Een zeventiende-eeuws pretpark in Amsterdam: Het Oude Doolhof

Door Leon Vosters, informatiespecialist Studie- en Leeszaal

De temperatuur loopt op en de vakantieperiode verspreidt zich door het land. Koffers worden gepakt en als je niet naar het buitenland vertrekt, dan doen we een dagje Rijksmuseum of Efteling. Maar hoe vermaakte een 17e-eeuwer zich tijdens een dagje uit? Het begrip ‘vakantie’ bestond nog niet, maar de rijke burgerij ontsnapte de hete zomermaanden naar luxueuze buitenplaatsen. Wie minder te besteden had bezocht de jaarlijkse kermis of ging een dagje naar Sloten. Amsterdam had echter in de zeventiende eeuw zijn eigen Efteling, Het Oude Doolhof genaamd.

Vincent Jacobsz. Coster (1553-1608) was een prominent figuur in het Amsterdamse uitgaansleven rond 1600. Hij was wijnpeiler, een ambtenaar die de inhoud van een vat wijn controleerde en daarover de belasting bepaalde. Daarnaast had hij ook een herberg die net buiten de stadsmuren lag, op de hoek van de Prinsengracht 336 – 338 en de Looiersgracht, toen nog het Nieuwe Raempadt. Begin zeventiende eeuw veranderde Coster de eenvoudige tuin achter de herberg in een ‘playsiertuin’ genaamd Sinte Peylders tuyn, later omgedoopt tot Het Oude Doolhof. Met de aanleg van de Prinsengracht en de Looiersgracht werd de kavel voor de helft onteigend. Een tekening van Jacobus Stellingwerff toont de situatie in 1617 waarop we de toegangspoort zien met rechts de herberg. Op een plattegrond van Balthasar Florisz. van Berckenrode uit 1625 wordt de tuin met doolhof voor het eerste vermeld. Vanaf 1648 verschijnen er regelmatig doolhofboekjes die de bezoeker kan kopen bij de ingang. Hierdoor weten we vrij nauwkeurig hoe de tuin was ingericht.

Boven de toegangspoort stond een uitnodigende tekst om vooral binnen te treden, en vanaf een plat dak van de herberg speelde regelmatig een orkestje om bezoekers te lokken. Tegen betaling mocht je naar binnen, waarna men in een wereld vol verrassingen stapte. Bij binnenkomst trof je één (van de twee) fonteinen aan, welke waren gemaakt door de Waalse Jonas Bargois. Fonteinen waren een zeldzaamheid in het vroege 17eeeuwse Amsterdam en de amusementswaarde was groot. Op een prent van Cornelis Florisz van Berckenrode die bedoeld was als reclamemateriaal, staan de twee fonteinen afgebeeld. Links staat ‘Het bolletje’. Een opspuitende waterstraal houdt een balancerend bolletje in de lucht. De andere fontein was ‘De Jonas’. Bij deze fontein had Bargois zichzelf uitgebeeld, biddend terwijl hij tevoorschijn kwam uit de bek van een walvis. Een tafereel geïnspireerd op het Bijbelverhaal. Een aangrenzend keienpad verborg ‘bedriegertjes’ die onverwachts water omhoog spoten, tot grote hilariteit van de bezoekers. Bargois was net als vluchteling in Amsterdam aangekomen en er was niet veel vraag naar fonteinen. Op eigen kosten had hij de fonteinen gebouwd. Deze verhuurde hij voor honderd gulden per jaar aan Jacques de Jager, die recent de herberg en tuin pachtte van de erfgenamen van Coster. De Jager bleek niet een betrouwbare partner te zijn en weigerde de huur voor de fonteinen te betalen. Ook met de grondeigenaar liep het financieel mis. Omdat hij contractueel niet uit de herberg kon worden gezet, besloot Bargois en de erven Coster om met de naastgelegen herberg ‘De Orange Pot’ het Nieuwe Doolhof op te richten. Waarschijnlijk nam Bargois de fonteinen mee, want in 1648 verscheen in Het Oude Doolhof een spectaculaire fontein ontworpen door Albert Vinckenbrick, met meer dan levensgrote beelden van Bacchus en Ariadne op een enorm voetstuk.

De concurrentie was moordend, en het uitbaten van de herberg met pleziertuin bleek geen vetpot. Regelmatig vond er een wisseling van uitbater plaats. In 1640 nam Celitje Jeurians de exploitatie over en bouwde de trekpleister op een zeer commerciële manier uit. Ze liet folders drukken om reclame te maken voor haar ‘kunst-rijcke werken’ en introduceerde vanaf 1648 de eerste Doolhof boekjes waarin de aanwezige objecten werden beschreven. Uiteraard draaide alles om het doolhof, waarvan de paden werden gescheiden door strak gemodelleerde hagen. Onder grote hilariteit raakte je al snel gedesoriënteerd wanneer je op weg was om de koepel in het centrum te bereiken.

Binnen in de beeldengalerij stond een bonte verzameling van houten en wassen beelden van historische figuren, koningen en Bijbelse personages. De absolute hoofdattractie was een reusachtig houten beeld van de Bijbelse reus Goliath, samen met de kleine David en een schilddrager. Het meer dan vijf meter hoge beeld was destijds een technisch hoogstandje. Dankzij een ingenieus systeem van koorden, stangen en losse oogbollen kon de reus met zijn hoofd draaien en met zijn ogen rollen. Een verhalenverteller begeleidde de rondleiding en liet het mechaniek bewegen terwijl hij het bekende Bijbelverhaal vertelde.

Een ander spektakelstuk was Het Paleis van Koning Salomon met beelden van de koning, zijn echtgenote, zijn complete hofhouding en de koningin van Sheba. Een dramatische beeldengroep van de gruwelijke martelingen van de apostelen werd afgewisseld met kluchtige en muzikale figuren zoals ‘Hansje spelende op zijn trompet’ en de doedelzakspeler ‘Jochum’, die zorgden voor een humoristische en muzikale omlijsting. Verder waren er diverse klassieke en mythologische figuren te zien. Populair was het beeld van Eva Vliegen, bekend als Besje Meurs. Ze was een echte hype met het verhaal dat ze 17 jaar lang niet at en leefde op de geur van bloemen. Ze had een enorme fanbase waaronder prins Maurits. Later kwam aan het licht dat haar tante haar al die tijd stiekem eten had gegeven. Wegens dit bedrog werd Eva veroordeeld tot een openbare geseling en verbanning. Zij ontving echter gratie van prins Frederik Hendrik van Oranje. In Het Oude Doolhof bewoog het wassen beeld haar arm via een mechaniek om de kruimels van haar mond te vegen.

Het einde van een pretpark
In de 19de eeuw raakte het park uit de mode en het was dusdanig vervallen dat er alleen nog met mondjesmaat moeders met hun kinderen een bezoekje brachten. Op initiatief van Jacob van Lennep startte in 1852 een aantal invloedrijke Amsterdammers een reddingsactie voor het behoud van de tuin. Hierdoor hebben ze de sloop nog tien jaar kunnen uitstellen. In 1862 overleed de laatste eigenaar van het doolhof, een zekere meneer J. Brands, waarna de stad Amsterdam de grond met inboedel kocht voor fl. 16000,- om daar vervolgens een armenschool te bouwen. Op 30 juni 1862 werden de objecten en inboedel geveild. Veel van de historische en mechanische wassen en houten beelden verdwenen na de veiling in privécollecties of werden aan slopers verkocht. Hiermee kwam na ongeveer 250 jaar een einde aan het pretpark.

Sporen van Het Oude Doolhof
Wat is er overgebleven van deze sprankelende plek? De locatie is tegenwoordig een besloten binnentuin voor omwonenden bij de Prinsengracht/Looiersgracht. Alleen op bijzondere dagen zoals de Open Tuinen Dagen kun je de nu weelderige tuin bezoeken. De paardenkastanje, geplant vlak na de sluiting van de tuin, markeert de plek waar ooit het doolhof lag. Het poortje op Prinsengracht 338 gaf toegang tot de tuin. Stadsarchivaris Pieter Scheltema (1812-1885) wist de beeldengroep met Goliath te redden, welke zich nu bevindt  in de collectie van het Amsterdam Museum (momenteel gesloten voor renovatie).

In de collecties van de Rijksmuseum Research Library en het Rijksprentenkabinet zijn ook nog sporen te vinden. Zo zijn er diverse doolhofboekjes aanwezig. Van een eerste druk uit 1648 (KOG/004720) tot de laatste uit 1860 (KOG/000243). ‘Omzwervingen door Neêrlands hoofdstad. VI. Het Doolhof’ is een humoristisch en levendig 19e-eeuwse beschrijving uit 1845 door Jan Kijk in de Wereld (pseudoniem voor Egbert van der Maaten). Je wordt als het ware meegenomen langs alle objecten, en deze worden uitgebreid besproken met een ironische onderlaag (KOG/002134). In het Prentenkabinet bevindt zich de plattegrond van Amsterdam uit 1625 door Berckenrode waarop de tuin voor het eerst wordt vermeld (RP-P-1892-A-1791-A). Twee anonieme 19e-eeuwse volksprenten tonen respectievelijk 20 en  24 afbeeldingen met daarop de beelden, fontein en het doolhof (RP-P-OB-204.462 + RP-P-OB-205.117). Ook is een collectie tekeningen aanwezig welke zijn gemaakt door Willem Hekking jr. met daarop de situatie in de 19e eeuw. Deze werden gemaakt ter herinnering aan Het Oude Doolhof en zijn destijds veelvuldig gereproduceerd als kleurenlitho’s om de herinnering levendig te houden. In zaal 2.5 van het museum kun je kennis maken met Vincent Jacobsz. Coster, de eerste eigenaar van de tuin (BK-NM-11452).

Het Oude Doolhof liet Amsterdammers en toeristen lachen, verwonderen en hopeloos verdwalen. Volgende keer dat je de hoek van de Prinsengracht en de Looiersgracht passeert, sta dan even stil bij het poortje op nummer 338. Sluit je ogen, luister naar de vogels en stel je voor dat je muziek, de bedriegertjes en het gelach van 400 jaar geleden hoort. Sommige plekken verliezen nooit hun magie.

Met dank aan Mieke Lunenberg voor de rondleiding in haar voormalige oude doolhof.

Één reactie op “Een zeventiende-eeuws pretpark in Amsterdam: Het Oude Doolhof”

  1. usually759692791c avatar

Geef een reactie

Ontdek meer van The Art of Information

Abonneer je nu om meer te lezen en toegang te krijgen tot het volledige archief.

Lees verder