Out of the InfoBox: Net als de oude meesters

Jaarlijks ontvangt het Rijksmuseum ruim vijfduizend vragen over de collectie van het museum. In de rubriek ‘Out of the Infobox’ behandelt een van onze informatiespecialisten een interessante, bijzondere of opmerkelijke vraag die de afgelopen maand binnenkwam. Deze week buigt Lotte Jaeger, informatiespecialist, zich over de kopieerpraktijken in het Rijksmuseum. 

Net als de oude meesters: kopieerpraktijken in het Rijksmuseum 

Door Lotte Jaeger

Musea speelden vanaf hun oprichting aan het einde van de achttiende eeuw vooral een belangrijke rol in het kunstonderwijs. Het kopiëren van oude meesters, om zo kennis te nemen van technieken en composities, vormde een essentieel onderdeel in de opleiding tot kunstenaar. De eigen inventiviteit zou zich op deze manier volop kunnen ontwikkelen. Kopiisten waren vanaf 1816 vijf dagen in de week welkom in het Trippenhuis, de voorloper van het Rijksmuseum. Kunstenaars kregen hiermee flink voorrang op de gewone bezoeker, die maar twee dagdelen per week toegang had. De grote toeloop van kopiisten bracht al snel praktische problemen met zich mee waardoor musea zich genoodzaakt zagen reglementen op te stellen. Met een schildersezel onder de arm binnen wandelen was er niet meer bij. Men diende schriftelijk toestemming te vragen bij de directeur, waarbij ook praktische zaken als het plaatsen van een ezel, tafel of het van de muur halen van een schilderij werden besproken. Na de opening van het huidige Rijksmuseum in 1885 waren kopiisten daar eveneens welkom. De negentiende eeuw staat bekend als dé kopiisteneeuw, maar ook in de twintigste eeuw waren er kopiisten op zaal te vinden. Het Historisch Archief van het Rijksmuseum bevat een aantal foto’s waarop deze kopieerpraktijken in het Rijksmuseum te zien zijn.

Afbeelding2
W.F.A. Pothast aan het werk in de Nachtwachtuitbouw, 1914-01-28, Historisch Archief Rijksmuseum Amsterdam.
Afbeelding1
S. Bakker Jz, De Van der Hoopzaal met rechts op de achtergrond een dame die een schilderij kopieert, ca. 1895-1923, Historisch Archief Rijksmuseum Amsterdam.

Waar jonge kunstenaars kopieerden om te leren, kopieerden ervaren kunstenaars voor de kost. De vraag naar kopieën was in de negentiende eeuw toegenomen door de afwezigheid van kwalitatief goede kleurenreproducties. Ook verzamelaars bestelden kopieën. Kon het origineel niet gekocht worden, dan was een goede kopie zelfs een geliefd alternatief. Om vervalsingen tegen te gaan was het de kopiist alleen toegestaan kopieën met van het origineel afwijkende afmetingen te vervaardigen. Tevens dienden de werken na voltooiing aan de achterzijde van een stempel te worden voorzien, waarmee ze als kopie werden aangeduid. Toch blijkt men niet altijd volgens de regels te hebben gewerkt. Zo kopieerde Paul Tétar van Elven (1823-1896) in het Haagse Mauritshuis De boetvaardige Maria Magdalena van Mateo Cerezo in exact hetzelfde formaat inclusief de originele signatuur, hetgeen uiteraard uit den boze was.

Het is interessant om te merken dat de hierboven beschreven kopieerpraktijken tegenwoordig lang niet meer zo bekend zijn. Zo ontvangen wij informatiespecialisten met enige regelmaat vragen uit binnen- en buitenland over kopieën van oude meesters uit de Rijksmuseum collectie in particulier bezit. Rembrandts Staalmeesters en Isaak zegent Jakob door Govert Flinck zijn hier slechts enkele beroemde voorbeelden van. Men vraagt zich af door wie deze schilderijen vervaardigd zijn; De oude meester zelf, een van zijn leerlingen, of toch een kunstenaar van later datum. Bij de behandeling van dergelijke informatieverzoeken kunnen formaten maar ook stempels en opschriften op de achterzijde van de werken inzicht geven. Met deze informatie kunnen de zogenoemde kopiistenregisters worden geraadpleegd. In deze boeken zijn de namen van bezoekende kopiisten vanaf 1852 vastgelegd. Naast de naam zijn beroep, woonplaats, te kopiëren kunstwerk, afmetingen van de kopie en dagtekening van het verlof hierin opgeschreven. Met de juiste gegevens en een beetje geluk is het dan ook mogelijk de schilder van de desbetreffende kopie te achterhalen.

Vandaag de dag kunnen de kopiistenregisters voor onderzoek waardevolle informatie bevatten. Niet alleen is het mogelijk vervaardigers van kopieën op te sporen, ook geven de boeken een goed beeld van de publieke waardering van schilderijen door de tijd heen.

Verder lezen?

P.J.J. van Thiel, ‘Het Rijksmuseum in het Trippenhuis, 1814-1885 (IV): Kopiisten en fotografen’, in: Bulletin van het Rijksmuseum 30 (1982), nr. 2, pp. 63-86.

Y. Ezendam en M. Reinders, ‘Zoek goed gezelschap… ga naar de oude meesters! Kopiëren van schilderijen in de negentiende eeuw’, Antiek 27 (1992), nr. 1, pp. 5-14.

M. Altena en M. Van de Laar, ‘Kopiëren in het Rijksmuseum. De kopieën van kunstschilder/restaurateur Arnold van de Laar (1886-1974)’, in: Bulletin van het Rijksmuseum 50 (2002), nr. 1, pp 28-51.

Heeft u ook inhoudelijke vragen over de collectie van het Rijksmuseum, neem dan contact op met onze informatiespecialisten via rijksmuseum.nl/research.  

Geef een reactie

Ontdek meer van The Art of Information

Abonneer je nu om meer te lezen en toegang te krijgen tot het volledige archief.

Lees verder