In de rubriek Ex Libris vertelt een medewerker van het Rijksmuseum over zijn of haar favoriete werk uit de bibliotheekcollectie. Deze keer is het woord aan Tycho Hofstra, informatiespecialist Collectieinformatie en Archief.
Een zuinig mondje, wantrouwige ogen, een betrouwbare kop; het hechten van karaktereigenschappen aan gezichtskenmerken is van alle tijden. Voor beeldend kunstenaars is een goed typerende hoofd een godsgeschenk, het spreekt namelijk boekdelen. Hoewel de schetsen van Rembrandt en, bijvoorbeeld, Het Sint-Nicolaasfeest van Jan Steen schoolvoorbeelden van karakteristieke hoofden uit de Rijksmuseumcollectie zijn, blijft de serie Recueil de grimaces van Louis-Leopold Boilly mijn favoriet. Boilly hoefde gelukkig zelf niet uit te vogelen hoe een vrijpostig, jaloers of hautaine hoofd eruit zag. Alle geheimen van het hoofd waren al jaren vastgelegd in het grondwerk van de fysionomie: Physiognomische Fragmente zur Beförderung der Menschenkenntnis und Menschenliebe (1775-1778). Nog interessanter dan het origineel is de Nederlandse vertaling door de Delftse tekenaar Isaac van Haastert: Algemene geheimregels der gelaatkunde, dienende tot een handboek voor den menschenkenner en tekenaar (1807). En daarom, een Ex libris bestaande uit een kort pleidooi tegen een originele uitgave en een pluim voor de vertaling.

Rijksmuseum Amsterdam, inv. nr. RP-P-1905-3399
Fysionomie ofwel gelaatkunde, stelt dat de persoonlijkheid van de mens zich in lichaamskenmerken uit. Hoewel deze pseudowetenschap (laten we dat voorop stellen) vanaf de Oudheid bedreven werd, wist de Zwitserse predikant Johann Kaspar Lavater de fysionomie ongekend populair te maken in achttiende-eeuws Europa. Lavater wist namelijk bewijs te vinden voor fysionomie in de Bijbel. In de bijbelpassage Markus 16:17-18 stelt Jezus dat de meest toegewijde christenen door hun geloof wonderen zouden kunnen verrichten:
17 De mensen die het geloven, zullen hieraan te herkennen zijn: zij zullen in mijn naam boze geesten verjagen, zij zullen in nieuwe talen spreken, 18 zij zullen slangen kunnen vastpakken, en als zij iets giftigs drinken, zal hun dat geen kwaad doen, zij zullen zieke mensen de handen opleggen en genezen.’
Hoewel de Bijbel vermeldt dat deze mensen te herkennen zullen zijn, wordt ons niet verteld waaraan. Lavater had hier echter een antwoord op; het goddelijke moreel van de ware christen scheen door via het gezicht. Intellect, deugdzaamheid en vroomheid vormden het gezicht op een andere manier dan wellust, agressie en domheid. Om de mensheid te hoeden schreef Lavater een gids tot de fysionomie: Physiognomische Fragmente zur Beförderung der Menschenkenntnis und Menschenliebe. Het boek was binnen de kortste keren een enorme hit onder de gegoede klassen. Eindelijk was het wetenschappelijk verantwoord om over het hoofd van de buren te roddelen.

Physiognomische Fragmente is een dogmatisch boek waarin precies staat beschreven welke gezichtskenmerken deugen en welke het beste te vermijden zijn. De eerste paragrafen beschrijven de verschillende vormen van de ogen, oren, neus, wangen, kin en mond en wat voor soort mens hierbij hoort. Neem bijvoorbeeld (mijn eigen) diepliggende blauwe ogen en zware wenkbrauwen:
Kleine en heldervonkende ogen, onder sterke en zwarte wenkbraauwen, – diep inleggend bij het spottig lachen, zijn zelden zonder doortraptheid, doordringendheid en fijne listige streken.
Het is dat u het weet. Ook spoorde Lavater de lezer aan om even goed naar het voorhoofd van de vrienden en collega’s te kijken. De regel gaat namelijk:
Als gij een lang en hoog Voorhoofd hebt, maakt dan nooit een vriendschap met een bijnaar kogelronden Kop. – Hebt gij een kogelvormigen Kop, zo maakt geen vriendschap met een hoog, lang en beenig Voorhoofd. – Inzonderheid voegen dezulken doorgaands niet tot het huwelijksparen.
In het daaropvolgende hoofdstuk presenteert Lavater verschillende archetypes. Een mooi voorbeeld hiervan is de Sophistische Arglistigheid. Een sterk vooruitstekende onderlip, onder een degelijk hoofd ‘’zult gij zelden anders vinden, dan aan verkeerde en eerloze Sophisten; boze aartstwisters; loze, arglistige, zamenzwerende, argwanige, voor zich zelf alleen levende en afkerige Menschen.’’

U ziet dat de achtergrond van Lavater als prediker meespeelt in zijn beoordeling van gezichten. Het mag dan ook niet verrassen dat Lavater in het volgend hoofdstuk over de vrouw van leer trekt. Zo was ‘IJdelheid of trotschheid (..) het algemeen caracter van alle Vrouwen’ en waarschuwde de prediker nadrukkelijk voor ‘snibbige’ vrouwen. Die zouden zowel niet voor vriendschap als voor het huwelijk deugen. En dit is niet te maskeren, volgens de prediker:
En geen snibbigheid kan door een Vrouw verborgen worden, hoe schrander en listig dat zij anders wezen moge. Betracht slechts de beweging van hare neusvleugels en bovenlip in het profil, wanneer ‘er van een minnares gesproken wordt, om hare aandoeningen te zien.
De nadruk op het onthullende karakter van het profiel zorgde voor een interessante reactie in de kunst. In de jaren na de publicatie van Physiognomische fragmente werd de silhouette razend populair bij de Europese bovenklasse. Voor een schappelijke prijs kon snel een portret worden gemaakt waarin, boven alles, de deugdelijke gezichtskenmerken naar voren kwamen. Als de vorm van het hoofd al boekdelen spreekt, was het niet meer nodig om een heel portret te schilderen.
Isaac van Haastert
Physiognomische fragmente is met het oog van nu eigenlijk een beetje een mal boekje, met het heerlijke bladerniveau van een horoscoop. De Nederlandse vertaling, Algemene geheimregels der Gelaatkunde, dienende tot een handboek voor den menschenkenner en tekenaar ontstijgt dit echter dankzij het vlijmscherpe voorwoord van de vertaler: de Delftse tekenaar, verzamelaar en interconfessioneel christen Isaac van Haastert (1753 – 1834).
Hoewel Van Haastert het werk van Lavater waardeert, zet hij direct een paar stevige kanttekeningen bij het boekje. Zo waarschuwt Van Haastert om altijd beleefd en open te blijven, en vooral geen ‘beslissend oordeel over Ijmand te vellen; alleen naar de wezenstrekken of houding – De uitzonderingen op de regels zijn te veel.’ Daarnaast vraagt Van Haastert zich af of Lavater ‘nationale hoofdvormen’ heeft meegenomen in zijn gelaatkunde. Volgens de regels van Algemene geheimregels der Gelaatkunde zou iedere Griek hard, koud en zonder enige dichterlijke geest zijn. Dit is iets wat de Delftse tekenaar, met een knipoog naar de Griekse tragedies, weigert te geloven.

Schrijnender vindt Van Haastert hoe de ‘Wilde Volken’ in Lavaters gelaatkunde automatisch worden weggezet als zedeloze dwazen. Van Haastert stelt dat Lavater hiermee beschaafd en slim op gelijke voet stelt met de Westerse wereld, wat fysionomie dus eigenlijk een maatschappelijke kwestie maakt. Breng het ‘wilde volk’ naar de stad en ook zij zullen wetenschap, geloof en ethiek omarmen. Vice versa vindt Van Haastert het aannemelijk dat Europeanen in de jungle te druk bezig zullen zijn met overleven om Rome uit de grond te stampen. Het verschil tussen de volken op gezichtskenmerken en moraliteit gooien vindt Van Haastert dus absurd.
Al met al heeft Van Haastert zelf nog wel theorieën over fysionomie. Hij vermoedt dat Lavater in zijn gelaatkunde geen moraliteit herkent in gezichtskenmerken, maar terugredeneert vanuit vooringenomen ideeën over de morele mens. Zo worden de groten der achttiende-eeuwse aarde – zoals Johann Georg Sulzer en Friedrich Gottlieb Klopstock – door Lavater geprezen om hun ‘geniale’ gezichtstrekken, terwijl ieder noodlottig gezichtskenmerk van beiden wordt weggerationaliseerd. Fysionomie lijkt met terugwerkende kracht ruimte te maken voor iedereen die, in de ogen van Lavater, achting verdient. Toch wel weer typisch, aldus Van Haastert, dat een liefhebber van poëzie juist in de grote dichters een moreel gezicht herkent. Waarom heeft Van Haastert dan toch de gids van Lavater vertaald? De waarde van Algemene geheimregels der Gelaatkunde zit voor Van Haastert niet in het beoordelen van anderen, maar in het zijn van een hulpstuk voor de artiest:
Hoe zeer dit alles niet sterk voor de Gelaatkunde pleit, zo is dezelve toch ene wetenschap die aanmerking verdient; is zij niet algemeen bruikbaar in de dagelijksche verkering, zo is zij het ten minste in zommige omstandigheden, en vooral voor den Tekenaar en Dichter, tot de uitdrukking der menschlijke eigenschappen en hartstochten.
En dit zag Van Haastert scherp. Terwijl fysionomie in de negentiende eeuw steeds meer werd gezien als pseudowetenschap, bleef het werk van Lavater inspiratie voor karikaturen, gezichtsstudies en experimentele portretten. We mogen stiekem wel trots zijn dat Van Haastert direct de kunstzinnige potentie in het discriminerende vleeskeuren van een Zwitserse evangelist zag. Zo kunnen wij vandaag de dag met gerust hart grinniken om de buitensporige beschrijvingen van onze eigen gelaatstrekken, wetende dat dit vreemde, maar invloedrijke boekje gelukkig ook in de eigen tijd niet té serieus werd genomen.
Benieuwd naar de fysionomische conclusies over jouw gelaat? Algemene geheimregels der gelaatkunde, dienende tot een handboek voor den menschenkenner en tekenaar (1807) is online te lezen via Google Books.
Geef een reactie