kunstenaars de werking van de kleureffecten zichtbaar maken door de voorbeelden van Chevreul te reconstrueren. Deze reconstructies geven meer inzicht geeft dan door alleen het boek te lezen kan worden bereikt.

Chevreul2
Pagina 148-149 over de onderlinge verhoudingen van de kleuren bij het weven van stoffen

Verzameling platen van de vereniging Architecturae Studio
Rotterdam : Architecturae Studio, 1883-1884. 2 delen : hoofdzakelijk illustraties ; 42 cm.

Platen geleverd door de werkende leden van de vereniging Architecturae Studio ter verspreiding onder de werkende- en contribuerende leden.

Uit een schenking ontving het Rijksmuseum twee gebonden boeken met uitsluitend afbeeldingen uitgegeven door de Vereniging Architecturae Studio. Hans Oldewarris, auteur van het proefschrift Liefde voor de Hollandse bouwkunst, deelde de volgende informatie, hier verkort weergegeven: ‘De vereniging Architecturæ Studio is opgericht op 29 december 1883 in Rotterdam. Voorzitter was de architect J.W. Blijenburg. De meeste leden, ‘beoefenaars der bouwkunst’, waren begin jaren 1860 geboren, dus begin twintig. Al in 1881 hadden ze het plan opgevat om door onderlinge samenwerking hun studie op het gebied van de bouwkunst uit te breiden. Het calqueren van platen en tekeningen uit boeken en plaatwerken van verschillende ontwerpen en het maandelijks ronddelen aan de leden van de afgedrukte calques, was het begin. Het bleek een succes waardoor al snel velen zich bij de vereniging aansloten, maar binnen afzienbare tijd konden de uitgaven de onkosten niet meer dekken. Een ruimere kring van belangstellenden was nodig, die tegen betaling de uitgaven konden ontvangen. Dat betekende de introductie van zogenaamde ‘contribuerende leden’, die een hogere contributie moesten betalen dan de werkende leden. Contribuerende leden betaalden f 12,50 per jaar en ontvingen daarvoor minstens 192 afdrukken, werkende leden kregen de afdrukken gratis, mits zij maandelijks één plaat zouden afleveren. De grote verscheidenheid aan onderwerpen en de over het algemeen zeer goed getekende afdrukken, zorgden ervoor dat al spoedig veel contribuerende leden toetraden, met als gevolg dat op dat moment, met inbegrip van de werkende leden, de vereniging zeventig leden telde. Deze waren over het hele land verspreid en enkele woonden zelfs in het buitenland.
Hoewel direct na de oprichting de Vereniging Architecturae Studio sterk in omvang was toegenomen, verdween ze weer even spoedig als ze was opgekomen. De oorzaken voor de opheffing in 1884 werd gezocht in een verlies van werkkrachten en een achteruitgang van het gehalte der platen.’

Architecturae2
Frontispice van de eerste serie 1883

De platen zijn lithografische reproducties naar illustraties in boeken en plaatwerken, soms met bronvermelding. De verscheidenheid is groot waarbij het ornament het leidende motief is. Titelbladen, panelen met houtsnijwerk, architecturale poorten, een verzameling putti, randversieringen van de vloer in de dom van Siena, meubels, en ornamenten voor de meest uiteenlopende toepassingen.

Architecturae3
Randversieringen van de vloer in de dom van Siena

Crefelder Fräsformen / eine neue Technik von Johannes Harder
Erfurt : Gebr. Richters Verlagsanstalt (Druck der Ohlenroth’schen Buchdruckerei Georg Richters), [1910]. [1] pagina‘s : 48 illustraties : 29 cm.

Johannes Harder (1877-1948), was oorspronkelijk afkomstig uit Kellinghusen in Sleeswijk-Holstein. Hij studeerde voor meubelmaker aan de Kunstgewerbeschule in Hamburg en aan de koninklijke Kunstacademie in Berlijn. In 1902 werd hij leraar op de kunstnijverheidsschool in Krefeld. Hiermee kwam Johannes Harder in het centrum waar de artistieke hervormingen rond 1900 plaatsvonden. De directeur van het museum, Friedrich Deneken, vroeg belangrijke kunstenaars in de Art Nouveau-stijl, zoals Henry van de Velde, Peter Behrens en Otto Eckmann om ontwerpen te maken voor Krefeld die vervolgens werden uitgevoerd door ambachtelijke bedrijven in de stad. In deze omgeving nam het belang van de kunstnijverheidsschool toe. Harder werd specialist in de relatief jonge kunst van het houtfrezen. Het was Harder die deze techniek op de school in Krefeld introduceerde en tot ontwikkeling bracht. Hij beheerste het vak meesterlijk. Naast sommige machines, tonen de foto’s in dit instructieboek de meubels die door Harder en zijn studenten zijn ontworpen, evenals tal van details van houtbewerking en freeswerk.

harder2.jpg
Fig. 20 toont een deel van de zogenaamde ‘Kellinghusener Kabinettschrank’

Le Futurisme : revue synthetique bimensuelle / dirigée par F.T. Marinetti  ;
Il Futurismo : rivista sintetica illustrata mensile / direttore, F.T. Marinetti 

Carel Willink maakte tussen 1920 en 1923 in Berlijn een ontwikkeling door van de expressionistische figuratie via het futurisme naar een constructivistische abstractie. De pittura metafysica ontwikkeld door Carlo Carrà en Giorgio De Chirico heeft Willink diepgaand beïnvloed. In zijn latere magisch-realistische schilderkunst is deze invloed duidelijk zichtbaar. Gedurende deze periode worden onderlinge contacten onderhouden tussen de vertegenwoordigers van modernistische stromingen onder wie de futurist Filippo Tommaso Marinetti (1876-1944). Toen Willink na terugkeer in Nederland een solotentoonstelling in 1924 kreeg van zijn Berlijnse werk werd hij als ‘futurist’ gepresenteerd. In het atelier van Carel Willink werden diverse afleveringen van futuristische tijdschriften en pamfletten uit 1909 tot 1921 in voornamelijk Franstalige uitgaven aangetroffen.
Naast drie afleveringen van het periodiek Le Futurisme (1922-1926) en één aflevering van Il Futurismo(1922), werden dankzij Sylvia Willink 18 zeldzame futuristische pamfletten verworven.

In 1909 kondigde Marinetti de oprichting van het Futurisme aan met het artikel “Manifeste du futurisme” in de Franse krant Le Figaro (20 februari 1909). Het vertrouwen in de moderne technologische ontwikkelingen en de dynamiek van het postindustriële stadsleven waren aanleiding voor Marinetti en andere futuristen om een stortvloed van manifesten over onderwerpen als schilderen, film, muziek, architectuur en theater te publiceren. Door de eenvoud en de flexibiliteit van de drukkunst kon een breed en divers publiek worden bereikt.

2019 aanwinsten september plusplus-0003
Oprichtingsmanifest van de futuristen, gepubliceerd in de Figaro van 20 februari 1909

Paolo Tonini heeft in zijn I manifesti del futurismo italiano / Italian futurist manifestos (1909 -1945) 346 verschillende futuristische pamfletten opgenomen. In het voorwoord schrijft hij: ‘In the Manifesto of Futurism, for the first time in history, poetry claims the mission to change life and the world. Futurism Art-Life, “vivre sa vie”, reconstruction of the universe. This first manifesto was followed by many others, written by Marinetti and young poets and artists from all over Italy, trying to create avant-garde groups, magazines, events and situations where they could express a different and original way of living. The history of futurism goes through its manifestos. The posters at the street corners, the leaflets distributed or sent to intellectuals and artists all around the world, the texts spread through the newspapers, inaugurate a new way to promote the ideas: provocation and violent critic of pre-established values, the slap to the taste of public.’

Een markant manifest van Marinetti uit 1917 is La danse futuriste : danse de l’aviateur, danse du shrapnell, danse de la mitrailleuse : manifeste futuriste. In dit document roept Marinetti op om machines na te bootsen in de dans en presenteert hij drie futuristische dansen geïnspireerd door ‘drie mechanismen van de oorlogsvoering : granaatscherven, het machinegeweer en het vliegtuig.’

De titels van de 18 pamfletten en de 2 tijdschriften zijn met deze link in de catalogus te selecteren.

2019-aanwinsten-september-plusplus-0002.jpg
La danse futuriste : danse de l’aviateur, danse du shrapnell, danse de la mitrailleuse : manifeste futuriste“ (1917)

Japan, a chapter of image : a photographic essay / by W. Eugene Smith ; with Carole Thomas
Tokyo : Hitachi, [1963]. Tokyo, Japan : Toppin Printing Co., Ltd. copyright 1963. 79 pagina’s : 145 illustraties ; 34 cm.

William Eugene Smith (1918-1978) was een Amerikaanse foto journalist die bekend staat vanwege zijn indringende foto reportages, gekenmerkt door een groot sociaal bewustzijn en empathie.

In 1961 nam Eugene Smith de opdracht aan van het Japanse publiciteitsbureau Cosmo om de activiteiten van de Hitachi Company te documenteren. In plaats van een bedrijfsfotoboek maakte hij een foto-essay over de uitwerking van de industrialisatie op Japanse arbeiders en de spanningen tussen het moderne en het traditionele Japan. Samen met zijn assistente Carole Thomas spendeerde Eugene Smith bijna een jaar aan deze opdracht. Dit relatief eenvoudige werk kreeg een heel ander karakter door niet Hitachi als firma centraal te stellen maar het land en het volk van Japan in een eerlijke en respectvolle fotografische weergave. Carole Thomas karakteriseerde de tijd in een interview als volgt: ‘Tokyo at that time was in transition, so you’d have a skyscraper next to a shack, where the guy would come out in the morning in his pajamas and sweep his front sidewalk, in his pajamas, next to a building that looks like a skyscraper in New York City. So visually that’s fascinating’.

Eugene Smith. Hitachti 1962
W. Eugene Smith, Hitachi, Japan, 1962. Photograph by Kozo Amano

Golf book
Barcelona : M. Moleiro Editor, [2004]. 30 [i.e. 58] pagina’s : illustraties ; 21 cm.
(genummerd exemplaar: 900 van 987). In een doos van 24 cm.
Facsimile uitgave van het getijdenboek uit de werkplaats van Simon Bening omstreeks 1540. Het origineel bevindt zich in de British Library (Additional Ms. 24098).

Golf book / Carlos Miranda García Tejedor
Barcelona : M. Moleiro Editor, [2004]. 252 pagina’s : illustraties, facsimiles ; 31 cm.
Dit is de supplement band bij de facsimile uitgave van het Golf book met toelichtingen, een transcriptie en de vertaling van de Latijnse tekst in het Engels.

Het zogenaamde Golfbook is een getijdenboek van omstreeks 1540 met miniaturen van Simon Bening (1483/4-1561) en zijn atelier in Brugge. De naam van het handschrift is ontleend aan de afbeelding van vier mensen die een soort golfspel spelen in de margeversiering op folium 27 recto op het kalenderblad van de maand september. De opdrachtgever kan een Zwitser zijn geweest aangezien een miniatuur van de heilige Bonifatius van Lausanne is toegevoegd. Eerdere eigenaren waren Ernst, Freiherr (baron) von Pöllnitz (1813-1900), kamerheer van koning Ludwig I van Beieren en hertog Albert on Saxe-Coburg-Gotha die het boek verkocht aan het British Museum in 1861.

September-_Four_men_playing_a_game_that_resembles_golf_-_The_Golf_Book_(1520-1530),_f.27r_-_BL_Add_MS_24098
Golfspelers in de margeversiering op folium 27 recto op het kalenderblad van de maand september.

Het handschrift bestaat uit dertig perkamenten folia van 115 x 84 mm. De teksten zijn geschreven in het Latijn in een Gotisch schrift. Deze folia zijn niet meer ingebonden in de oorspronkelijke volgorde. Dat komt omdat ze uit een omvangrijker getijdenboek zijn gehaald en in een nieuwe volgorde geplaatst, wellicht als gevolg van de besluiten tijdens het Concilie van Trente (1545-1563). De meeste getijdenboeken hebben naast een kalender en de getijden van Onze Lieve Vrouw, een aantal andere getijden zoals de getijden van het Heilig Kruis en de getijden van de Heilige Geest. Het Golfbook begint met een afbeelding van Bonifatius van Lausanne en bevat vervolgens de eerste twee folia van elk van de gebedsstonden uit de getijden van de Heilige Maagd Maria. Na de folia uit de getijden volgen de 12 maanden van de kalender. In totaal telt het handschrift 21 miniaturen die een volledige bladzijde beslaan. Elke miniatuur is omlijst met een architectonisch kader versierd met medaillons en cameeën in grisaille of half-grisaille. Ook de tekstbladen zijn voorzien van een rijke omlijsting.

September-_Ploughing,_sowing_and_harrowing;_and_playing_with_marbles_and_stilts_-_The_Golf_Book_(1520-1530),_f.26v_-_BL_Add_MS_24098
Kalenderblad van de maand september, verso met de activiteit van de maand

Het boek is vooral bekend om zijn kalender. Voor elke maand zijn twee tegenoverliggende bladzijden voorzien, met links, op de verso zijde, een volbladminiatuur met de activiteit van de maand, hetzij het werk op het veld hetzij het vermaak van de adel. De volbladminiatuur is gevat in een architectonische lijst met onderaan de pagina de voorstelling van een sport of volksvermaak. Op de rectozijde vindt men dan het kalenderblad in twee kolommen met in elke kolom het ‘Gulden getal’, de Zondagsletter en de naam van de te vieren heilige of de feestdag. Ook de tekst van het kalenderblad is omkaderd met een architectonische lijst die aan de rechterzijde een medaillon met het dierenriemteken van de maand bevat en onderaan een afbeelding van een spel.

golf-book-book-of-hours

De miniaturen van de kalender gaan terug op andere getijdenboeken gemaakt door Simon Bening. Er zijn diverse devotieboeken bewaard gebleven die door Bening zijn verlucht met verwante voorstellingen. De belangrijkste zijn het Da Costa-Getijdenboek (New York), het Beatty-Rosarium (Dublin), het gebedenboek van Albrecht van Brandenburg (Los Angeles), het Hennessy-getijdenboek (Brussel) en het Golfbook. Tegen het midden van de 16e eeuw was Simon Bening de enige grote meester die nog actief was in Vlaanderen. Zijn overlijden op 6 november 1561 in Brugge wordt beschouwd als het eindpunt van de Vlaamse boekverluchting, hierna zou boekverluchting geen rol van betekenis meer spelen in de kunsten.