Marcus Willemsz Doornick en Data in Context

De Rijksmuseum Research Library en Study Room Prints & Drawings worden bezocht door nationale en internationale onderzoekers die zich buigen over de collectie. Wie zijn deze onderzoekers en waar gaat hun onderzoek over? Vandaag is aan het woord Ellen van Heteren die in het kader van haar studie Boekwetenschap aan de Universiteit van Amsterdam twee maanden stage liep bij afdeling Research Services.

door Ellen van Heteren

In de collecties van het Rijksmuseum bevinden zich veel objecten die met elkaar in verband staan, maar voor een onderzoeker zijn deze verbanden niet altijd zichtbaar. Zo zijn er duizenden prenten in de collecties van het Rijksprentenkabinet die óók voorkomen in boeken uit de collecties van de Bibliotheek. Soms ging het om illustraties uit boeken die de uitgever hergebruikte op nieuwsprenten, in andere gevallen werden koperplaten opgewerkt om de actualiteit bij te houden. In weer andere gevallen werden koperplaten overgenomen van of doorverkocht aan andere drukkers en uitgevers.

Het is de vraag hoe een dergelijke historische praktijk uit het boeken- en prentenvak terugkomt in de data van het Rijksmuseum. Op overkoepelend niveau is het museum hier intensief mee bezig door het opzetten van een ‘integratielaag’ voor de data uit alle collecties, maar hoe verhoudt zich dat tot de data die we verkrijgen als we inzoomen op één specifieke casus? In de afgelopen twee maanden heb ik als stageopdracht bij de afdeling Research Services alle boeken en prenten van één Amsterdamse uitgever bestudeerd, enerzijds om te zien hoe in zijn fonds de wisselwerking tussen boeken en prenten was, anderzijds hoe dit gereflecteerd wordt in de data van het Rijksmuseum.

Doornick
Marcus Willemsz Doornick was een Amsterdamse uitgever die werkzaam was in de tweede helft van de zeventiende eeuw. Hij had zijn bedrijf op verschillende adressen tot 1684, waarna hij nog slechts enkele uitgaven op de markt bracht. Sinds de jaren 1650 gaf hij boeken uit van zeer verschillende genres. Hij begon veilig met het uitgeven van boeken waar altijd veel vraag naar was, zoals goedkope bestsellers, schoolboeken en catechismussen, allemaal op kleine formaten. Toen hij in de jaren 1660 zijn bedrijf goed had opgebouwd, bracht hij duurdere werken op de markt, waaronder werken over theologie, economie, politiek, boekhouden en educatieve boeken over het onderhouden van een huisgezin. Hij gaf ook prachtige boeken uit over tuinieren, biologie en hovenieren. Daarnaast verschenen er in die tijd meerdere uitgaven bij zijn uitgeverij over de geschiedenis en topografie van de stad Amsterdam.

Stadsbeschrijvingen van Amsterdam
Het uitgeven van stadsbeschrijvingen was een slimme zet van Doornick, die hierdoor meeliftte op de toenemende belangstelling en de groeiende markt voor dit soort werken. De eerste stadsbeschrijvingen van Amsterdam werden uitgegeven in het begin van de zeventiende eeuw en kwamen voort uit de meer algemene beschrijvingen van de Republiek en haar geschiedenis, waar korte stadsbeschrijvingen in stonden. Pontanus (1571-1639) schreef in 1611 de eerste afzonderlijke stadsbeschrijving van Amsterdam, waarin hij de geschiedenis van de stad, haar bijzondere gebouwen en bestuursvorm op een lovende manier presenteerde. Na de uitgave van Pontanus en een vertaalde heruitgave van zijn werk, heeft dit genre in Amsterdam een tijdje op een laag pitje gestaan, hoewel in die tijd in Haarlem, Leiden en een aantal andere steden zijn voorbeeld werd gevolgd. Pas een halve eeuw later bloeide het genre weer op in Amsterdam en verschenen er binnen enkele jaren tijd vier nieuwe titels, gevolgd door een vijfde in de jaren ’90. Samen zagen deze werken minstens twaalf drukken, waarvan er vijf verschenen bij Doornick.

Het is geen toeval dat deze periode samenviel met bloei in de productie en uitgave van stadsgezichten in de Hollandse steden. Dit betreft zowel koperdrukken van gebouwen, bruggen en pleinen, stadsgezichten waarop de hele stad te zien is, als enkele stadsplattegronden in vogelvlucht. Net zoals de stadsbeschrijvingen ontstond het genre in het begin der zeventiende eeuw en kwam het na een halve eeuw rust weer in bloei in de jaren 1650 en 1660. Dit is dan ook de reden dat de jongere stadsbeschrijvingen vol zitten met prenten, terwijl de oudere uitgaven het met slechts enkele afbeeldingen moesten doen. Dat betekent echter niet dat de nieuwe stadsgezichten in overvloed beschikbaar waren. Doornick moest zijn eerste stadsbeschrijving, geschreven door Melchior Fokkens in 1662, vullen met een aantal oudere platen. Er verscheen dan ook maar een klein aantal afbeeldingen in deze eerste druk, al is het moeilijk te bepalen hoeveel het er precies zijn doordat alle afbeeldingen buiten de collatie zijn geplaatst. Het exemplaar dat in de bibliotheek van het Rijksmuseum ligt telt elf platen, een ander exemplaar dat te vinden is in het gemeentearchief van Amsterdam heeft er slechts acht. In de derde druk die twee jaar later verscheen, telt de stadsbeschrijving in totaal 57 platen, ook allemaal buiten de collatie, hoewel het per exemplaar verschilt welke platen zijn ingebonden. (KOG O-622 en KOGS 638)

De platen zijn gemaakt door verschillende graveurs, de meeste door Jan van Veenhuysen (ca. 1625- ca. 1683). Ook Zacharias Webbers (1644-1696) heeft een aantal prenten bijgedragen en de rest is door anonieme vervaardigers gemaakt. Veel van de beelden op deze prenten zijn duidelijk geïnspireerd door andere prenten die al in omloop waren. Vice versa zijn er prenten in de uitgaven van Doornick die werden gekopieerd en/of overgekocht en tot diep in de achttiende eeuw werden gebruikt. Een voorbeeld hiervan is een uitgave van Isaak Tirion uit 1760, waarin de afbeelding van de St. Antonispoort, gegraveerd door Veenhuysen (links), is gekopieerd (rechts), evenals een aantal prenten van historische gebeurtenissen. Een ander voorbeeld is een prentenboek, La célebre ville d’Amsterdam, uit de eerste helft van de achttiende eeuw, waarin ook zo’n twintig prenten zijn gekopieerd van het werk van Veenhuysen.

Prent van de St. Antonispoort door Veenhuysen (links) en hetzelfde beeld in een stadsbeschrijving van een halve eeuw later (rechts) – RP-P-2018-178 en RP-P-AO-27-16-1.

Het is zeer waarschijnlijk dat Doornick op zijn beurt deze platen had laten kopiëren uit een stadsbeschrijving uitgegeven door zijn concurrent Jacob van Meurs, die in 1663 een boek uitbracht met tientallen prenten die grotendeels van zijn eigen hand zijn of uit zijn atelier komen. Dit blijkt ook als we de werken van beide uitgevers vergelijken; prenten van het stadhuis zijn duidelijk gekopieerd uit de publicatie van Meurs.

Prent van de achtergevel van het oude stadhuis door Veenhuysen (links), naar het voorbeeld van Van Meurs (rechts). RP-P-AO-21-16-2 en RP-P-AO-21-16-1.

Data in context
Het is uitzonderlijk hoe goed de uitgaven van Doornick zijn onderzocht, evenals de prenten die in zijn uitgaven zijn verschenen. Er is maar weinig bronmateriaal overgeleverd dat ons vertelt hoe uitgevers individueel platen produceerden, circuleerden en gebruikten. De Rijksmuseum Research Library heeft duizenden boeken met prenten, terwijl het Rijksprentenkabinet duizenden prenten heeft die óók voorkomen in boeken. Helaas is het vaak niet in beeld te krijgen hoe deze collecties aan elkaar gerelateerd zijn, al is het maar omdat er uit de bibliotheekcollecties nog nagenoeg niets digitaal beschikbaar is. Case studies zoals rondom Marcus Willemsz Doornick zijn ons enige houvast.

Tijdens mijn stage voerde ik mijn werkzaamheden uit op dit snijvlak tussen de twee collecties en probeerde ik de collecties weer met elkaar in verbinding te brengen. Dat deed ik niet zomaar; de afdeling Research Services werkt al een tijd aan een zogenaamde integratielaag die hetzelfde doel heeft: de verschillende collecties, ondergebracht in verschillende digitale systemen, met elkaar verbinden. Aangezien de collecties veel te groot zijn om dit werk handmatig uit te voeren, wordt dit gedaan door een integratielaag te coderen.

Een exemplaar van Beschryvinge van Amsterdam met voorbeelden van hoe verschillende prenten in het boek zijn verwerkt.

Om deze code goed te laten werken, heeft het programma behoefte aan zo weinig mogelijk tekst en zo veel mogelijk codes en identifiers. Een identifier zorgt ervoor dat informatie gekoppeld kan worden aan verschillende databases en dat het programma herkent dat het hier om een identiek stukje informatie gaat. Dit werkt op verschillende niveaus: uitgaven van boeken worden bijvoorbeeld al ruim vijftig jaar toegevoegd aan de STCN (Short-Title Catalogue, Netherlands), waar zij een nummer toegekend krijgen. Aan een uitgave in de STCN worden dan ook, indien mogelijk, de auteur en uitgever gekoppeld door middel van identifiers, waardoor verschillende naamvarianten terugkoppelen naar dezelfde persoon. Personen zijn vaak weer gekoppeld aan databases gespecialiseerd op individuen, zogenaamde ‘authority files’ zoals de ISNI of VIAF.

Verbanden leggen
Sterke connecties maken met behulp van identifiers is zo ook mogelijk voor de prenten en boeken in het Rijksmuseum. In de bibliotheekcatalogus kan bijvoorbeeld een lijst wordt toegevoegd waarin alle prenten worden genoemd die voorkomen in dat boek. Deze lijst bestaat niet enkel uit tekst, maar ook uit objectnummers en permalinken naar het systeem van het Rijksprentenkabinet. De objecten in Rijksstudio worden op hun beurt weer gelinkt aan boeken in de bibliotheekcatalogus waar zij in voorkomen, ook met behulp van identifiers. Op deze manier zal de integratielaag dergelijke koppelingen tussen de bibliotheek en het rijksprentenkabinet kunnen leggen, maar op basis van welke gegevens?

Een kaart van Amsterdam in Beschrijvinge der wijdt-vermaarde koop-stadt Amstelredam. KOG O-520.

De integratielaag zal de teksten en opmerkingen die zijn toegevoegd aan de entries niet kunnen begrijpen, dus deze informatie zal moeten worden omgezet naar identifiers. Gedurende mijn stage heb ik gewerkt aan het omzetten van deze gegevens. Om een duidelijk beeld te krijgen van de voordelen die dit werk kan bieden, heb ik gewerkt aan de prenten en boeken die zijn uitgegeven door Doornick en die in de collecties van het Rijksmuseum liggen. Momenteel ligt er een dataset klaar, waarin alle prenten uit de door hem uitgegeven boeken, indien mogelijk, met identifiers aan elkaar zijn gelinkt. Mijn werk is een concrete invulling van het project waar al langer op andere niveaus aan wordt gewerkt, alsmede een contrôleproef voor de integratielaag wanneer deze zal verschijnen. Boekwetenschappers en historici worden door deze integratielaag hopelijk gedwongen iets vaker naar visueel bronmateriaal te kijken en kunsthistorici juist naar de relatie tussen losse prenten en boeken. Zo geeft het gecombineerde fonds van Doornick inzicht in zijn verkoopstrategieën als uitgever en zijn er ongetwijfeld nog vele andere vragen die met behulp van linked data makkelijker kunnen worden beantwoord.

Verborgen schatten
Dit onderzoek naar het werk van Doornick heeft niet alleen resultaten opgeleverd op het vlak van linked data en het hergebruik van platen, maar ook werden er een paar schatten onthuld die tot voor kort verborgen waren. Het belangrijkste voorbeeld hiervan is wellicht wel een prachtige uitgave van De koninglycke hovenier en de Nederlantze hesperides (301 C 2), waarin tientallen platen van bomen, bloemen en citroenplanten zitten die niet in de Rijksstudio te vinden zijn. Dit is jammer, want zo goed als het boek past binnen de collectie van de bibliotheek, sluiten ook deze prenten goed aan bij de kunstcollecties van het museum. Het boek bevat een verzameling prenten van verschillende struiken en bomen die een volledige folio bedekken, gegraveerd door H. Causé, een kunstenaar die in de collectie van het Rijksmuseum niet onbekend is. Momenteel liggen er vijfentwintig prenten in het Rijksprentenkabinet die aan Causé zijn toegeschreven, vooral portretten en stadsgezichten, met een enkele titelpagina of afbeelding van interieur ertussen. Wie nu via Rijksstudio onderzoek zou doen naar deze kunstenaar, kan onmogelijk zijn omvangrijke verzameling prenten van flora vinden, terwijl deze wel in het bezit zijn van het Rijksmuseum.

Prachtige prenten van fruit- en notenbomen in De koninglycke hovenier door H. Causé. 301 C 2.

Iets vergelijkbaars is aan de orde met zestien etsen/gravures van verschillende soorten citroenen, gemaakt door C. Kick. Ook deze prenten zijn niet te vinden in Rijksstudio. Sterker nog, Kick is als kunstenaar niet in de collectie van het Rijksmuseum aanwezig. Dit betekent dat het Rijksmuseum een aanzienlijk aantal prenten in haar bezit heeft van een kunstenaar die in Rijksstudio niet is terug te vinden. Het is de uitdrukkelijke wens van Research Services dat geselecteerde delen van bibliotheekcollecties gedigitaliseerd zullen worden, maar dit is een project voor de middellange termijn. Ik hoop dat de vondsten en resultaten van mijn werkzaamheden hier niet alleen laten zien hoe waardevol deze digitalisering zou zijn, maar ook hoe belangrijk het is om de data tussen de verschillende collecties te synchroniseren. Per slot van rekening maakt het de gebruiker niet uit of de schatten in de bibliotheek, het rijksprentenkabinet of elders in de collectie aanwezig zijn. Uiteindelijk is alles één Rijksmuseum.

Prenten van verschillende soorten citroenplanten uit Nederlantze hesperides door C. Kick, een kunstenaar die bij het Rijksmuseum nog niet bekend is. 301 C 2.

Literatuur

Boudewijn Bakker, ‘Kaarten, boeken en prenten. De topografische traditie in de Noordelijke Nederlanden’, in: B. Haak et al. (eds.), Opkomst en bloei van het Noordnederlandse stadsgezicht in de 17de eeuw (Amsterdam 1977), 66-75.

Eddy Verbaan, De woonplaats van de faam. Grondslag van stadsbeschrijving in de zeventiende-eeuwse Republiek (Hilversum 2011), 10-15.

I. H. van Eeghen, ‘Illustraties van de 17de eeuwse beschrijvingen en plaatwerken van Amsterdam’, in: Amstelodamum 66 (1974), 96-116.

Genoemde prenten en boeken uit de collecties van het Rijksmuseum:

D. H. Causé, De koninglycke hovenier aanwyzende de middelen om boomen, bloemen en kruyden, te zaayen, planten, aan queeken en voort teelen (Amsterdam 1676), exemplaar 301 C 2.

J. Commelyn, Nederlantze hesperides, dat is, oeffening en gebruik van de limoen- en oranje-boomen : gestelt na den aardt, en climaat der Nederlanden (Amsterdam 1676), exemplaar 301 C 2.

J. Wagenaar, Amsterdam, in zyne opkomst, aanwas, geschiedenissen, voorregten, koophandel, gebouwen, kerkenstaat, schoolen, schutterye, gilden en regeeringe (Amsterdam 1760), exemplaar KOGS 537.

La célèbre ville d’Amsterdam, representée dans toute sa splendeur et sa magnificence, en plusieurs belles tailles douces … (Leiden, ca. 1700), exemplaar KOG OG 22.

M. Fockens,Beschrijvinge der wijdt-vermaarde koop-stadt Amstelredam (Amsterdam 1662), exemplaar KOG O-520.

M. Fockens,Beschrijvinge der wijdt-vermaarde koop-stadt Amstelredam. Derde druk (Amsterdam 1664), exemplaren KOG O-622 [1,2] en KOGS 638.

RP-P-2018-178 – Gezicht op de Tweede Sint-Antoniespoort te Amsterdam, Jan Veenhuysen (toegeschreven aan), 1665.

RP-P-AO-27-16-1 – Gezicht op de Tweede Sint-Antoniespoort te Amsterdam, anoniem, 1693-1694.

RP-P-AO-21-16-2 – Gezicht op de achterkant van het Stadhuis op de Dam, Jan Veenhuysen, 1664.

RP-P-AO-21-16-1 – Gezicht op de achterkant van het Stadhuis op de Dam, Jacob van Meurs (mogelijk), 1663-1664.

Geef een reactie

Ontdek meer van The Art of Information

Abonneer je nu om meer te lezen en toegang te krijgen tot het volledige archief.

Lees verder