Door Hilbrand Borkent.
Pianist, componist, schrijver en muziekdocent Hilbrand Borkent bezoekt sinds 1964 de Rijksmuseum Research Library. In december 2025 plaatsten we op The Art of Information een interview waarin hij vertelt over zijn herinneringen aan de Cuypersbibliotheek. Deze keer vertelt hij meer over zijn onderzoek naar Willem Bastiaan Tholen, dat hij uitvoerde met behulp van de bibliotheekcollectie. Hilbrand Borkent doet bijna dagelijks onderzoek in de Rijksmuseum Research Library naar kunstwerken die zijn interesse hebben gewekt, bijvoorbeeld doordat hij ze in galeries of musea is tegengekomen. Daarbij gaat zijn bijzondere belangstelling uit naar de achttiende en negentiende eeuw.
Van 1885 tot 1889 verbleef Willem Bastiaan Tholen (1860-1931) van tijd tot tijd in Spankeren, vlakbij Dieren aan de IJssel. Willems’ vader, P.H.H. Tholen (1831-1913) had gezondheidsproblemen door de vochtige lucht van het aan de Zuiderzee gelegen Kampen waar de familie Tholen woonde. Zijn arts raadde hem aan naar de droge zandgrond van de Veluwe te verhuizen en zo kocht P.H.H. Tholen in de winter van 1884-1885 voor fl 7.000 het net buiten de dorpskern van Spankeren gelegen landhuis De Bockhorst.1 Het huis was, en is, mooi gelegen tussen percelen bos en landbouwgrond en het ligt op nauwelijks 15 minuten lopen van het middenin Spankeren gelegen kerkje, dat daar al vanaf de middeleeuwen staat. De toren dateert uit de 12e eeuw.

Willem werkte vanaf 1880 als tekenleraar aan twee verschillende scholen in Kampen, woonde bij zijn ouders in en had in huis een ruim schildersatelier. Toen de familie Tholen echter eind 1884 Kampen definitief verliet heeft Willem zijn betrekking vrij snel opgegeven en bleef de rest van de winter logeren op Ewijkshoeve, het landhuis van de familie van zijn goede vriend Willem Witsen, bij Den Dolder, om vandaar uit zo nu en dan zijn ouders op De Bockhorst te bezoeken. Korte tijd later besloot hij vrij abrupt op 9 september 1886 te trouwen met de 17 jaar oudere Coba Muller (1843-1918), die hij bij de familie Witsen op Ewijkshoeve had leren kennen. Het pasgehuwde echtpaar vestigde zich in 1886 in Den Haag.
De periode 1884-1886 is voor Willem Tholen een tijd geweest van onrust en van zoeken naar een vaste plek. In de eerste tijd, 1885, die Willem Tholen op de Bockhorst doorbrengt verkent hij de omgeving. Onderwerpen om te tekenen en te schilderen vindt hij in het begin genoeg. Het kerkje en de dorpsweg met de heggen aan weerszijden vormen het onderwerp van een klein olieverfschilderij dat hij op een middag buiten maakte.
Het moet een wat koude, schrale maar zonovergoten dag zijn geweest, de prille voorjaarslucht helder en droog.2 Het zonlicht maakt over de heggen zware slagschaduwen op de zanderige dorpsweg met de twee karresporen. Het zilverige licht waarvoor je je ogen bijna moet dichtknijpen, maakt de schaduwkanten tot silhouet en weerkaatst op de zijkant van het dak van de toren, daarmee het effect van felheid benadrukkend. Dit laatste bleef hem in zijn hele carrière als schilder fascineren. Naar de schaduwpartijen te oordelen is het vroeg in de middag. Met weinig middelen wordt diepte in het schilderij gesuggereerd. Vlak boven het lage geboomte, rechts, hangen in de verte wolken waarvan Tholen alleen de lichte kant summier heeft aangegeven.
Het effect van zijn werkwijze is vooral op een afstand verbluffend, en het maakt dat meer dan 120 jaar na het ontstaan, het kleine schilderij een uiterst vitale indruk blijft maken. Op zijn wandelingen had Tholen een schetsboekje op zakformaat bij zich om snel indrukken te kunnen vastleggen. Van het kerkje van Spankeren is een schetsboekblaadje als voorstudie bewaard gebleven waarop de takken van de kale bomen links en rechts prominent zijn aangezet. Tholen veroorloofde zich uiteraard ook vrijheden en trad in zijn eigen schilderij componerend op zodat de effecten optimaal konden worden benut, zoals bijvoorbeeld de kerktoren die iets slanker op het doek kwam, en de bebouwing links achter de heg.

De signatuur die de 25-jarige kunstenaar op het doek plaatst is heel zorgvuldig. Van deze kleine schilderijen maakte Tholen er vele in zijn lange werkzame leven, misschien wel enkele duizenden. Meestal gaat het hem erom, een bepaald effect vast te leggen met de bedoeling het later voor zijn in het atelier geschilderde doeken op groot formaat te kunnen gebruiken. Die kleine schilderijtjes noemde hij “mijn plankjes” omdat hij ze op een stukje doek, met punaises vastgezet in het deksel van zijn schilderskist in één dagdeel afmaakte, om ze dan later in het atelier zorgvuldig op een houten paneeltje te plakken. De punaise-gaatjes zijn vaak nog zichtbaar en het is opmerkelijk met hoeveel zorg de paneeltjes, vrijwel altijd van een goede, degelijke houtsoort, op maat zijn gezaagd en gladgeschaafd. Tholen verzorgde zijn werk vaak voorbeeldig.
De meeste van Tholens plankjes zijn heel snel en vlot geschilderd en daarom ook wel vluchtig gesigneerd: Tholen. De volledige signatuur, W.B. Tholen, soms met een datering van de twee laatste cijfers van het jaartal, behield hij voor aan schilderijen, aquarellen, tekeningen of grafiek die hij als voltooid beschouwde. De signatuur “Th.” komt op veel buiten gemaakte tekeningen voor, maar op de plankjes vinden we deze zeer zelden.
Er is echter een kleine groep plankjes aan te wijzen waarbij de signatuur “Tholen” met zorg en precisie in rechtopstaande letters is aangebracht. Die zorgvuldigheid treffen we meestal aan in Tholens vroegere werk, en heeft bijna altijd betrekking op een schilderij dat als het ware iets meer heeft dan alleen maar het vastleggen van een specifiek effect.
Ook Het kerkje van Spankeren is zo’n plankje. Het lichteffect op de dorpsweg, de kerktoren, de lucht, het reliëf van licht en donker in de weergave van de heggen waar nog herfstbladeren tussen jong groen zitten, geven een duidelijke meerwaarde dan wat men bij een vluchtige olieverfschets zou verwachten.
Heel bijzonder aan dit kleine schilderij is dat de plek waar het is geschilderd nog lang nagenoeg hetzelfde is gebleven. De zandweg is weliswaar verhard en de jonge beuken rechts van de kerk zijn nu hoog en zwaar. De perelaar links achter de heg is pas in de jaren ‘70 omgehakt. Het huis achter de perelaar is thans witgepleisterd, maar dat is volgens de huidige bewoner pas na 1900 gebeurd.3 De doorgang in de heg links is ook nu nog aanwezig. De dorpsweg is in de periode na de Tweede Wereldoorlog iets verbreed en rechtgetrokken, maar in latere jaren is de oude situatie, met de flauwe bocht, hersteld.

Willem Bastiaan Tholen heeft een groot epistolair oeuvre nagelaten.4 In al deze brieven komt Tholen, die in z’n jonge jaren een bepaald niet onknappe en altijd goed verzorgde verschijning was, naar voren als een bijzonder aardige en begripvolle correspondent die zich bij velen geliefd heeft gemaakt. Waar mogelijk hielp hij zijn kunstbroeders. Plezierige omstandigheid daarbij was dat de familie Tholen niet geheel onbemiddeld was. Uit de vele brieven kunnen we details uit zijn leven te weten komen. Op 27 april 1885 schrijft hij vanuit De Bockhorst bij Spankeren aan Jan Veth. Die brief maakt een wat sombere indruk, want hij beklaagt zich over de geringe belangstelling voor kunst in zijn omgeving. Op 1 mei 1885 volgt een brief aan zijn vriend Willem Witsen:
Waarde Witsen,
Niet alleen dat ik je uitnoodiging niet vergeten had, maar ik had er zelfs vast op gerekend bij je te komen. Je heden morgen ontvangen brief (die mij, al was hij kort, veel genoegen deed) zal mij met meer vrijmoedigheid daarvan doen gebruik maken. Zonder verhindering hoop ik in ’t begin van Juni bij je te komen. Het spreekt dat ik nader den dag mijner komst aan je goedkeuring zal onderwerpen.–
Ik ben hier te Spankeren bij mijn ouders die zooals ik je misschien gezegd heb, verleden jaar hier heen zijn getrokken. Met April hier gekomen vond ik de eerste dagen veel moois. Langzamerhand is mijn vuur echter gaan verflauwen en ben ik nu zelfs zoover dat het me hier verveelt. Daardoor ben ik gaan zoeken en geraak zoodoende tusschen beide zoover van huis dat ik dikwijls de volgende morgen nog vermoeid van ’t loopen uit de veeren verreis. Ik heb mijn penselen dan ook netjes schoongemaakt en zal eerdaags nog mijn palet afbranden (niet verbranden) om daarna een nieuw leven te gaan beginnen.– Was het niet dat ik met Voerman afgesproken had een schilderij met beesten te maken dan allang hiervandaan en zat in Nunspeet. Hij zal namelijk hier komen. (…) 5
De zinsnede waarin hij verwijst naar zijn aankomst en de eerste dagen in Spankeren mag aanleiding zijn tot de aan zekerheid grenzende veronderstelling dat Het kerkje van Spankeren in de laatste twee weken van april 1885 is geschilderd.6
Na deze korte periode van schildersactiviteit heeft Tholen in Spankeren nog maar weinig gewerkt. Hij kwam er alleen om zijn ouders te bezoeken en bleef dan niet erg lang. Hij bezocht dan wel zijn vriend Jan Voerman, tekende soms aan de oevers van de IJssel, en keerde terug naar Willem Witsen en de kunstenaarsvrienden die in groten getale op het landgoed Ewijkshoeve verbleven. Het leven op Ewijkshoeve inspireerde hem in hoge mate. Hij had er in een bijgebouw zelfs een eigen atelier.
Toen Tholen in 1886 in Den Haag ging wonen werden zijn bezoeken aan Spankeren nog sporadischer. In 1889 hielden ook P.H.H. Tholen sr., zijn vrouw en de inwonende dochter Margo het in Spankeren voor gezien en verkochten het huis weer voor hetzelfde bedrag, namelijk fl 7 .000, dat ze er eind 1884 voor hadden uitgegeven. De familie trok naar Apeldoorn en bleef daar hun verdere leven wonen. Het mooie landhuis De Bockhorst is sindsdien een aantal malen van eigenaar verwisseld.7
Tholen’s Het kerkje van Spankeren is ontstaan in een periode waarin de jonge kunstenaar zich nog volop ontwikkelde. Vooral P.J.C. Gabriel was zijn gewaardeerde leermeester, en ook kende hij vele grote schilders van de Haagse School persoonlijk en bezocht hij hen veelvuldig in hun ateliers: de gebroeders Maris, Mauve en Weissenbruch.
Wanneer men Het kerkje van Spankeren aandachtig beschouwt valt echter op dat de inspiratie ertoe niet zozeer aansluit bij de Haagse School maar veeleer bij de school van Barbizon of zelfs bij John Constable, en met name bij een van Tholen’s grootste inspiratiebronnen: Jacob van Ruisdael.
Tholen heeft diens werk in de grote musea grondig bestudeerd en veel ervan moet hem uit het hart gegrepen zijn geweest. Het gevoel voor weidsheid, door Tholen in zijn gehele geschilderde oeuvre ontelbare malen toegepast, is onmiskenbaar en wordt ook door R.S. Bakels in het boek over Tholen, uitgegeven ter gelegenheid van zijn 70ste verjaardag in 1930, benadrukt.8
Op de bladzijden 52, 53 en 54 van dit nog steeds toonaangevende boek vindt men een interessante uiteenzetting van Tholen’s ideeën over Ruisdael.9 Wanneer men tussen vele andere voorbeelden Het kerkje van Spankeren vergelijkt met bijvoorbeeld Ruisdael’s Gezicht op een dorp (olieverf op doek, 59 x 73 cm) uit de Alte Pinakothek in München wordt eens te meer duidelijk hoe belangrijk de 17e-eeuwse Hollandse schildersschool voor Tholen is geweest.10 Op zijn vele buitenlandse reizen heeft hij steeds weer de gelegenheid te baat genomen om die oude meesters te bestuderen zonder ze ooit te willen kopiëren of na te willen doen. Tholen is altijd een kind van zijn tijd gebleven, maar hij heeft zich steeds onafhankelijk opgesteld van welke stroming of inspiratiebron dan ook; hij bleef vooral zichzelf. Het is een van de meest in het oog lopende karaktertrekken die zich al vroeg in zijn schilderscarrière openbaarde.
Aan het einde van de 19e eeuw vinden we in veel landen groepen kunstenaars die als het ware een beweging vormen. Zij kunnen ook werkelijk als groep worden gezien. De Franse impressionisten zijn daarvan het bekendste voorbeeld. In Nederland zijn de Haagse en Amsterdamse School zulke groepen. Vanuit die groepen maken zich eenlingen los. Zo is John Singer Sargent een eenling in het Engels-Amerikaanse realisme en impressionisme, in Spanje Sorolla y Bastida, in Zweden Anders Zorn en in Nederland Willem Bastiaan Tholen. Bij al die eenlingen is een kenmerkende gemene deler aan te wijzen: ze waren allen technisch zeer hoog ontwikkeld en ze bereikten daarmee een ongekende verfijning.
- W.L. Van Voorst Vader, Het Huis Genaamd De Bockhorst: Vanouds Gelegen in Veluwezoom, Ambt Rheden, Kerspel Spankeren (Haarlem, 2000); vriendelijke mededeling van de heer Mark Putman Cramer. ↩︎
- Een “droge april, met op het eind lenteweer” in Jan Buisman, Bar en boos: zeven eeuwen winterweer in de Lage Landen (Baarn: Bosch & Keuning, 1984). Vriendelijke mededeling van de heer Andriessen, KNMI, De Bilt. ↩︎
- Vriendelijke mededeling van de heer Aalders, bewoner van het huis in 2007. ↩︎
- Naast brieven van Tholen in particuliere collecties bevinden zich brieven van hem in het Gemeentearchief Den Haag, KB Den Haag, RKD Den Haag, UB Leiden, Rijksprentenkabinet Amsterdam. Opgave in Anneke de Jong, Willem Bastiaan Tholen 1860-1931 (Gouda: Museum Het Catharina Gasthuis; Assen: Drents Museum, 1993). ↩︎
- Vanwege de lengte van de brief van Tholen heeft de redactie besloten de brief in te korten. De volledige brief in Anneke de Jong, Willem Bastiaan Tholen, 1993, p. 151. ↩︎
- Zie: Anneke de Jong, Willem Bastiaan Tholen en Jan Buisman, Bar en boos. ↩︎
- Zie: W.L. Van Voorst Vader, Het Huis Genaamd De Bockhorst. ↩︎
- R.S. Bakels, W.B. Tholen: 150 reproducties naar werken van zijn hand: den kunstenaar op zijn 70ste verjaardag aangeboden; met een biografische inleiding door R.S. Bakels (‘s-Gravenhage, 1930). ↩︎
- Bakels, W.B. Tholen, p. 52-54. ↩︎
- Wolfgang Stechow, Dutch Landscape Painting of the Seventeenth Century (London: Phaidon, 1966), no. 82. ↩︎
Wil je zelf onderzoek doen in de Rijksmuseum Research Library? Lees hier meer over een bezoek aan de bibliotheek.
Geef een reactie