Aanwinstenblog 2022/07
door Alex Alsemgeest
Conservator bibliotheek collecties
Het belang van Het Schilderboeck (1604) van Karel van Mander voor de Nederlandse kunstgeschiedenis kan nauwelijks overdreven worden. Geïnspireerd op Vasari’s Le vite (1550) beschreef Van Mander levens van schilders uit de klassieke oudheid, Italië en de Nederlanden. In de bibliotheekcollectie van het Rijksmuseum zijn de verschillende edities van Het Schilderboeck dan ook buitengewoon goed vertegenwoordigd. Toch verwerven we bij uitzondering nog meer exemplaren van dit beroemde werk, zo zijn er recent nog exemplaren van edities uit 1764 en 1936 aan de collectie toegevoegd. Met goede redenen uiteraard.
Karel van Mander
Van Mander was afkomstig uit het Vlaamse Meulebeke. Rond 1573 vertrok hij naar Italië, waar hij in Florence korte tijd werkte met de capomaestro Giorgio Vasari. Hij maakte tevens kennis met diens biografische werk over Italiaanse schilders Le vite. Terug in het noorden vestigde Van Mander zich uiteindelijk in Haarlem, waar hij met Cornelis van Haarlem en Hendrick Goltzius een soort ‘academie’ vormde. Tevens schreef hij daar aan zijn Schilder-boeck dat in 1604 zou verschijnen. Het werk bevatte naast een theoretische inleiding op de schilderkunst ook een uitleg op de Metamorfosen van Ovidius, maar dankt zijn faam toch vooral aan de biografische details over tientallen schilders uit de Nederlanden van Jan van Eyck tot aan Van Mander zelf. Twaalf jaar na de dood van Van Mander werd in 1618 een tweede druk uitgegeven, voorzien van gegraveerde portretten van een aantal schilders.
In de bibliotheekcollectie van het Rijksmuseum zijn drie exemplaren van de eerste druk en vier van de tweede druk aanwezig. Recent is daar nog een exemplaar bijgekomen van een editie die in 1764 bij de weduwe van Steven van Esveldt in Amsterdam is verschenen. Ook van deze editie waren al meerdere exemplaren in de bibliotheek aanwezig. Wat het recent aangeschafte exemplaar bijzonder maakt, is dat het een onderdeel is van een set van zeven banden die op fraaie wijze uniform gebonden zijn. Naast het Schilder-boeck bevat de set de werken van Arnold Houbraken en Johan van Gool.

Canon van de schilderkunst
In de loop van de zeventiende en achttiende eeuw heeft Van Mander verschillende navolgers gekregen. Arnold Houbraken bracht tussen 1718 en 1721 in drie delen De groote schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen uit, met op de titelpagina expliciet de vermelding ‘zynde een vervolg op het Schilderboek van K. van Mander’. Dertig jaar later kwam Johan van Gool met een volgende aanvulling in twee delen: De nieuwe schouburg der Nederlantsche kunstschilders en schilderessen. Hoewel er nog wel meer namen aan dit selecte gezelschap toegevoegd hadden kunnen worden, gaf de combinatie Van Mander, Houbraken en Van Gool volgens tijdgenoten een redelijk compleet overzicht van de schilderkunst.
Om alle werken ook daadwerkelijk naast elkaar op de plank te kunnen zetten, was er wel nood aan een nieuwe editie van het Schilderboeck. Toen deze in 1764 in Amsterdam van de pers kwam, werd in de bijbehorende prospectus aangegeven dat deze uitgave van het werk van Van Mander ‘in dezelfden smaak, op hetzelfde formaat, en met soortgelyken letter gedrukt [zou worden], als de levens der schilders door Houbraken en Van Gool.’ De uitgever had de bedoeling om het als eenheid te presenteren – de zeven uniform gebonden delen die nu in de collectie van het Rijksmuseum zijn opgenomen reflecteren precies die intentie. Het vertelt ons iets over de receptie van schilderboeken en de vorming van de canon van de Nederlandse schilderkunst in het midden van achttiende eeuw.

Wereldbibliotheek
Enkele eeuwen nadat de canon voor de elite in beton was gegoten, moest ook het volk er aan geloven. In de reeks van de Wereldbibliotheek verscheen in 1936 een moderne uitgave van het Schilder-boeck. Een recensent in de krant vroeg zich nog wel voorzichtig af of dit soort lectuur nog wel gelezen werd ‘door ons geslacht van voetballers en bioscoopmaniakken’, maar steekt vervolgens de loftrompet over de uitgave. Er waren twee varianten beschikbaar. Naast de gewone in linnen gebonden oplage voor leden van de Wereldbibliotheek (ƒ 8,25, of ƒ 6,25 voor leden) verscheen er ook een genummerde oplage van vijftig exemplaren die in perkament werd gebonden (ƒ 25,-).
Eén van deze vijftig exemplaren hebben we aan de collectie toe kunnen voegen. Het betreft nummer 9, een presentie-exemplaar met ex libris van de Rotterdamse bankier en lid van het dagelijks bestuur van de Wereldbibliotheek Leo Frenkel, met een ingevoegde uitnodiging voor de onthulling van de gedenksteen van Karel van Mander namens het Koninklijk Oudheidkundig Genootschap en de directie van de Wereldbibliotheek.
Over de Nederlandse schilderkunst tot aan 1604 leert dit exemplaar ons weinig nieuws, maar over de receptie en de vorming van de canon in de eeuwen daarna des te meer.


Genoemde aanwinsten
Gool, Johan van, De nieuwe schouburg der Nederlantsche kunstschilders en schilderessen: Waer in de Levens- en Kunstbedryven der tans levenden en reets overleedene Schilders, die van Houbraken, noch eenig ander Schryver, zyn aengeteekend, verhaelt worden. 2 delen (Den Haag: voor de auteur, 1750-1751). Standplaats 347 B 20-21.
Houbraken, Arnold, De groote schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen (…) zynde een vervolg op het schilderboek van K. van Mander. 3 delen (Amsterdam: voor den autheur, 1718-1721). Standplaats 347 B 17-19.
Mander, Karel van, Het leven der doorluchtige Nederlandsche en eenige Hoogduitsche schilders. 2 delen (Amsterdam: Steven van Esveldt, 1764). Standplaats 347 B 15-16.
Mander, Carel van, Het schilder-boek. Het leven der doorluchtige Nederlandsche en Hoogduitsche schilders, in hedendaagsch Nederlandsch overgebracht door A.F. Mirande en G.S. Overdiep (Amsterdam: Wereldbibliotheek, 1936). Standplaats 342 B 28.
Geef een reactie